Sectie Historisch Onderzoek "Hollant"

De 100 jaren van bloei

Gravin Petronilla
Gravin Petronilla
kerk en ruine Cornelis Pronk
kerk en ruine Cornelis Pronk
Zuidoosten Abraham Ramaker
Zuidoosten Abraham Ramaker
Zuidwesten Abraham Bloemaert
Zuidwesten Abraham Bloemaert
Elburg van den Boetselaar 1510-1568
Elburg van den Boetselaar 1510-1568

Rijnsburg geschiedenis 1200 – 1310                       Albert H. Chr. de Bruijn, 2021

 

In 1309 stierf de abdis Jutte van Deventer, abdis te Rijnsburg en nicht van Floris V. Wat maakt de abdij van Rijnsburg zo bijzonder dat er dagelijks nog onderzoekers en vrijwilligers van het museum mee bezig zijn? Een romantische sluier versiert de geschiedenis van het klooster en de abdij. De mysteriën en de kennis vormen een interessante combinatie die een geschiedkundig beeld vormen, waarbij soms een strenge keuze nodig is om aan te geven wat nu wel en niet waar is. Bewijskracht kan soms hard zijn en ontgoocheling teweegbrengen, als jarenlang aangenomen is dat veel grafelijke voorouders hier bewaard zijn en C14 met DNA verwantschap onderzoek anders uitwijst. Eens is hier een belangrijk deel van het gravenhuis Holland begraven samen met vele abdissen behorende tot de abdij van Rijnsburg. Hun nagedachtenis vormt de basis van alle verhalen over grafelijke abdissen en edele nonnen die de schat vormen die abdij van Rijnsburg heeft. De geschiedenis van Rijnsburg begint nadat de burcht in 1047 verwoest wordt en Leiden in datzelfde jaar een vestingburcht bouwt en militaire taken overneemt. De strategische rol van Rijnsburg is dan overgegaan naar het cultuurschap van dorp en landerijen. De abdij van Rijnsburg vormde niet alleen een tehuis voor adellijke dames maar was ook gericht op de armenzorg. Egmond beroemd als grafelijk archief maar enige vorm wetenschap werd daar niet ontwikkeld.1 Hieronder leest u een samenvatting van de eerste eeuwen van het klooster met een overzicht van de edele jonkvrouwen die behoorden tot het Hollandse huis. Het is bedoeld om de beeldvorming van de abdij te ondersteunen, die al eerder in de 19e eeuw door Schotel zo optimaal mogelijk gedocumenteerd is. De veertiende, vijftiende en zestiende eeuw getuigen van grote welvaart, rijkdom en grandeur tot de verwoesting die ontstaat in 1573, als de Spanjaarden verdreven worden uit het gebied. Deze periode blijft echter onbesproken en slechts 15 van de 30 abdissen worden nader uitgewerkt. De bronnen over de abdij van Rijnsburg zijn helaas beperkt. Kort wordt ingegaan op skeletonderzoeken en de conclusies uit 1998. De tweemaal verrichte opgravingen met de uitkomsten hebben een definitief oordeel gevormd. Specifiek DNA onderzoek is nooit verricht, wel is gezocht naar DNA verwantschap van Floris V.2 De 10e eeuw en verder Benedictijnen kwamen in het einde van de zevende eeuw naar de Lage Landen.3 Zij konden ongehinderd hun werkopdracht uitvoeren want de Merovingische heersers aanvaardden hun komst en boden ruime gelegenheid het evangelie te verkondigen en uit naam van de Schepper werkzaamheden te verrichten In het religieuze Utrecht vestigen de Benedictijnen zich echter zonder klooster. Tot het eerste klooster wordt de abdij van Susteren gerekend die voor 711 gesticht is. 4 Dit klooster is aanvankelijk bedoeld voor mannen, maar wordt in 870 ook ingericht voor nonnen.



De eerste kerken in Rijnsburg  Rijnsburg was van oorsprong een vestiging met een burcht, die eerst door de Romeinen gebouwd is en later gebruikt werd ter bescherming tegen de invallende Noormannen. Om vooral het centrum tegen overstromingen te beschermen werd tussen 890-1050 een ringburgwal gebouwd van 50 cm hoog voldoende om het water te weren. De strijd in Rijnsburg was aanvankelijk een verweer tegen Vikingaanvallen en werd beroemd door de strafexpeditie van keizer Hendrik III tegen graaf Dirk III. Rijnsburg was met leiden strategisch belangrijk. In de strijd op weg naar Vlaardingen werd de plaats op de ongehoorzame Dirk III veroverd, later werd zijn ongehoorzaamheid vergeven. Om de nagedachtenis aan de gesneuvelden te eren is een kapel gebouwd. Dit godshuis was verbonden met de burcht, en werd een militaire erebegraafplaats. Omdat latere opgravingen op deze locatie geen resten van het Hollandse Gravenhuis aantoonden, is het onjuist te vermoeden dat deze kerk in vroege tijden voor hen een laatste rustplaats was.5 Eind twaalfde eeuw volgde Rijnsburg de abdij van Egmond op als dynastieke kerk. Vele geleerden hebben zich gebogen over de betekenis van de nu nog bestaande kerk. De meest gangbare opvatting is dat de “Militaire kapel van de burcht” een herwijding midden tiende eeuw ontving en verbonden werd aan St. Laurentius, een heilige wiens naamdag samenhing met heldhaftige strijd.6 Na de verwoesting van de burcht is een nieuwe kerk gebouwd die als parochiekerk dienst deed. Deze herbouwde kerk in de 12e eeuw kwam zowel ten dienste van het klooster als voor de inwoners van het dorp.



Gravin Petronilla laat de kleine kerk verbouwen tot een abdijkerk die een duidelijke plaats het klooster inneemt. In latere herbouw wordt hierin een klaverbladkoor met steunende zijbeuken en opbouw van steen gemaakt. Brand heeft helaas vaak een deel van het complex verwoest, waarna toch weer herbouw volgde. Op blz.11 wordt er nadere toelichting op de kerkruïne en de twijfels over de bouwkundige historie van de abdijkerk gegeven. Een nonnenklooster



