Sectie Historisch Onderzoek "Hollant"


Ridders van Sint Jacob met Ridders in de Lage Landen

De Orde van St. Jacob met nadere uitwerking van de Ridders Ridderen en Ridderschap in de dertiende eeuw

A.H.Chr. de Bruijn , Amstelveen 2020


Inhoud

1.Inleiding overzicht kronieken en geschiedenis                                                                                       

1.1  Enkele schrijvers uit de periode veertiende tot de twintigste eeuw


1.2. De achtenveertig principaelste ridders


3.De twaalf eerste ridders in de Orde van St. Jacob


3.1 Ontbrekende akten en onbeantwoorde vragen


3.2 Kritiekenin de 19eeeuw op de aangegeven bronnen


4.Bronnenonderzoekvan de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland


5.De Ridderorde van St. Antonius


6. De literatuur in de negentiende eeuw


7. Belangrijkewerken over de ridderorde van St. Jacob 

 

8.Literatuur en bronnen overzicht

 

9. Lijst van illustraties


1290 Floris V Ridder Orde van St. Jacob


Zegel en tegenzegel Floris V


 

In de tekst zijn sommige ridders met verschillend geschreven namen weergegeven.

De afkorting OHZ verwijst naar het oorkondenboek van Holland en Zeeland, L. van den Bergh,1865.


Afbeelding Jean Francois Le Petit

1. Inleiding overzicht kronieken en geschiedenis.

Nadat in de Divisiekroniek vermeld werd dat Floris V ridderde, volgde in Reigersbergse kroniek over Zeeland uit 1551 een vermelding dat er een orde des graven bestond die later door schrijvers de St. Jacobsridderorde werd genoemd. In de loop der jaren zijn meerdere benamingen voor deze orde gehanteerd zoals de Orde van de schelp, Ridderorde van de St. Jacobsbroederschap, Ridderorde van St. Jacob en heden ten dage een bestaat voortzetting van de beginselen met de naam de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland.

De aanduidingen in de gevonden literatuur worden hieronder chronologisch vermeld met een korte beschrijving van de schrijver. Hoewel het ridderen van Floris V in de vroegste beschrijvingen van de kronieken vermeld wordt staat dit los van de oprichting van de ridderorde van St. Jacob, want de eerste leden waren al ridder. Dat Floris meerdere lieden ridderde staat wel vast hoewel men in de negentiende eeuw in de Navorscher daar nog stevig over debatteerde.[1]   

Om enig idee te krijgen welke ridders grote waardering hadden van de graaf volgen hieronder beschrijvingen van de vijf en veertig ridders uit de tijd van Floris V die samengesteld zijn door Aurelius, Petit, van Gouthoven en Boxhorn. Aansluitend hierop volgt enige toelichting van de eerste twaalf ridders en daarna het hoofdstuk over beschreven ridders uit het Naemboek ofte Register met goede en behoorlijcke onderscheidinge welcke tot sulckx Riddere orderen gebocht zyn. De Orde van St. Jacob benoemde ridders worden nader toegelicht. De bestaande literatuur is aangevuld met een korte beschrijving over de verwikkelingen in de negentiende eeuw. Ten slotte de belangrijke literatuurlijst die deel uit maakt van het ordearchief waarin zowel beschrijvingen als kritieken te vinden zijn over aanwezige bronnen.

De gevonden kronieken worden kort chronologisch vermeld en voor kritieken op deze werken wordt naar de bestaande literatuur verwezen. Hoewel het ridderen van Floris V in de vroegste beschrijvingen van de kronieken is vermeld volgden in de zeventiende eeuw pas vermeldingen over een orde des graven die later de St. Jacobsridderorde werd genoemd.[2] De literatuur is zoals bekend beperkt en kronieken vermelden alleen namen van ridders uit de Floris tijd. Uitwerking van de achtergronden van deze ridders kan mogelijk de vraag toelichten, waarom deze ridders niet in de Orde van St. Jacob opgenomen zijn? De vermelding van de Orde met de twaalf eerste ridders is in heel veel geschriften terug te vinden en in het Ordearchief zijn een aantal namen van ridders uit latere tijden opgeslagen.

