Sectie Historisch Onderzoek "Hollant"

 Rechtspraak voor en na de Graventijd

  Onder Constructie, wordt bewerkt.

De middeleeuwse stad

Leenheer- leenman
Leenheer- leenman
Karel de Grote en zijn gevolg
Karel de Grote en zijn gevolg
De werken van barmhartigheid , Mr van Alkmaar 1504
De werken van barmhartigheid , Mr van Alkmaar 1504
Bedelen bedrog?
Bedelen bedrog?
Malle Babbe, Frans Hals
Malle Babbe, Frans Hals

Regering in het Romeinse Rijk

Rechtspraak voor en na de graventijd

Inhoud

1. Inleiding

1.1 De vergelding

1.2 Het begin van de rechtspraak

2. De ontwikkeling van de rechtspraak in de lage landen van de jaartelling tot de zestiende eeuw

2.1 Romeinen en Germanen en het recht

2.2 Van Germaanse wetgeving naar Frankische wetgeving

3. Veranderingen in de leenverhoudingen, terug naar oude rechtssystemen

3.1 Gedeeltelijk herstel van de staatsvorm

4. De graven van Holland

4.1 Het canonieke recht ( Italië begin 11e eeuw)

5. Hoe werd er recht gesproken in het eerste millennium?

5.1 Ontwikkeling van rechtspraak

5.2 Leden van de rechtbank: wetgevend, uitvoerend en de rechters.

5.3 Grafelijk bestuur, de benoemingen van ambtenaren.

5.4 Adel als uitzondering

5.5 Onderzoek voor het proces.

6. De rol van advocaten

7. De Baljuw

8. Processen

8.1 Strafrecht en het civielrecht

8.2 De schepenen en de rechtsgang

9. Misdrijven en straf

10. Handhaving van de openbare orde.

Literatuur

1.Inleiding

Toen mensen besloten in groepen te gaan samenwonen ontstonden uit onderlinge afspraken regels die in de gevormde gemeente voornamelijk verdraagzaamheid konden waarborgen. Geschreven wetten bestonden niet. Het was vanzelfsprekend dat ontvreemding van bezit

in de ruimste zin van het woord, niet aanvaard werd en een herstel van de geleden schade moest volgen.      

  De eerste samenlevingsvormen kenden niets anders dan vergelding door te straffen. Vergelding heeft lange tijd bestaan voordat de rechtspraak enige vorm kreeg in de westerse samenleving. Het Recht is tot een onmisbaar element in de samenleving gegroeid, het heeft echter lang geduurd voordat dit een duidelijke structuur kreeg. De middeleeuwse gemeenschap had uitsluitend oog voor de overtreding en niet voor de mens en de door hem of haar begane misdaad. In de middeleeuwen telde het individu niet mee. De religie was overheersend, met angst voor de gang naar het hiernamaals. Het laatste oordeel,  leefde voortdurende onder de mensen, niemand kon daaraan ontkomen.

  Het jus talionis, het vergeldings recht, vloeit voort uit de wetten van Mozes. De opgelegde straf werd beschouwd als een herhaling van de gepleegde daad en werd opgelegd aan de dader waarmee recht gedaan werd aan de benadeelde.

   Na de middeleeuwen ontstaat in de verlichting een filosofische beschouwing aangaande recht doen. Het individu wordt belangrijk in het denken. Overwegingen waren of de straf in het vergeldingsrecht geen collectieve agressie tegenover de enkeling was, zonder dat er nagegaan werd wat de drijfveer van de misdadiger was? Zijn het voorbedachte of onbewuste opwellingen die tot de daad aanleiding gaven. In elke daad doet de persoonlijkheid met de innerlijke tegenstrijdigheden mee.[1] Het heeft vele jaren geduurd voordat men zich hierin ging verdiepen. Psychoanalyse bestond niet voor de 19e eeuw als wetenschap en voor die tijd werd gestraft op basis van regels, ontstaan vanuit de praktijk. Alles was er op gericht om de overtredingen in de gemeenschap zoveel mogelijk te beperken. De meeste misdaden waren gericht tegen de persoon slechts een klein deel hiervan tegen de maatschappij. Middeleeuwse bronnen geven weinig inzicht over misdadigers. Mannen pleegden vaker een misdrijf, misdrijven van vrouwen waren hoger in de stad dan op het platteland. Alcohol misbruik, honger en armoede onderdrukking en oorlog zijn bekende criminogene factoren