In de tiende eeuw was in Egmond door graaf Dirk I de abdij voor het verblijf van benedictinessen ingericht. Er ontstond grote ophef toen de eerbied voor hun verblijf door binnenlopende soldaten werd geschonden. De graaf had toegestaan legeronderdelen daar te huisvesten. Deze niet overwogen beslissing veroorzaakte een ongepaste situatie. Luid protest was het gevolg want kloosters werden beschouwd als afspiegeling van het paradijselijke bestaan. In de eerste plaats gold het als een veilig huis, gericht op religieuze beleving en maatschappelijk respect. Naar aanleiding van de geuite klachten en de belangrijke positie van het klooster verontschuldigde Dirk II zich snel door het klooster te herstellen en van grote rijkdom te voorzien. 7 In verschillende andere plaatsen ontstonden enkel en dubbelkloosters. Voorbeelden hiervan zijn de kloosters in Susteren, Bennebroek en een vestiging in Thorn. Door de invallen van de Friezen werd het voor de vrouwen in het klooster te Egmond te gevaarlijk en voor het einde van de tiende eeuw werden de nonnen overgebracht naar Bennebroek waar Arlinde de dochter van graaf Dirk II daar abdis was (953-1012). Egmond bleef voortaan het belangrijkste mannenklooster en werd tevens het grafelijk religieus centrum met de kanselarij van de belangrijke oorkonden. In de St. Adelbert Abdij bewaarde men bijzondere handschriften. Na deze verhuizing werden in het klooster in Bennebroek geen nieuwe religieuzen meer aangenomen en na het overlijden van de laatste nonnen werd dit klooster opgeheven.8 In de twaalfde eeuw ontstaan op vele plaatsen vrouwenkloosters waaronder de in 1132 opgerichte abdij te Rijnsburg en later een in Oudwijk te Utrecht. De regels in de geestelijke orden bepaalden het verschil in het religieuze leven in het vrouwenklooster in de lage landen. Een geestelijke orde had rechtsbevoegdheid, selecteerde de toe te laten populatie en schreef de plichten van de inwonenden voor. Benedictijnen verschilden in hun strenge opvolging van regels sterk van de cisterciënzers. Na een periode van losbandigheid in orden en kloosterleven en geloofsbeleving ontstaat er drang naar diepe religieuze beleving en tucht. De Gregoriaanse hervorming, naar paus Gregorius (1073-1085), heeft een corrigerende invloed en bestrijdt simonie, eist het celibaat. Ook volgt een Investituurstrijd met de vorsten. In de twaalfde en dertiende eeuw is er grote belangstelling voor het kloosterleven met een romantisch verlangen. De eerste vrouwenkloosters waren al in de vierde eeuw ontstaan met grote heiligen als voorbeeld.9 Veel kloosters hielden zich vanouds bezig met armen en ziekenzorg. Na het uiteenvallen van het Karolingische rijk is er een kerkelijke omslag. De adel eigent zich het recht toe eigen kloosters op te richten en vanuit de familie een abdis te benoemen. Vanaf de twaalfde eeuw ontstaan door idealisering van armenzorg oprichting van door de paus erkende orden zoals franciscanen, premonstratenzers, cisterciënzers en dominicanen. De orden hanteren strikte regels. Het zijn niet alleen mannen die een orde vormen, de bewegingen trekken ook vrouwen aan. Bevlogen willen zij in een andere wereld treden en zich wijden aan contemplatie en gebed. Zij hebben hoge idealen en streven naar werken in een eigen gemeenschap. Toch zal een volledige isolatie van de wereld geen stand houden. Het klooster kan niet voortbestaan buiten de dorpen om. In het dagelijks bestaan is er invloed op de omgeving en omgekeerd. Een gevolg hiervan is dat er leken naar het klooster toetrekken, die in de organisatie een plaats krijgen. In vele gevallen ontstaat er een belangrijke binding tussen het klooster het woonoord in zorg en opvang. Waarom een klooster in Rijnsburg? Met welke reden werd het klooster te Rijnsburg opgericht? Verschillende motieven spelen hierin een rol. Onmiskenbaar is de grafelijke, religieuze en politieke betrokkenheid in de oprichting van kloosters en de burcht bood bescherming. Rond 1200 waren er slecht drie “grafelijke kloosters”; de benedictijner abdij te Egmond, de benedictinessenabdij te Rijnsburg en de premonstratenzer abdij te Middelburg. In de dertiende eeuw ontstaat hierin een aanzienlijke uitbreiding met eenentwintig kloosters en elf begijnhoven.10Hiervan zijn acht kloosters vrouwengemeenschappen, zij behoren tot de orden van clarissen en dominicanessen.Deze vestigingen zijn niet alleen bedoeld om als luxe opvang voor kapitaalrijke niet uithuwbare adellijke dames te dienen. In het klooster werd dag en nacht gebeden voor Hollands welzijn en de bescherming van het grafelijk hof. Daarnaast ontstaat een grote maatschappelijke invloed, die cultureel en staatsvormend is met een abdij als grafelijk eigendom. Ook de geldingsdrang van het grafelijk hof een rijk klooster te bezitten, moet als toonbeeld dienen en als een weldaad ter ere van de levenden en de overledenen. De verbintenis met de benedictijner orde was niet toevallig, maar bewust gekozen.11 Besloten is dat premonstratenzer en cisterciënzerkloosters lage adel opnemen, benedictinessenkloosters zullen hoge adel opnemen.12 Cluny het voorbeeld van klooster rijkdom, kreeg als reactie hierop orden die in armoede wilden leven. In Fontevrault een klooster met benedictijnen. Zo kwam in Rijnsburg onder de benedictijnse regel met de opbouw van een eigen klooster, de armoede en extreme clausuur van de cisterciënzers paste hier niet. In Loosduinen wordt in 1224 een cisterciënzerinnenabdij opgericht. De meesten nonnenkloosters zullen zich in Groningen en Friesland vestigen. Na de eerste helft van de dertiende eeuw neemt de stichting van nieuwe conventen af en volgt beperkte opname van gelovigen per locatie. Het bezoek van de Hollandse graven aan de kloosters is meestal een kort verblijf in Egmond of Rijnsburg, maar van enige regelmaat is zeker sprake.13 Het onthaal is vorstelijk en wordt grondig voorbereid.

De keuze van de abdis ging volgens een voorgeschreven procedure.14 De priorin riep hiertoe de vergadering bijeen om de meest waardige leidsvrouw te kiezen naar kerkelijke bepalingen in het Kapittelhuis. Een vastgelegde voorwaarde voor deze functie was dat een leeftijd onder de 60 jaar niet was toegestaan. De geschiedenis leert wel dat hier vaak van afgeweken is. Na voordacht werd de kandidaat gekozen. Na de verkiezing werd de benedictie over haar uitgesproken, gevolgd door de ingediende confirmatie door de bisschop van Utrecht. Deze procedure werd tot 1535, het eerste jaar waarin Keizer Karel V zelf voor de benoeming koos en de bisschop zijn keuze liet uitvoeren, gehandhaafd. De gekozen abdis ontving de kromstaf, las de eed van trouw voor en ontving vervolgens het zegel. Al haar beloften waren een garantie dat zij geen afbreuk zou doen aan het bewaren van de goederen en het nakomen van kloosterplichten. De abdis had een groot gezag. Zij tekende brieven met abdis in Godes naam en later; “ bij die der getuigenis of de genade Gods”. Zij werd aangesproken met; “mevrouw of eerwaardige vrouwe, uwe genade, uwe hoogheid “. De abdis werd in alle belangrijke feestelijkheden betrokken en werd van al het belangrijke nieuws in kennis gesteld. In de late middeleeuwen werd zij bij plechtigheden en reizen vergezeld door een uitgebreide hofhouding. In de veertiende eeuw ontving de abdis zelfs een voor haar rang bepaald jaarsalaris. Naaste de conversen en bediening woonden er gemiddeld veertig nonnen in het klooster. De lekenbewoning nam toe. In de veertiende en vijftiende eeuw is er sprake van een aanzienlijke hofhouding van de abdis met kamerdienaars, edelwachten, hofjonkers en de kapelaan.15 De voorschriften voor de maaltijden, kloostertucht, biechten en zwijgen worden door doctoren en dekens vaak benadrukt maar werden niet uitgevoerd. De abdis bepaalde haar eigen leefstijl en vorsten werden met geschenken bezocht en in buitensporige weelde ontvangen. In het kader van de gekozen periode de twaalfde en dertiende eeuw volgt hieronder een kort overzicht van de eerste vijftien abdissen uit het Hollandse en Henegouwse huis.16 Helaas blijft deze beperkte informatie want soms is van een abdis niet meer dan een jaartal bekend. Verwarrend is soms ook zelfde naam zonder antecedenten van de verschillende beschreven personen.