Deze studie betreft het uitwerken van deze drie groepen en het zoeken naar overeenkomsten. Eerst volgt een kort overzicht van kroniekschrijvers die ridderen en de Orde van St. Jacob vermelden. Vervolgens een hoofdstuk met de vijfenveertig ridders uit de Floris tijd die door Aurelius, Petit en van Gouthoven vermeld zijn. Zij zijn niet als ridders van St. Jacob vermeld. Nagegaan wordt in welke tijd zij geleefd hebben en wat hun relatie tot Floris V was. Gekozen is om die historieschrijvers weer te geven die bijdrage geleverd hebben als bron voor St. Jacobsridderorde. Daarnaast worden ook kroniekschrijvers weergegeven die niet als bron kunnen dienen. Gezocht wordt een antwoord te vinden op bewust ontstaan verschil hierin? Helaas kunnen vele vragen die hierover nog steeds bestaan  niet altijd beantwoordt worden. 

1.1  Enkele schrijvers uit de periode veertiende tot de twintigste eeuw.

In 1305 komt de Rijmkroniek van Melis Stoke uit. Hij is tijdgenoot van de graaf van Holland. Zijn werk bevat weinig namen en enige vermelding over de Orde van St. Jacob ontbreekt. Dat Melis Stoke geen politieke activiteiten meldt is in zijn werk opvallend, de adel kreeg van hem een ondergeschikte rol. De aangegane banden met Vlaanderen zijn voor hem duidelijke tekenen van verraad, hij minacht de adel hierom en vereeuwigt hun gloriedaden niet.

De schrijver genoemd als de Clerk Uyt de Lage Landen by der See houdt een onbekend gebleven eigen naam. Hij vermeldt dat Floris V op eerste kerstdag in de Haag open hof hield en 40 rijkste huisluyden ridderde.[3] Slechts een naam wordt bekend uit een anekdote waarin Anssum van Vueer zijn zeug vermaant meer respect voor hem te tonen nu hij ridder is. Dit handschrift is tussen 1350 en 1356 opgedragen aan graaf Willem V en wordt beschouwd als een compilatie van Rijmkroniek van Melis Stoke en de Latijnse kroniek van Beka. Met aantekeningen van Scriverius wordt het werk in 1740 in drukvorm uitgebracht. Drie eeuwen later blijft het nog steeds moeilijk te bepalen wanneer dit werk geschreven is. [4] Ook Philippus a Leydis verteld over die hoege Sael in den Hage die door Floris V gemaakt was.[5] In hoofdstuk zes zal ingegaan worden op de discussie Groote Zaal en Ridderzaal en de twijfels over St. Jacobsridders die niet in het beeld pasten.

Latere geschiedschrijvers hebben het ridderen van veertig huisluyden geïnterpreteerd als een ernstige schoffering tegen de adel. De vraag is of dit wel terecht is want de graaf bezat het recht uit de onderste laag onvrijen, of huislieden te verheffen. [6] Het is niet onbekend gebleven dat door de vele oorlogen het aantal edelen rond de graaf sterk afgenomen was en dat Floris naar men vermoed in 1290 voor zijn veiligheid een groep ridders nodig had. De al ontevreden adel was mogelijk ook over deze nieuwvorming van krijgslieden ontstemd en meende dat de graaf zijn rechten te buiten ging. Door het eigenmachtig ridderen ontstond zelfs een nu nog bekende benaming ”der Kaerlen God”, hij denkt dat hij god is. Deze naam wordt voor het eerst vermeld in de Divisiekroniek van 1517 samengesteld door Cornelius Gerardi Aurelius een Chronyk van Holland Zeeland ende Friesland. Wat het ridderen betreft neemt Janse aan dat de graaf vaker huislieden geridderd heeft, want ook in Vlaanderen en Frankrijk werd dit als een bestaand recht van de vorst gezien.[7]                                                                                                                                            