   De psychiatrie heeft onderzocht dat impulsen die tot een misdaad aanleiding geven het gevolg kunnen zijn van traumatisering in de jeugd. Ervaringen van zwakte en haat, opgebouwde onmachtgevoelens met een ontwikkelende behoefte om gestraft te worden. De later gebruikte freudiaanse theorieën zijn tijdsgebonden en discutabel. Gebruikte verklaringen zoals het  compenseren van schuldgevoel en de behoefte om bewonderd te worden kunnen een onbewuste drijfveer tot misdaad zijn.  

  Onbewuste motieven worden niet besproken, hieronder volgt uitsluitend een beschrijving van de geschiedenis en ontwikkeling van het recht.

     De geschiedenis van de rechtspraak omvat meer dan de ons bekende ingevoerde wetgeving tijdens en na de Franse bezetting eind achttiende eeuw. Het doel van dit werkstuk is een overzicht te geven van een zich vroeg ontwikkelende rechtspraak vanaf de Romeinse tijd tot de omgevormde middeleeuwse rechtspraak in de vijftiende en zestiende eeuw. Waarom deze afgebakende periode? Na de middeleeuwen begint de periode van de Renaissance en er vormt een nieuw wereldbeeld. De lage landen werden onderdeel van het door erfrechten gevormde grote keizerrijk. Onder de Habsburgers werd een strak rechtstelsel georganiseerd. Voor overzichten van straffen en gedetailleerde jurisprudentie verwijs ik naar te raadplegen werken over die periode. Wel volgt een indeling naar zwaarte van opgelegde straffen.

1.1 De vergelding

Met bloedwraak wil het slachtoffer de pleger van de misdaad of zijn familie straffen. Een bloedvete is een langer durende wraakuitoefening tussen families. Dit heeft een doel. Met dit doel wil men aangeven dat er geen compromis mogelijk is en dat er met de betrokkenen niet valt te spotten. Vergelding staat vast en met de wraak wil men zoveel mogelijk schade aan de ander toe te brengen en aantonen dat er geen sprake is van zwakte. Dit verschilt duidelijk van de vergelding waar alleen een oog voor een oog als principe geldt. De bloedvete is een meer genuanceerdere vorm van represaille. Het verschil is de strafuitoefening, Met het oog om oog principe wordt er geen schade toegebracht aan onschuldigen maar een straf gegeven die evenredig is aan de misdaad. Het uitgangspunt is dat de overtreder en hij alleen straf verdient. Als schuld wordt beschouwd een gepleegde misdaad uit vrije wil en de pleger heeft de te volgen straf zelf aangehaald.

  Deze vormen van straf zijn ethisch en maatschappelijk niet aanvaardbaar. Niet elke straf is verdiend. Het moeten boeten leidt naar een ongepast oordeel. Weet de rechter wel of de pleger wel uit vrije wil handelde? Wraak en vergelding hebben geen vooruitziende visie, het is een vastloper in het verleden, zonder na te denken over toekomstige gevolgen. Studie en wetten vormen ontwikkeling in de rechtspraak met als gevolg dat er een bredere visie mogelijk wordt. Vanuit voorschriften wil de rechtbank een straf opleggen. Straffen zonder enige zin moet door de rechter voorkomen worden, Het heeft lang geduurd voordat de rechtspraak deze vorm kreeg en gewoonterecht verving.

1.2 Het begin van rechtspraak.

In de diepe oudheid bestonden er vele kleine gemeenschappen, die geen afspraken kenden over recht en slechts handelden vanuit de groepsmoraal. Religie en groepsgevoel bepaalden wat voor de woongemeenschap toegestaan was en wat als bedreigend gezien werd voor de samenleving. Maatregelen werden genomen om de veiligheid te waarborgen en van enige structuur in recht was geen sprake. Iedereen was van de ”regels” op de hoogte en sociale controle was de enige maatregel om bezit te beschermen. Vreemdelingen werden snel opgemerkt.