De abdissen   Cunzia, is met 36 jaar de eerste abdis. Zij was een zuster van graaf Frederik van Biche en is gestorven in 1178. Bonifacia werkte 10 jaar als abdis en is gestorven in 1187. Abdis van 1178-1187? Sofia van Holland was de dochter van graaf Dirk VI die gehuwd was met Sophia van Rheineck (1115-1176). Dirk liet nieuwe abdijkerken bouwen in Egmond en Rijnsburg en stierf op pelgrimage in Jerusalem. Sophia werd een groot voorbeeld voor de armenzorg dankzij haar onderricht over hoe de nonnen met het maken van kleding een bijdrage konden leveren. Door een onverwachte brand moesten de nonnen tot de herbouw in 1185 elders onderdak vinden. Abdis Sophia is in 1212 overleden, of zij abdis in Fontenelles is geworden blijft een vermoeden. Agnes van Holland (1205-1228) is de dochter van graaf Floris III en Ada van Schotland. Aleid van Wassenaar, de dochter van Halewijn van Wassenaar en Johanna van Arckel.17 Aleid van Deventer, over haar is niets bekend. Emessa 1233, onder haar bestuur trad wanorde in. Ada van Holland (abdis 1239-1257) ingetreden als non in 1233. Geboren in 1208 dochter van Willem I en zuster van Floris IV.18 Clarissia van Noordwijk (1260-1266), dochter van Willem van Noordwijk weduwe van Walewijn van Alkemade. In 1261 stichtte zij in 1261 de cisterciënzer vrouwenabdij in Noordwijkerhout met de regel van Cluny. Zij behoorde tot een vertrouwelijke familieadel van de graaf. Aleid (1277-1287). Jutta van Deventer (1296?-1309), nicht van graaf Jan I en Floris V. Elizabeth van Wieldrecht overleden in 1316. Ada van Teylingen sterft in 1316. Ada van Leiden overleden in 1316, haar vader was Dirk burggraaf van Leiden. 14a Clarissa van Velzen ( 1316-1325), dochter van Gerard van Velzen (niet zeker). Mabelia van Wassenaar overleden in 1329 Machteld van Duivenvoorde overleden in 1349   3. Sophia van Rheineck trouwde in 1131 met Dirk VI, graaf van Holland (ca. 1114-1157). Uit dit huwelijk werden vijf zoons en vier dochters geboren, van wie een dochter jong is overleden. Dirk was dwars, Sophia heel gelovig en meegaand. Dirk VI was de zoon van de “lastige Petronilla”. Wegens de doorlopende conflicten met de bisschop van Utrecht had Dirk VI ter bescherming de abdijen van Egmond en Rijnsburg aan de heilige stoel opgedragen. 10. Graaf Floris V neemt de abdij in 1291 weer onder zijn bescherming. Bekend is dat hij al vanaf 1275 schenkingen deed. Tussen 1280 en 1291 voerde hij veel strijd oa. tegen de Friezen en werd in 1290 bij Biervliet gevangen genomen. Jutte van Deventer was de nicht van graaf Jan I; en wordt genoemd in een akte van1298, naast haar zijn drie hooggeboren abdissen uit het huis van de graven van Holland; Sophia van Holland, Agnes van Holland en Ada van Holland. Uit het huis Wassenaar; Aleid van Wassenaar, Ada dochter van Dirk van Wassenaar, Mabelia van Wassenaar en Machteld van Duivenvoorde en de non Gijsberta van Duivenvoorde. 19 12. Ada van Teilingen is de dochter van Simon en nicht van Dirk van Teilingen. Drie abdissen overlijden in 1316. Er heerste hevige hongersnood en de pest, vele nonnen stierven met hen in deze barre periode. 13. Ada van Leiden is de dochter van Dirk van Wassenaar. Van de bijzondere kloostervrouwen, met de titel abdis Vrouwe van Rijnsburg, was de meest markante uit de dertiende eeuw Ada van Holland.Zij is dochter van graaf Willem I. Hij huwde in 1197 te Stavoren met Aleid van Gelre (ca. 1182-1218), dochter van Otto I van Gelre en uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren die later belangrijke functies kregen:   1. Floris IV, was opvolger van zijn vader als graaf van Holland. 2. Otto werd bisschop van Utrecht 3.Willem, tijdelijk voogd van Willem II is in 1238 overleden tijdens een toernooi 4.Ada, abdis van Rijnsburg geb. 1208, Vrouwe van Rijnsburg 5. Ricardis (ovl. 3 januari 1262).Willem huwde voor een tweede maal met Maria van Brabant, maar dit tweede huwelijk is kinderloos gebleven.   Ada’s overlijdensdatum: is bepaald op 27 juni 1257 en zij stierf ongehuwd kinderloos.* Zij was Abdis van ca. 1239-1257 en maakte een moeilijke bestuurlijke periode mee binnen en buiten het klooster.20 Mishandeling, samenzwering en simonie waren regel geworden. In de dertiende eeuw werd de kloosterregel van Benedictus ernstig geschonden. Wijn en vlees hadden de soberheid in de maaltijden verdrongen en het geestelijk leven werd tot het minimum beperkt met alleen wat gebeden op verzoek. Het gezag van de abdis kelderde. Niet alleen de nonnen en lekenzusters waren opstandig, ook de kapelanen en conversen braken de geloften. Ada werd zelfs slachtoffer van handgemeen en raakte gewond. Met de toorn van de banbliksem van de bisschop en paus kon Ada de opstandigen in toom houden en werden schuldigen gestraft. Tot absolute gehoorzaamheid kwam het niet want zelfs tot in de vijftiende eeuw bleven misbruiken, soms te zien als toegeëigende gebruiken bestaan.21 De nonnen waren gekozen uit adellijke families die een van hun dierbaren als vrome zuster naar het klooster zonden en dit gaf privileges. De adellijke afkomst van de dames bleef herkenbaar. Zo was opgeven van wereldlijke geneugten en het weerstaan van invloeden van buitenaf niet gemakkelijk. Clarissa van Noordwijk = Clara van Noordwijk, dochter van Willem van Noordwijk, schoonzuster van abt van Egmond Nicolaas van Sassenheim. Zij was de moeder van Arend van Sassenheim, pastoor van de Grote of Sint. Bavokerk te Haarlem de belangrijkste kerk in het graafschap. Naast Arend heeft zij nog drie kinderen gebaard. Na het overlijden van haar echtgenoot ridder Walewijn van Alkemade trad zij tot het klooster toe. Vanaf 1257 is zij abdis in Rijnsburg en verdeelt haar werk met het stichten de cisterciënzer vrouwen abdij Leeuwenhorst in Noordwijkerhout in 1261. Materieel gesteund door de plaatselijke adel wordt zij daar abdis, (zie afbeelding). Haar overlijden is in 1274. Beide abdijen komen onder haar gezag tot grote bloei. Alles was geen geringe opgave al die jaren zo lang na haar gezinsleven aan het klooster leven te besteden. Ter nagedachtenis van haar schenken haar zoons royaal aan het klooster. Haar broer was Albert (van Noordwijk) van Velzen de vader van Gerard heer van Beverwijk. Helaas werd ook deze Abdij door Leidenaars in hun strijd tegen de Spanjaarden verwoest.   Abdis Alijd ook wel Aleid genoemd en heeft een bestuurlijke periode van 1274/1277-1287. Zoals bij meerdere abdissen heeft van Wouter van Gouthoven geen achternaam vermeldt met gevolg dat we deze Aleid niet in een familie kunnen plaatsen. Nota bene een abdis die twaalf jaar werkzaam was. Zij mag niet verward worden met Aleid van Henegouwen, hoewel haar data sterk overeen komen, komt Rijnsburg nergens in haar testament voor.22 Hüffer beschrijft haar als een kordate abdis wegens haar bestuurlijke prestaties en zakelijke activiteiten in de verkoop van kloosterland. Zij liet in haar testament een legaat optekenen dat gedateerd is op 18 oktober 1271. Dat zij gewaardeerd werd blijkt wel dat Aleid voluit op de steun van Floris V rekenen met de schenkingen en tolvrijheid die hij in die periode aan Rijnsburg verleende. Het hoge gezag van Aleid blijkt ook uit het genomen recht de Paus rechtstreeks te verzoeken in te grijpen bij de voorgenomen diefstal van goederen door edelen uit de omgeving. Aan haar verzoek werd snel voldaan. Floris V daar en tegen waardeerde haar zeer en schonk het klooster het bezit van de veenlanden “ de Geer”bij Aalsmeer.23 Er zijn geen beschrijvingen bekend of Floris V Rijnsburg bezocht heeft, hij was daar zeker zeer welkom. 24 Zijn moeder Elizabeth van Brunswijk bezocht het klooster jaarlijks om het verlies van haar man Willem II te bewenen. In 1266 werd zij bijgezet in de abdijkerk te Middelburg en in 1282 werd zij naast haar man daar begraven.   Jutte van Deventer was de nicht van Floris V en graaf Jan I en wordt vermeld in een akte van 1296. Floris kwam Jutte te hulp met de vrijwaring van hoge belasting toen hij opdracht gaf voor een verhoging van een nieuwe dijk tussen Leiden en Schiedam. Omdat Jutte in het ambacht van Bokelsdijk enige landerijen bezat zou zij hiervoor een grote som geld moeten betalen en werd door Floris gespaard. De verwende abdissen De nonnen in Rijnsburg waren allen dochters uit adellijke geslachten. Hun voorname adellijke verwanten konden hen te allen tijde bescherming in de abdij bieden en dit was voor het grafelijk hof een geruststellende gedachte. De abdij werd tevens een voorname begraafplaats van het Hollandse huis. De abdij werd tevens een voorname begraafplaats van het Hollandse huis. De hooggeëerde laatste rustplaats was in Rijnsburg voor de vorsten en de sanctimonials, de godgewijde maagden met bruidsschat. De abdij kreeg naast de toename van rijkdommen, de giften en landerijen een verheven positie in Holland en Zeeland. Met de bijbehorende gebieden gaf dit inkomen, veiligheid en prestige. Waarom kregen alleen adellijke dames de gelegenheid om in een bepaald klooster te komen? Sociaal gezien hadden deze dames maar twee keuzes, huwen of een leven als religieuze. Is de huwelijkskans in een bepaald gebied klein door de erfrechtelijke plichten, dan is een grote intrede van dames te verwachten. Deze gebieden tekenden zich in het land duidelijk af. Een voorbeeld als kloosterregio is bijvoorbeeld de voor adel bestemde conventen langs de Maas of Rijn.25   De levenswijze van de nonnen was in de voormiddag wereldlijk en in de namiddageestelijk. Toch woonden de nonnen pas vanaf 1539 niet meer in de cellen. Het eten was een bonte verzameling van lekkernijen. Was het in de zestiende eeuw nog wel een klooster of een rijk uitgerust rusthuis? Met zakgeld, geneugten en verwennerij. Wie zou dit durven beweren? Het enige bewijs is de beschrijving van de gracieuze ontvangsten van edelen in het klooster, met als reactie de ergernis die geuit werd door hoge vrome geestelijken, die zelf als observanten de naleving van strikte armoede wetten naleefden en die het pronken in wereldlijke gewaden en overdadige feestelijkheden afkeurden. Het opgeslagen zilverwerk, damast en bonte gewaden versiert met goud en edelstenen geërfd of aangekocht werden pronkerig getoond.26 Op te merken valt dat in de begintijd, de dertiende eeuw de nonnen slechts schoegeld en hoogtijgeld ontvingen.Hoewel het goed paste bij de gelofte van armoede ontvingen zij later meer voor hun uitgaven. Dit was uitzonderlijk in Rijnsburg want in een reguliere kloostergemeenschap mag men geen eigen inkomen hebben. De abdij lijkt hierin meer op een Stift, een vraag is ook of uittreden uit de gemeenschap toegestaan was. Vermoedelijk is dit nooit gebeurd.   De drie eeuwen van Rijnsburg vanaf 1000  Een vraag houdt ons bezig waar zijn de abdissen begraven? De meest waarschijnlijke plaats is het kerkhof. De kerk was slechts voor hoge adel,zoals Ada dochter van Willem I en de financiers van het klooster. Het begraven op het terrein van de abdij vindt plaats van midden 8e eeuw tot midden 11e eeuw buiten in een capella memoria van Rijnsburg die later gewijzigd wordt in de St. Laurentius kerk.27 In de periode voor 1200 zijn de bronnen over Rijnsburg beperkt en of er in de 11e eeuw een burcht heeft bestaan is niet door opgravingen bewezen, wel de ringburgwal in de dorpskern. Historische gegevens vermelden dat het gebied al eeuwen aan de graven van Holland toebehoorde met nederzettingen en een burcht in de elfde eeuw, die in conflict met de keizer verwoest werd. 28 De graven hadden hier een bijzondere heerlijkheid. Eerst in Egmond en later in Rijnsburg werd een grafelijke abdij gesticht. De abdij van Egmond werd ter gelegenheid van het huwelijk van graaf Floris II en Gertuid aan haar dienaar Bermer omstreeks 1100 geschonken. 29 Het Benedictijner St. Adelbertklooster stamt uit de 10e eeuw. Rijnsburg zal ook een abdij krijgen. Naast de abdij komen kerk, refter en een klooster. De kerk van Egmond was in 922 door de eerste West–Friese graaf Dirk I als geschenk van de West– Frankische koning Karel III ontvangen. In 975 is vermoedelijk de abdijkerk gewijd.30 Latere wijdingen komen na 1136 te Egmond, Rijnsburg in 1133 en Leiden in 1121. Het klooster van Rijnsburg werd op gezag van Petronilla, in 1122 weduwe van graaf Floris II, de Vette, in 1133 naast de Laurentius kapel gebouwd. Deze kapel was door de graven aan het kerkenbezit van Echternach onttrokken. Naast het opgerichte klooster staat dan een kapel en de abdijkerk. Haar zoon was Dirk VI een machtig man en zij wilde zich graag laten gelden. Petronilla bewoonde regelmatig een al lang bestaand jachtslot dat in de buurt van de kapel was gelegen. Religieuzen bestemd voor het klooster waren nonnen afkomstig uit het klooster Stötterlingenburg in Saksen. Omdat zij halfzuster van de Duitse keizer Lotharus van Saksen was gold haar woord als wet.31