Becanus, Johannes Goropius (van Gorp) brengt in 1356 Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant. Opera Ioanni Goropii Becani, Hactenius in Lucem non edita, nempe hermathena, hieroglyphica, vertumnus, gallicia, Francia, Hispanica uit. Een kroniek die door de monnik te Egmond voltooid werd en Johannes Leydis heeft dit werk omstreeks 1470 verder uitgewerkt. In deze werken zijn geen vermeldingen van te bewerken riddernamen opgenomen. Wel staan in het hoofdstuk over Floris V negen namen van gesneuvelde ridders in de slag bij Alkmaar in 1272.[8]

Tot ver in de negentiende eeuw wordt als vaderlandse geschiedenisboek het in 1517 uitgebrachte werkvanCornelius Aureliusop scholen als leerboek gebruikt werd.De Cronycke van Hollandt en Zeelandt ende Vrieslandt beghinnende van Adams tiden tot die geboerte ons heren Jhs voertgaende tot den iare M. CCCC. Ende XVII. Met de afkorting de Divisie kroniek genoemd.Hierin zijn staat een lijst van 45 oudste vermaarste en belangrijkste ridders wier ouders altijd ridderen en als ridders genoemd worden, (die hoer ouders altijt ridderen ende ridders name gevoert hadden). Aannemende dat dit de beroepsgroep in rang beschermd, want het ridderen was in die tijd de graaf voorbehouden. Wat ontbreekt,  is de vermelding dat de graaf het recht had huislieden te ridderen.

 "... Ende om sijn ridderscap te vermeren, so ontboet hi op enen Heiligen Kersdach bi hem te hove in den Hage te comen xl die rijcxste ende eerbaerste huysluyden die hi in den lande van Hollant bevinden konde, die wel ghegoet waren ridders staet te houden. Mit desen xl goeden mannen hildt hi hogen hof, ende in 't eynde van der maeltijt so sloech hij se alle ridderen, ende gaf hem elcx hoir wapen, ende beval hem voirtan ridderscap te oefenen ende wel te doen; ende voeren elcxs hoers weges, daen si ghecomen waren. Aldus so eerde die edel grave sijn goede eerbare luyden, die eerbaer ende doechdelic waren van weldaden of van rijc-heden, ende en sach die coemste niet an, mer hij meerde sijn ridderscap ende zijn edelluyden, daer hi hemselven ende zijn lant mede eerde; wanttet ijmmer eerlick is, dat vele ridders in enen lande sijn. Hierom, ende omdat hi zijn goede ende eerbare huysluyden in groter waerden ende lieften hadde, so hadden 's die oude ridderscap sommige groten nijt, ende plagen desen graef te hieten 'der kaerlen god'."                                                                                                     

Opmerkelijk is dat de onvrede met de edelen benadrukt wordt omdat Floris bestaande tradities doorbrak zodat dit zelfs een motief werd om hem te straffen. De reactie op zijn eigenzinnig handelen, blijft een vermoeden, bewezen is dat zijn verraad aan de Engelse koning hem zeker niet werd vergeven.

Cornelius Aurelius was een Augustijner monnik een geschiedschrijver en dichter die ook Oude Goudse Chronyxken uit 1435 en religieuze poëzie uitbracht. Ook zijn bronnen worden niet weergegeven. De volgende kroniekschrijvers zijn wel als bron te gebruiken voor de Orde van St. Jacob. Te beginnen met het in 1551 uitgebrachte werk door, Reigersberg(h), Jan Janz.( 1510?- 1591?) In dezeDye Cronyke van Zeelandt noemt hij van Rennesse, Van Borselen en Dadijn van Cruijningen als ridders van de orde des graven. In 1634 volgt de ouden Chronycke ende historien van Zeelandt, als herdruk en herschreven samengesteld door wijlen heer Jan Reigersberg van Cortenge.(Van nieus overfien met enigeaanvoegsels /mitsgaders met de figuren van de graven van Zeelandt vermeerdert). Hier is niet veel over edelen of ridders te vinden. De beschrijvingen gaan voornamelijk het mooie Zeeland, de woelige tijd van dijkdoorbraken en overstromingen in zijn geboortegrond. Slechts enkele voorname edelen worden beschreven en hij is het die beschrijft dat Wolfert van Borselen, Jan van Renesse en Dadijn van Cruijningen tot de principaalste edelen uit die tijd behoorden. Zij waren het die de orde des graven droegen een gulden halsband met Sint Jakobsschelpen en daar onder St. Jacob hangende.[9]