Rechtspraak kende in het allervroegste begin een sacrale uitdrukkingsvorm.[2] Dat wil zeggen er werd door of met hulp van priesters recht gesproken met als rechtsbron een heidense ritus, of het Semitisch–Bijbelse recht. Vroege vormen van een rechtssysteem zijn gevonden in Mesepotamië (1780 v. Chr.) opgetekend in de codex van Hammurabi die in Babylonië gebruikt werd en het recht van Gortyn een Dorische wetgeving op Kreta ( 480-450) v. Chr.            

  De Twaalf tafelenwet, waren civiele wetten van de Romeinen (451 v. Chr.), die als gewoonterecht op stenen genoteerd waren en hierdoor voor iedereen herkenbaar. Het door St. Augustinus verkeerd gelezen talioprincipe in de Romeinse Twaalftafelenwet, is de in dit recht de compensatoire vergoeding.[3] Het is onjuist dit als een vergeldingsprincipe te beschouwen waarbij en een even zo groot letsel aan de dader werd toegebracht als àan het slachtoffer. Zinloze verwondingen achtte de wet niet toepasbaar. Er werd uitsluitend gebruik gemaakt van materiële compensatie.

 In het Oude als Nieuwe Testament, worden richtlijnen voor vergelding aangegeven.Sprekend zijn de wetten van Mozes (ca 1450-1400 V. Chr.). De oog om oog tand om tand vergelding is in het Nieuwe Testament naast vergiffenis ook aanwezig als de straf van God, te vinden in de Openbaringen van Johannes.[4]   

De Romeinen zijn de eersten geweest die de rechtstaal ontdaan hebben van het religieuze karakter. Door de rechtspraak een eigen taal te geven, ontstond geseculariseerd recht.  

  De Bijbel met oordelen over verzoening en gerechtigheid hebben nooit incorporatie in het aardse recht gevonden, het bleef een studie over gerechtelijke vraagstukken vanuit ethisch standpunt.[5] Barmhartigheid is een losstaand beginsel gebleven, het werd niet aangewend vanuit christelijke grondslagen en het vonnis bleef willekeur van de rechtbank. Rechters bij de Romeinen waren magistraten die zowel een leger konden aanvoeren als rechtspreken gevolgd  door de executie van het vonnis. Iedere burger was verplicht hen onderdak te verlenen, hen met eer te ontvangen en vastgelegd was dat de uitgesproken boetes aan de magistraten uitgekeerd werden.

Het Romeins recht werd na het verval van het rijk niet meer gebruikt, maar wordt na 1158  weer ingevoerd dankzij de invloed van Frederik Barbarossa. Om het lang bestaande recht weer in de bestaande rechtspraak te incorporeren was zonder meer een bestudering het verloren gegaan Romeinse recht nodig, met een grondige voorbereiding van de toepassing en omvorming. Het middeleeuwse strafrecht kende het talioprincipe in de accusatoire rechtspleging.[6] Dit is een omschrijving van een proces waar de partijen en niet de rechter de rechtsgang bepalen, bewijslast en verdediging is aan hen gegeven, de rechter blijft passief in de waarheidsvinding. De bewijsvoering moet zondermeer overtuigend zijn voor een vonnis.    Een straf op de klager werd uitgevoerd als een burger zijn aanklacht niet kon bewijzen. In sommige gevallen werden zelfs de klager en de beschuldigde gevangen gezet of werd hen beiden een geldsom opgelegd.

  Naast de burgerlijke rechtbanken ontwikkelen zich kerkelijke rechtbanken met inquisitie met een grote invloed op het rechtssysteem.

  In de dertiende eeuw wordt een verdachte meer als rechtsovertreder gezien en er volgt  opsluiting met vooronderzoek. Voorheen was de beschuldigde een gedaagde partij die gelijkwaardig met de tegenpartij door een rechter gehoord werd.

  Burgerlijke rechtbanken voeren een inquisitie in hun rechtsgang in. Opsluiting, ondervraging en tenslotte de presentatie voor de rechtbank. In het inquisitoire strafproces heeft de rechter twee functies een als openbare aanklager en de ander als rechter die vonnist. De vervolgde partij moet het bewijs van midrijf leveren en bij ernstige misdrijven is vanaf de dertiende eeuw foltering vrijwel overal aanvaard.[7]</a&g