De abdissen


De keizer beval de nonnen het Saksisch klooster te verlaten en zich onder Rijnsburgsgezag te stellen. Het werd een toewijzing van de beste benedictijnse godsdienstigen die lezen en zingen konden. Zo werd aan de roeping voldaan het dagelijks koorgebed voor het hoogste doel, het zielenheil te bestemmen. Voor het levensonderhoud van de nonnen stond de grafelijke familie garantZo kwam de Rijnsburgse regio steeds meer in grafelijk beheer. Bovendien kon de graaf met de opname van dochters van edelen in het klooster opstandige edelen aan zijn zijde binden. Doordat Dirk VI Rijnsburg in 1140 opdroeg aan de Pauselijke stoel was de bescherming van het centrum verzekerd. GravinPetronilla wist voor de komst van Sophia als abdis de kloosterbouw te voltooien. In het begin van de 12e eeuw ontstond een belangrijke verandering in de politieke verhoudingen. De graven in West-Friesland noemde zich voortaan, ‘graven van Holland 32 en beschouwden Gerulf hun stamvader. Het was voor hun aannemelijk is dat zij van de Friese koning Radbod afstamden, dit gaf hun het recht op de West-Friese gebieden. Met alle middelen werd getracht hun aanzien en rechtsgebied te vergroten.

Het vestigen van kloosters en abdijen waren onderdeel van deze strategie.De Friezen reageerden echter ongehoorzaam het een guerrilla-oorlog. bazige Petronilla,zorgde met haar eigenzinnig optreden voor voortdurende spanning in de abdij van Egmond.

In Egmond stelt zij in 1124 na de dood van de abt haar eigen kapelaan aan enverordonneert kort daarna vernieuwing van de abdijkerk. Deze keuze werd een financiëleramp en een faillissement kon met hulp van de bisschop van Utrecht, Andries Kuik ende nieuwe abt voorkomen worden.33 Tevens had zij zich in Egmond onmogelijk gemaakt door ten koste van de benodigdheden van de monniken gelden in te nemen en te besteden voor de strijd tussen Lotharus van Saxen en keizer Hendrik IV. Andreas bisschop van Utrecht stelt dan orde op zaken. Petronella vertrekt en tracht haar dwaling te verhullen door inRijnsburg een klooster te laten bouwen.34 Net als haar voorgangers was Petronilla vele jaren regentes voor haar zoon. Als moeder bezat zij macht. Tot de twaalfde eeuw was de invloed van de grafelijke echtgenote groot en kinderen werden opgevoed in de Saksische traditie.35 Haar vader Dirk van Saksen had haar de naam Geertruid gegeven die zij na haar huwelijk in Petronilla veranderde. Lang was zij als weduwe regentes voor haar zoon Dirk VI van 1121 -1132.