Jan Reigersberg was apotheker en historieschrijver. Na het ontvluchten van de watersnood in Noord-Beveland werd hij tevens poorter in Veere. Hij droeg zijn geschiedkundig werk over Zeeland op aan Maximilliaan van Bourgondië, heer van Veere. Niet lang na de uitgave van zijn boek in 1551 is Reigersberg overleden. Zijn werk wordt alom gewaardeerd, maar ook bekritiseerd door het ontbreken van bronnen. Toch waren de vorsten in de zestiende eeuw met zijn geschiedkundig werk. Als erkenning werden zijn nakomelingen door het Beierse huis in de adelstand verheven. Meerdere drukken kwamen van 1634 en 1696, met aanvullingen van o.a. Boxhorn en Smallegange.

In 1601, brengt   Jean  François  le Petit (1545-1615) La Grande Chroniqve ancienne et moderne de Hollande, Zelande, VVeft - Frife, Vtrecht, Frife, Overyffel & Groeningen, juques à la fin de l’ An 1600  Tome premier uit. Als notaris is hij tevens een groot deskundige in de geschiedenis. Hij toont in zijn werk een lijst van vijfenveertig ridders behorende tot de oude adel die overgenomen is uit de Divisiekroniek en de Dye Croniek van Zeelandt van Jan Reigersberg met de vermelding van de Zeeuwse edelen als dragers van de orde des graven. In zijn tekst schrijft hij over le creation d’une nouvelle noblesse en Hollande, het ridderen van veertig rijke huislieden op eerste kerstdag in den Haag. Floris wordt voortaan door zijn oude adel Le Dieu des pelez genoemd, later gebruikt als ”der Kaerlen God “.

 Aubertus de Miraei (1573-1640) brengt in 1629 zijn eerste werk uit. In de uitgave Donationes Belgica en in latere uitgaven de Ordo Equitum S. Jacobi in Hollando anno 1290 Celebris.[10]                              Hij geeft een overzicht van de installatie in den Haag, noemt de namen van de twaalf ridders met de elect Jan van Nassau en beschrijft de halsketen en de wapenheraut Payart. Zijn vermelde bron is het register der ridderschap, in haga Comites & Latine per nos fideliter reddita. Ex quibus datur intelligi, qux Familix Nobilis aute anos CCC. & quod excurrit. in Hollandia floruerint. enz. Miraei was een veelzijdig geleerde en een zeer gelovig man. Als bibliothecaris en secretaris heeft hij vele historische, kerkelijke werken, gedenkschriften en boeken over ridderorden gemaakt. Hij wordt ook door critici als zeer eerzaam en betrouwbaar beschreven en men is uiterst voorzichtig om in zijn werk onjuistheden aan te geven. Butkens bracht zijn Annales de Généalogique de maison de Lynden uit in 1626 uit en het is niet onwaarschijnlijk dat zij dezelfde bron geraadpleegd hebben. Ook in de uitgave in Antwerpen van zijn hand in 1723 beschrijft Miraei de Orde van St. Jacob. Een reden om verzinsels te schrijven bestond er bij hem geheel niet, hij vertrouwde Butkens en omgekeerd vertrouwde Butkens hem.

Wouter van Gouthoeven leefde van ( 1577-1623) en brengt in Dordrecht in 1620 De oude Chronijcke ende historien van Holland met West-Friesland, van Zeeland ende van Utrecht, Beginnende in den Jare onzes Heeren 449 tot dit teghenwoordig Jaer uit. Ondanks veel overeenkomsten is een verschil aantoonbaar over het ridderen in de Floris V periode met het werk van Petit.In zijn uitgave noemt hij ook het ridderen van huys-luiden op de eerste kerstdag door Floris V gevolgd door de lijst van vijfenveertig vrome ridders van Aurelius die hij aangepast heeft met het vermelden van Dierck van Wassenaar en Gerrit van Harmelen. In dit werk is geen vermelding van de orde des graven, de reden om dit niet te vermelden is niet bekend. Anderen zoals de beroemde Scriverius neemt geen lijsten met ridders op hij en Buchelius gaven meer commentaren op bronnen en maakten bloemlezingen uit oudere geschiedwerken.[11]