Dirk regeerde van 1032-1157 in een roerig leven met vele gevechten rond Utrecht en West-Friesland en als kruisvaarder. Een andere zoon was Floris de Zwarte een ridder met wie zij een speciale band had en haar steunden in een opstand tegen zijn broer en Simon, die lid was van het Utrechtse Domkapittel. Haar naamsverandering wordt wel in verband gebracht met de legende van de dochter van Petrus met de naam Petronilla. De timpaan in Egmond toont Dirk VI en Petronilla aan weerszijden Van Petrus en dit is mogelijk een aanwijzing voor haar naamsverandering. Los van alle bisschoppelijke invloedssfeer tracht zij alles in het nieuw gestichte klooster in Rijnsburg naar haar hand te zetten. Zij bepaalt dat de adellijk abdis vrouwe van Rijnsburg wordt en als gravin Petronilla schenkt zij het dorp en de omgeving met alle grafelijke rechten aan de kerk van het klooster.36 Zo werden de pachters onderhorig aan de abdij en konden de armen rekenen op zorg en voeding. Naast de bezittingen in Rijnsburg schenkt zij ook bezit en goederen in Delft, Leiden, Noordwijk en Aalsmeer. Floris de Zwarte raakt betrokken in een familietwist en wordt tijdens een jachtpartij gedood. Op 7 november 1133, wordt het lijk van Floris de Zwarte als eerste in de kloosterkerk bijgezet. Petronilla besluit dat er geen leden van het grafelijk huis meer in Egmond maar in Rijnsburg worden begraven. Alleen de Hollandse graven Dirk II, Aarnout, Dirk III, Dirk V, Floris I en Floris II zijn in Egmond begraven. Petronilla wordt in 1244 in de abdijkerk van Rijnsburg bijgezet. Door het verkregen bezit en grafelijke schenkingen van grond in Aalsmeer en Delft neemt de rijkdom van de abdij zienderogen toe. Alles bepalend voor de status wordt de verbintenis van de abdijen Egmond en Rijnsburg aan de Paus die als leenheer bescherming biedt en een geringe vergoeding ontvangt.37 Eigen inkomsten kon de abdij verkrijgen uit de verpachting van grote landerijen in Holland en Zeeland en de verkoop van zuivel en levensmiddelen uit de kloosterschuur38 De mannen in het kloosters waren priesters, kapelanen in Rijnsburg, biechtvaders voor cultus en geestelijke verzorging van de religieuzen. De pastoor droeg de geestelijke zorg voor de parochie en hij beheerde de parochiekerk. Beschrijvingen in de literatuur over kinderen in het klooster; als oblaten, of behorendetot de conversen worden niet aangegeven. Begin 12e eeuw werden er minder kinderen aan het klooster opgedragen. Een voorbeeld dat niet alle abdissen maagd waren was getuigen Sophia van Holland en Clarissa van Noordwijk (periode 1257-1274) die moeder van Arend van Sassenheim was en nog drie kinderen had Zij trad in het klooster na het overlijden van haar echtgenoot ridder Walewijn van Alkemade een vertrouweling in het graafschap van Holland. Voor zover de literatuur dit aangeeft lijken zij de enige weduwente zijn.

 Een overzicht van de bewoners en de gebouwen.

Als personeelstermen gebruikte men: abdis, de naam van de hoogste gezagsdrager. Conventualen zijn adellijke koorzusters, conversen zijn werkbroeders en zusters (lagere stand) Oblaten zijn als kind opgedragen aan het klooster, conversen zijn op later leven tot het kloosterleven bekeerd. Conversen droegen een speciaal ordekleed. Conversen hadden tot midden 15e eeuw een religieuze relatie met het klooster daarna kwamen er dienstboden. Kapelaans deden het geestelijke ondersteunende werk. De inwoners van het klooster werden met een groepsnaam aangeduid. De conventualen waren van adel, conversen waren niet adellijke werkbroeders/zusters. Verder waren er nog functionarissen zoals koks, bakkers, de brouwer, tuinlieden, rentmeesters ambtenaren en leenmannen zoals boeren en molenaars, tuinlieden, knechten, schoolmeeester(s), de pastoor en kapelaans, rentmeesters, schouten enz.

Proveniers hadden hun bezit overgedragen aan het klooster en ontvingen kost en huisvesting en recht op begrafenis in de abdijkerk. Boerenknechten en dienstboden werkten voor een halfjaarlijks loon en kregen loon en kleding, voor werk in broederhuis schuren stallen en de boomgaard. Over een grafelijk jachthuiszijn geen beschrijvingen. 39 Schotel beschrijft de inrichting van het kapittelhuis, de kamer van de abdis met op de eerste verdieping de kapittelkamer, de eetzaal en cellen. Verder beneden bibliotheek, scepkamer, schoekamer en hospitaal. Dan keuken, bakkerij, waskamers en gevangenis. Voor de dorpelingen was er een parochiekerk binnen de omheining van de abdij, voor de nonnen een abdijkerk en een klooster. Of er een parochiekerk los van de abdijkerk of een abdijkerk voor de parochie heeft bestaan is veel nagedacht, de bewijsvoering is niet sluitend. Dit zet zich voort in de discussie. Historici en architecten worden het niet eens over de tegenwoordige toren, die volgens mej. Hüffer tot de Parochie kerk en bij de Abdijkerk past. De tufstenen toren is van typisch Romaanse stijl van 1800.40 Architect Jesse meent dat de bewijzen van een groot aansluitend gebouw voldoende zijn om een Abdijkerktoren aan te nemen. Ter Kuile lost dit probleem op door de parochiekerk en de abdijkerk als eenzelfde kerk te zien. 41 Dit vergemakkelijkt de beeldvorming van de resterende tufstenen toren van een vroegere Romaanse kerk en een viermaal verbouwde hernieuwde kerk.42 De vroegere kerk had met twee torens een basiliek vorm en vormt het uitgangspunt in de historie.

Kapel en abdijkerk.                                                                                                             De bestaande parochiekerk/Laurentius kapel werd in 1157 vernieuwd in opdracht van gravin Sophia echtgenote van Dirk VI, die in Egmond ook een kloosterkerk had laten bouwen.Aangenomen wordt dat dit een duidelijke abdijkerk is. 43 Sophia was de vroomste vrouw in de familie en werd geëerd in Egmond. Petronilla was zoals eerder beschreven zeer onpopulair. Haar man, Floris II, de Vette, wordt in contemporaine bronnen als zeer deugdelijk en welvarend beschreven. De zoon Dirk VI werd wegens de kerkenkwestie Echternach met de aanspraak op de kerken en de verdeling van de bezittingen nog kort voor zijn dood door de paus in de bangedaan.