In 1626 publiceert Christofoor Butkens o. cist.  Preuves Charter et Tittres; Annales Généalogique de la Maison de Lynden, Antwerpen, 1626, fol.6. Op een volledige bladzijde beschrijft hij de in 1290 opgerichte orde met de opname van twaalf ridders die een eed zweren op het heilige evangelie in handen van Johan bisschop van Utrecht. Zijn bron is een extrait (extract) uit het Tournooiboek der Graven van Hollandt, in een rood leren band gebonden fol. 220. Daarnaast een wapenschild van Thieri II DV Nom seigneur de Lynden, Lede, Oldenvveert, Ommeren, & Chevalier de l’Ordre du Conte d’Hollande. De afbeeldingen tonen een keten met H’s en zeven Jacobsschelpen rond een wapen van Dirk van Lynden met daarnaast het wapen van Herlaer behorende tot zijn vrouw Agnes van Herlaer. [12] 

Aanvullingen op dit werk komen in 1632 door M. Z. Boxhorn, (1612-1653) met zijn Toneel van Holland, vermeerdert door Geeraerd Baerdeloos en Jacob Keyns. Op de pagina’s 42-50 wordt de Orde van        St. Jacob uitgebreid beschreven. Allereerst vermeldt hij zijn bronnen Butkens en Aubertus Mireaus. Dan volgt een beschrijving van de twaalf ridders die in den Haag in de Orde opgenomen worden. Stellig beweert hij dat het ridderen in 1295 van het 40 huysluiden niet overeen komt met de gegevens van de S. Jacobs Orden. De in de Orde opgenomen edelen waren al ridder, Reigersbergh voegt de Zeeuwse edelen toe. Aansluitend vermeldt hij de belangrijkste ridders onder de graven Dirk VI, Floris IV, Willem II en Floris V, Jan I en Willem III. De dertig genoemde ridders in 1255 en later onder Floris V zijn de overgenomen namen van Wouter van Gouthoven, waar de o.a. de namen van Teylingen van Borsselen, van Renesse, Voorn, Woude, Heemskerk en Hennenberg ontbreken. Als bron voor de S. Jacobs Orden is de vermeld hij het boek der Schaekspelen (steekspelen) der Graven van Hollandt, geteckent met de letter N. hebbende also op het 220 blad. [13]                                                                                                     

Marcus Zuerius Boxhorn brengt in 1644de Cronijck van Zeelandt beschreven door d' heer Johan Rygersbergen uitgebreid en aangepast, uit. In het hoofdstuk over de graven van Zeeland beschrijft hij van Borsselen, van Renesse en Dadijn van Cruijnen als principaalsten met de gulden halsband en de Jacobsschelpen. Petrus Scriverius (1576-1660) is een grote literaire tegenspeler van Boxhorn. Zonder enige verwijzing naar de Orde van St. Jacob komt hij in 1663 met Het Oude Goudsche Kronycxken of Historiën van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt en Uytreght, uitgegeven bij Hendriksz Boom Amsterdam. Hij vermeldt alleen op de bladzijden 96-98, het ridderen van Floris V en op bladzijde 89 het ridderen van de Witte van Haamstede. Beke en Melis Stoke worden als bronnen genoemd. Lange tijd bekritiseerde hij Boxhorn en Butkens tijd, maar wordt toch later milder in zijn oordeel. Na deze uitgave volgen nog twee belangrijke werken van Petrus Scriverius in 1677 Hollandfche, Zeelandfche ende Vriefche Chronyck ofte een gedenckwaerdige befchryvingh van den Oorsfprong, Opkomst en Voortgang der felver Landen soo onder de Regeringe en Succeffie der Graven wegens hare  geflachte en verrichtinge, van Diederick I. tot Philips den III Uyt alle de befte Autheuren by een gefteldt.[14] Hierin is het ridderen van de veertig rijkste huislieden opgenomen. Een andere genoemde door hem vermelde bron is Wilhelmus Procurator met een dodenlijst van ridders die vielen in de slag bij Alkmaar/Vronen (nu Nieuwburg) in 1272. Dit wordt in hoofdstuk twee nader uitgewerkt. In 1678 publiceert Scriverius de Beschryvinge van alle graven van Holland, Zeeland ende Vriesland met fraaie afbeeldingen.[15] Scriverius geeft ook in dit werk een opsomming van gesneuvelde ridders in 1272 in de slag bij Alkmaar: Werenbold Uytenhage, Albert zijn zoon, Wouter van Egmond, zijn zoon Willem, Diederick van Raephorst, zijn broer Gerard, Jacob van Wassenaar, Barend vyten Enge, Gerrit van Hermelen, Gerrit Ever, Wouter de Vries. Een aantal van deze namen zijn ook op de lijst van Wouter van Gouthoven terug te vinden. Hij laat niet na te vermelden dat het ridderen van de veertig rijkste huys-lieden in 1295 als mogelijke oorzaak van ongenoegen in de ridderschap rond Floris V een belangrijke rol heeft gespeeld.                                                                                  