Dirk eigent zich de Laurentiuskerk zich toe. Ook is de relatie met de bisschop van Utrecht een spanningsveld. De twee botsen nogal eens in nachtkwesties en de meeste graven worden geen vrienden met de bisschop.Ondanks de fraaie oprichting van het kerkelijk centrum ontstaan destructieve krachten. Bestaande houten gebouwen vallen snel ten prooi van brand. In 1183 wordt na de wijding een nieuwe abdijkerk, dertien jaar na de nieuwbouw door brand verwoest. De kerk gaat daarna een derde bouwfase in. Van oorsprong lag de eerste kerk in een ringburgwal. Herbouw van het klooster in tufsteen en oude Romeinse fundamenten is hierdoor goed mogelijk geweest. Met de brand was er ook aanzienlijke schade aan de abdij ontstaan. Het duurde zeker jaren voordat de verwoeste gebouwen hersteld waren. Een houten kerk bleef een groot risico voor brand. De rampen waren grote tegenslagen maar het verstoorde de ontwikkeling van de Abdij en het klooster niet. Verrijking van het klooster ontstaat vanaf de dertiende eeuw. Ada van Holland maakt in 1213 honderd gemeten land in het ambacht van Oostkapelle, behorende tot de abdij van Rijnsburg vrij van alle lasten, beden en schattingen. 44Ferdinand van Vlaanderen volgt hierin. Aleid van Gelder schenkt een gouden kruis. Graaf Willem I wordt met Aleid bijgezet in Rijnsburg in 1222 en schenkingen volgen. Maria van Brabant wijst het klooster een belangrijke gift van 50 ponden toe in 1223. Floris IV (zoon van Willem I) schenkt uitgebreide landerijen aan het klooster. Zelfs Gijsbrecht van Amstel is bereid in 1230 de verpande goederen van Boskoop aan het klooster te verkopen. De afkoopsom, honderd ponden werd door Graaf Willem I verstrekt en de inkomsten kwamen verdere ontwikkelingen ten goede in 1230. Een verlies voor het gravenhuis treedt op als Floris IV, door een steek van een lans in een tournooi omkomt. Hij zal in de abdij in 1234 bijgezet worden.

Wie is waar begraven? Een samenvatting van bronnen

De 14C dateringen geven aan dat de aanvankelijk historisch geduide leden van het Hollandse gravenhuis skeletten meer dan 200 jaar ouder zijn. Maat en de Waard, plaatsen de skeletten van Rijnsburg in de vroege middeleeuwen. Dit is een conclusie die geen rekening houdt met de invloed van het dieet in middeleeuwen. Paleodietstudies geven een aanvulling en correctie op de eerder gemeten 14C waarden die menselijk bot ten oud aangeven. Lanting ea. vinden de opgegraven botten uit de middeleeuwen niet geschikt voor betrouwbaar 14C metingen en verschillen van mening over de bevindingen van Cordfunke en Maat. 54 14C bepalingen in de prehistorie en Romeinse tijd zijn beter bruikbaar evenals in vroeg middeleeuws materiaal.

De opgravingen

De vroegste opgravingen in het abdijcomplex van Rijnsburg zijn in 1612/1613, 1944, 1949, 1951, 1960/61 en 1963/64 geweest. De onderzoekers Glasbergen en van Regteren Altena beschrijven als eerste hun archeologische opgravingen op het abdij terrein. Samengevat vinden zij: 1. Resten van breuksteenfundering 2. De klaverblad tufstenen koorpartij 3. Aansluitingen van het driebeukig schip en het tufstenen westerblok van de toren. 4. De vleugels van het hoofdgebouw 5. Verbouwingen kapel, oostelijke dwarsmuur, waterput en toren.

De skeletopgravingen in Rijnsburg

In 1949 en 1951 worden opgravingen van stoffelijke resten door Glasbergen en c.s. gedaan. Deze worden genummerd tot 198 en daarna door de onderzoekers tot skeletten samengesteld. In volgorde 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103,104, 105, 106,194. De andere nummers zij losse fragmenten. In 1962 worden de stoffelijke resten in 16 kisten vanuit het Biologsich –Archeologisch Instituut te Groningen naar het Instituut voor Pre en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam vervoerd waarna C14 en tandheelkundig onderzoek volgt. Bloedgroepenonderzoek plaats vindt dit na identificatie o.l.v. Dr. B.K.S. Dijkstra, kno arts. Helaas waren vele skeletten beschadigd of niet volledig beschikbaar voor onderzoek. Het verslag van het voltooide onderzoek in juni 1971 wordt overgedragen aan het bestuur van de Stichting Gedenkteken Graven van het Hollandse Huis. De bijzetting van de skeletten is in Rijnsburg in 1975. In datzelfde jaar volgt de inwijding van de graftombe in tegenwoordigheid van H.M. Koningin Juliana. De uitgave van het onderzoek in boekvorm komt in 1979 uit. Rijnsburg is vereerd met het daar rustende gravenhuis.

Het eerste archeologisch onderzoek geeft een identificatie van 16 skeletten in 1979

De namen worden genummerd en hieronder weergegeven, vanaf nummer 92. Floris V (92), Petronilla van Saksen, (94). Willem (95) broer van Floris IV (97) en Baldwinus (96),broer van Willem I (194) en Dirk VII, (niet geïdentificeerd). Aleidis (105), verloofde van Henric van Gelre (100 De namen worden genummerd en hieronder weergegeven, vanaf nummer 92. Floris V (92), Petronilla van Saksen, (94). Willem (95) broer van Floris IV (97) en Baldwinus (96), broer van Willem) en dochter van graaf Dirk VII. Aleid van Gelre (105), zuster van Henric en echtgenote van Willem I (194). Een onbekend vrouwenskelet (106), Floris (93) broer van Willem I ? of is hij Dirk VII?, Ada abdis van Rijnsburg (98), Floris de Zwarte (103) broer van Dirk VI, Symon (102), Godfried met de Bult, broer van Floris de Zwarte (103) en Dirk VI. Robert Floris broeder (104) de broer van Floris III, Floris IV (97) en Jan I (99).55

Het tweede archeologisch onderzoek in 1995 identificeert in de 16 nummers.

De reden een heronderzoek te doen van de skeletten in de graftombe is de gerezen twijfel over de juiste identificatie van de skeletten. In 1996 werd de moord op Floris V na 700 jaar herdacht en dit vormde de aanleiding tot hernieuwd modern onderzoek. Na lichting van de gedenksteen worden 16 kisten onderzocht. Hierin bevinden zich twaalf mannen, drie vrouwen en een kind Alle leeftijdsgroepen zijn hierdoor voor onderzoek aanwezig. Tevens waren geen tekenen van gewelddadige moorden. Datering van de skeletten gebeurt met de AMS- faciliteit van de Universiteit van Utrecht, met onderzoek van de grafiet preparaten van chemisch behandeld afgescheiden collageen uit de botten. De conclusie is dat het onderzoek, met correcties op de metingen aangevuld met gasmassa spectrometrie aantoont dat de skeletten 200-600 jaar ouder zijn dan de leden van de gravenfamilie. De conclusies van Dijkstra uit het eerste onderzoek worden verworpen. De invloed visrijk voedsel kan het dateringsverschil niet verklaren. De beheerders van het gravenhuis in Rijnsburg zijn onthutst over de afwijzing van de eerdere conclusies uit het onderzoek van dr. Dijkstra. Cordfunke en Maat volharden hun standpunt, dit neemt de twijfels in Rijnsburg niet weg.DeMuseumopgave/genootschap Oud Rijnsburg: Ada van Holland, abdis, Dirk VI, Willem I,56 Floris IV, Floris V. Met een gedenkteken voor Cuniza van Bichle, Petronilla, Floris de Zwarte, Sophia, Agnes dochter van Floris III, Aleid van Gelder echtgenote Willem I en Willem I. Aangenomen wordt dat allen in Rijnsburg begraven zijn. In Rijnsburgse Oudheden staan vermeld; Willem I, Adelheid, Floris IV, Floris V, Beatrijs, Jan I.57

Ook elders in Nederland zijn grafelijke bijzettingen.

Grafelijke bijzettingen in Egmond naar E.H.P. Cordfunke, 58 (vetgedrukt)

Dirk I, 939 met echtgenote Geva, hun zoon, Dirk II,988, met echtgenote Hildegard van Vlaanderen, kinderen;Arnulf, 993, Liutgarde van Luxemburg, Erlinde, Dirk III en broer Sicco, 1039. Dirk IV, 1049, en broer Floris I. Dirk V, zoon van Floris I 1091, met echtgenote Othilde van Saksen, en Floris. Floris II, de Vette 1121, zoon van Dirk V. Dirk VI, 1157, zoon van Floris II (Dirk VI zijn zoon Floris III is begraven te Antiochië); Dirk VII getrouwd met Aleid van Kleef, die begraven werd in Rijnsburg.Datering van deze skeletten met de 14 C methode onderzocht komen overeen met de historische gegevens.

Grafelijke bijzettingen in de Hofkapel te ’s- Gravenhage, die niet behoren tot het Hollandse Huis.

Willem IV van Henegouwen(niet zeker), Margaretha van Brieg (echtgenote van Albrecht van Beieren), Albrecht van Beieren, Willem VI van Beieren, Jacoba van Beieren. 43 anderen vermeld in grafzerken in voormalige Hofkapel te ’s Gravenhage.

Grafelijke bijzettingen in Middelburg; Floris Domproost van Utrecht, Ada van Schotland, Willem II, Elizabeth van Brunswijk en Floris de Voogd.

Loosduinen, De kinderen van Floris Ven Beatrix van Vlaanderen zijn hier begraven; Willem, Otto, Dirk, Floris, Machteld, Beatrix, Elizabeth. Margaretha en Jan I zijn begraven te Rijnsburg.

Overzicht methoden van onderzoek.

De opeenvolgende onderzoekingen gaven verwarrende uitkomsten, het onderzoek in 1995 heeft getracht de meest moderne onderzoeksmethode toe te passen. De eerste onderzoeker van de stoffelijk resten opgegraven te Rijnsburg tussen 1949 en 1951 is dr. B.K.S. Dijkstra, kno arts, die na rangschikking de C14 methode combineerde met de historische gegevens. Zijn conclusies in 1979 zijn in een volgend onderzoek door Maat en Cordfunke geëvalueerd en gecorrigeerd in 1995. Zij menen dat de aangegeven personen niet juist benoemd zijn. Allereerst achten zij de C14 methode onbetrouwbaar. Verder is nog opmerkelijker dat het onderzoek van diverse skeletmaterialen afwijkingen tonen die nooit beschreven zijn. Zo heeft het vermeende skelet van Floris V tekenen van groeivertraging. De gevonden locatie van de skeletten past archeologisch gezien bij een negende eeuws grafveld, waarmee de ouderdom minimaal tweehonderd jaar teruggezet wordt. In de hernieuwde opgraving was men niet in staat de materialen met een DNA bepaling nader te onderzoeken. Een doeltreffende methode voor leeftijd skeletonderzoek gebeurt vanaf 2007 in Leiden met een Y chromosomale Tandem Repeat, (Y STR typering). Fysisch –antropologisch onderzoek van Dirk IV of V, gaf geen verband aan. Verwantschap tussen Floris I, Willem II, Floris V en Willem van Brederode werd uitgesloten, omdat de Y STR profielen niet overeenkomen. 59 Het DNA onderzoek geeft hiermee geen aanwijzing voor de vermoede identiteit van de onderzochte personen. Verondersteld wordt dat er sprake is van vals vaderschap met contaminatie van de monsters die niet tot de familie horen. Tot een derde opgraving komt het niet. De onderzoekers combineren de preparaten met opgravingen in de abdij, de graftombe van de koorkerk te Middelburg, de speurtocht naar de identiteit van koning Willem II. In de conclusies wordt geen familieverband in de serie van genoemde personen aangetoond. De onderzoekers achten alleen het skelet van Willem II passend bij de Rooms-koning in samenhang met de historische feiten. Over het combineren van conclusies uit verschillende vakdisciplines, geschiedwetenschap, archeologie en fysisch antropologische onderzoek, is duidelijke kritiek geuit en dit betekent voor een aantal wetenschappers er geen zekerheid bestaat over de conclusies.60 Zo blijkt dat de zekerheid die alleen op fysisch antropologisch onderzoek was gebaseerd in de negentiger jaren weergegeven in de literatuur van Dijkstra en Cordfunke e.a. met minimale historische gegevens aan uitgebreider moderner onderzoek onderworpen moest worden. Het blijft ronddraaien. Wordt de conclusie van 1996 weer over twintig jaar getoetst? Wat is zeker? Het sporenonderzoek blijft intrigeren hoe het nu echt Floris V is vergaan.

Eindlijst Rijnsburgse abdissen

17.Margarete van Langerak 18. Clarissa van Schengen 19. Agnes van Horne 20. Sofia van Drongelen 21. Katrina van Romerswaal 22. Margarete van Buren 23. Klementia van der Horst 24. Baarte van Langerak 25. Margarita van den Oostende 26. Margaretha van Bruëlis 27. Elizabeth van Matenesse 28. Beatrijs van Rommerswaal 29. Adriana van Botland 30. Maria Schenk van Toutenburg 31. Elburg van den Boetzelaar 32. Stefana van Rossum

Literatuur

Bolten J. ea. De Ruïne van Rijnsburg in Prent en Tekening 1600-1812, catalogus tentoonstelling in de Lakenhal,

(Leiden 1994).

Boxhoorn, M.Z., Theatrum sive Hollandie Comitatus et Urbicum nova descriptio. (Amsterdam 1632).

Cordfunke, E.H.P., De Abdij van Egmond, archeologie en duizend jaar geschiedenis, (Zutphen 2010).

Cordfunke. E.H.P., Gravinnen van Holland ( Zutphen 1987).

Cordfunke, E.H.P., Willem II, graaf van Holland en Roomskoning, (Zutphen 2013).

Dijkstra, B.K.S. Graven en gravinnen van het Hollandse huis, ( Zutphen 1979).

Dijkstra, B.K.S., Een stamboom in been, vier eeuwen graven en gravinnen van het Hollandse Huis,

(Amsterdam 1991).

Dijkstra, M.F.P. Rondom mondingen van Rijn& Maas, landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in

Zuid-Holland,

in het bijzonder de Oude Rijnstreek Leiden (Amsterdam 2011).

Duby, G. en Aries, Ph., Geschiedenis van het persoonlijk leven deel II (Amsterdam 1988).

Gerrits, G.E., Ons Vaderland, Historisch –Romantische schetsen uit de Vaderlandse Geschiedenis 1e deel,

(Amsterdam 1861).

Glasbergen, J.B. en Leenheer, S.C.H., Duizend jaar Rijnsburg (Leiden 1974).

Glasbergen, W. en Van Rechteren Altena, H.H., de Abdij van Rijnsburg, (Leiden 1965).

Gouthoeven van, W., D’oude Chronijcke ende Historiën van Holland ( met West-Friesland) van

Zeeland ende van Utrecht, ( Dordrecht 1936).

Graaf, de R., Oorlog om Holland 1000-1375, ( Hilversum 2004).

Hofdijk, W.J., Ons voorgeslacht 4e deel (Haarlem 1862).

Hüffer, M., De adellijke vrouwenabdij van Rijnsburg 1133-1574, (Nijmegen en Utrecht 1923).

Jesse H.J., de toren van de Abdijkerk te Rijnsburg, artikel ( Leiden 1933).

Koch, E.M.F. De Kloosterpoort als sluitpost? Academisch proefschrift 1994, VU Amsterdam.

Kruisheer J.G., De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299

(’s 's-Gravenhage Haarlem 1971).

Kuile, ter, E.H., Leiden en Westelijk Rijnland, dbnl. (Leiden 1944).

Nieuwenhuizen, K., de Ridder, T., Ad Flaridingun, Vlaardingen in de elfde eeuw, (Hilversum 2012).

Pars, A., Rijnsburgse Oudheden in Catti aborigines Batavorum (Leiden 1697).

Römer, R.C.H., Gechiedkundig overzigt van de kloosters en de abdijen in de voormalige

graafschappen van Holland en Zeeland, (Leiden 1854).

Schotel, G.D.I., de Abdij van Rijnsburg, (’s 's-Hertogenbosch 1851).

Publicaties

Bartelink, J.T.N., ‘Vroom of wereldwijs, eigen kloosters van de graven van Holland’,

Groniek aflevering 93 (1985) 45-59.

Boer, D.E.H. Op het raakvlak van historische disciplines, Low countries historical review,

Volume 130- 4, 2105.

Cordfunke E. H.P. en G. J.R. Maat, Willem II of Floris de Voogd? BMGN Low Countries Review

Volume 130-4 (2015) pp. 99-108.

Feikema, H. Rijnsburger skeletten- een oplossing van het dateringsprobleem, SEMafoor

jaargang 13, nr.1 februari 2012.

Inventaris van het archief der adellijke Vrouwenabdij Rijnsburg van de Orde van Benedictus,

1179-1574, nummer 3.18.20 Nationaal archief den Haag.

J.N. Lanting, J. Van der Plicht, Wat hebben Floris V, skelet Swifterbant S2 en visotters gemeen?

ISSN 0552-9344, ISSN-e 0552-9344, Nº. 37-38, 1995-1996, págs. 491-519

Oosten, van, R. Floris V is niet Floris V, maar is Willem II wel Willem II? Virtus 21/2014.

Klacht over de gedraging van de decaan van de faculteit der geneeskunde van de Universiteit Leiden.

Rapport Nationale ombudsman 28 juli rapportnummer 1999/333, blz. 9.

1 Boekbeschouwing 1844, Ned. Archief voor kerkgeschiedenis Swalue Vaderlandsche letter-oefeningen - Pagina 309.

2 Feikema,17

3 Benedictijner kloosterregel sinds 520

4 Hüffer,M., 2.3, vrouwenkloosters; Egmond Bennebroek in de 10e eeuw in Thorn, later Weerselo, Oudwijk, en Rijnsburg.

5 Dijkstra, M.F.P., 129

6 St. Laurentius kent een naamdag 10 augustus. Op die dag overwon keizer Otto 1 de Hongaren. Laurentius is oa. De patroon van de stad Alkmaar, met de vernoemde grote kerk.

7 Duby, G., 41.het klooster van Cluny dient als magistraal voorbeeld.

8 Gerrits, G.E., 5

9 Koch, E.M.F. 20, in de Merovingische en de Karolingische periode neemt de relatieve vrijheid in kloosters af, met de Benedictijnse regel. Na de negende eeuw neemt de klerikale functie van de vrouw als diacones en abdis sterk af. Cluny wordt het grote voorbeeld van strenge regelgeving onafhankelijk van de wereldheersers. Grote voorbeelden waren Fabiola en Paula.

10 Henderikx, P.A. , 29

11 Römer, R.C.H., 104, bedelorden groeiden uit, het volk was de Benedictijnen niet genegen.

12 Kock, E.M.F. 24, 63, 64 de cisterciënzers stichten na 1228 geen vrouwenkloosters meer. Hoge adel als edelvrijen.

13 Bartelink, 52, irritatie tijdens langere verblijven.

14 Schotel, 221, 225, 234

15 Bartelink, 53, op reis nog aangevuld met dienstvrouwen, pastoor en rentmeester.

16 Schotel, 193

17 Hüffer, 66, geeft haar geen achternaam, Gouthoeven en Boxhorn wel. Na Aleid van Wassenaar wordt Aleid van Deventer als no.7 genoemd, in onderstaande lijst als no.9.

18 Pars, A., 354, naar Boxhorn

19 Pars, A., 352

20 Biografisch portaal: http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/AdavanHollandvanRijnsburg

21 Schotel, G. 181, 182. Vreemdelingen met een langdurig verblijf hadden door lichtzinnigheid een negatieve invloed en zedelijk verval was het gevolg.

22 Henderikx, 199 testament van 1271 van Holland

23 Hüffer, 67. Ridders Hendrik van der Lecke, Dirk en Simon van Teilingen, Dirk van Wassenaar en

Gerard van de Weteringhe.

24 Schotel, G. 89.90

25 Koch, E.M.F. Klooster regio’s zoals in Thorn, Elten, Susteren, Roermond, Tiel, Maastricht, orden de

Norbertijnen en Cisterziėnsers. Onderzoek gericht op Zuid-Nederland met overeenkomsten in Holland, zoals geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan de kloostertucht. De Benedictijnen verschillen juridisch met de andere genoemde orden.

26 Schotel 292, de cellen van de nonnen waren boudoirs van alle gerijflijkheden voorzien

in de 15e en 16e eeuw.

27 Dijkstra, M.F.P. 126. 129, gewijd in de 10e eeuw

28 Cordfunke en Hugenholtz, 67, 68

29 Cordfunke, en Hugenholtz, 37.

30 Cordfunke, E.H.P., de Abdij van Egmond, 65.

31 Hüffer, M. , volgens de historicus Schotel zijn het Cluniacenser-nonnen, dit wordt door meerdere bestreden.

32 Cordfunke, 21. Rijnsburg als kerngebied met rondom vele landerijen met uitbreiding door schenking.

33 Cordfunke, E.H.P. Gravinnen van Holland, 59, 60,61.

34 Schotel, G. 4, 5. Petronella zou zelf de corrupte eerder aangestelde abt zelf hebben afgezet.

35 Cordfunke, gravinnen van Holland, 124.

36 Cordfunke, E.H.P. Gravinnen van Holland, 61, 62, veronderstelt dat het klooster voor het zielenheil van haar zoon Floris is gebouwd. Floris was zeer geliefd door zijn moeder. Hij werd in 1131 vermoord en daarna bijgezet in Rijnsburg. Dit maakte de binding aan het grafelijk huis voortaan sterk.

37 Kruisheer, J.`234, Paus Innocentius maakt aan de abt van Egmond bekend dat hij de kloosters van Egmond en Rijnsburg in eigendom aanvaard (1140) en in bescherming neemt. Glasbergen, J. en Leenheer, S. 21

38 Glasbergen, 22 voor 1300 bezat de abdij 1700 ha, verpacht in leen en tien procent in eigen gebruik.

39 Schotel, 9 en 10.

40 Jesse H.J., 23, de toren is hoger dan gebruikelijk voor een parochiekerk.

41 Ter Kuile, E.H. 184, een afzonderlijke parochie- en abdijkerk achten wij onhoudbaar.

42 Branden en verwoestingen nopen tot bouwfasen van de kerk in 1047, 1157, 1195, na 1578.

43 Dijkstra, M.F.P., 131, 132.

44 Hüffer, M. 41

45 Römer, R.C.H. 122,

46 Schotel, 156. Gravin Aleid was de eerste die tolvrijheid instelde in 1260.

47 Schotel, 151 rentmeester van Teylingen in 1567.

48 Paus Innocentius probeerde met de exemptie bul het klooster aan bisschoppelijke inmenging te onttrekken.

49 Na Maria van Brabant en Keulen van Brunswijk weduwe van Willem I, Elizabeth van Brunswijk weduwe en Aleid van Henegouwen zuster van Willem II, Aleid de weduwe van Jan van Avesnes.

50 Gerardus de Weteringhe, doet schenkingen voor het ziekenhuis.

51Schotel 105-119

52Schotel 105-119

53 Schotel 332 -338, Van Alkemade, Cordfuncke KNOB bulletin 1998-1

54 Lanting, J.N., van der Plicht, J., 491.

55 Dijkstra, B.K.S., 1979.

56 De Boer & Cordfunke 72 ( Graven van Holland).

57 Pars, A. 357.

58 Cordfunke, de abdij van Egmond, 84.

59 Cordfunke, Willem II, hfdst. 8

60 De Boer, 66-77, interactie archeologie en geschiedenis. P. Henderikx, mediëvist en E. Dhanens argumenten tegen de veronderstellingen van Cordfunke en Maat. ( Willem II of Floris de Voogd?)

Situatieplan ruine en en abdij

Elburg van den Boetzelaar 1510-1568 abdis

Abdijkerk en klooster

Kaart abdij klooster en tuinen

Rijnsburg geschiedenis Nieuwsbrief 2018