Simon van Leeuwen (1626-1682) komt in 1685 met een massaal overzicht van ridders en evenementen in de Batavia Illustrata ofte Oudbatavien vervattende verhandelinge van den oorspronk, voortgank, zeden, eere, staat en godtsdienst van Oud batavien mitsgaders van den adel en regeringe van Hollandt. Ten dele uyt W. Van Gouthoven, en andere Schryvers, maar wel voornamelijk uyt een menigte van Oude Schriften en Authentijque Stukken en Bewijfen samengesteld. In dit werk is de institutie van de Orde van St. Jacob opgenomen in overeenstemming met de publicaties van Aubertus Miraei.

Een uniek wapenboek verschijnt in 1645 samengesteld door Thomas de Rouck (1592-1660), De Nederlandtsche Herault of Adelik Toneel, eerste uitgave Jan Janssen te Amsterdam 1645, met een tweede uitgave Jacob Volkerrsz te Amsterdam in 1673, en een derde uitgave Hendrik en Dirk Boom (Amsterdam 1673). Hier in verwerkt de historische befchrijvinge van allerlei trappen van adeldom en ridderlijke ordens, met haar oorfpronk. Op een pagina beschrijft hij Den Nederlandtfchen d’Order van St. Jacob in Hollandt. Het is een afbeelding van een keten met zeven schelpen met de H’s met de overname van de tekst uit het werk van Butkens.[16] Het is een onmisbaar boek voor de studie van ridderorden.

Een belangrijk historicus is Adriaan van Schoonebeek (1658-1705).                                                          In 1697 wordt de Historie van alle ridderlyke en Krygsorders, behelzende haar instellingen, plegtigheden, gebruyken, voornaamste daden, en levens der Meesters, nevens deffels Dragten, wapens, en Zinteekenen, eerste deel uitgebracht. Hij wijdt een bladzijde aan de ridders van St. Jacob in Holland, die een keten met zes vergulde of zilveren schelpen ontvingen. In het zelfde jaar is er een steekspel opgericht met als kampioenen Dirk van Brederode, Jan van Heusden, Dirk van Lynden en Arend van IJsselstein. De wetenschapper Eli Ashmole zou in het archief van Holland in de papieren een handschrift gevonden hebben ten getuige hiervan. Helaas worden de eerder vermelde bronnen van Mireai, Butkens en Boxhorn nooit door latere historieschrijvers gevonden. Van Schoonebeek werd een belangrijke bron voor werken van Hélyot en Bullot, Bar, L’Abbé Giustiniani en Philippo Bonnanni in hun Rooms Katholieke werken over seculiere en geestelijke ridderorden, waarin afbeeldingen van ridders en het draagteken in van de Orde van St. Jacob in de achttiende eeuw wordt weergegeven.

Matthys Balen komt in 1667 met de beschrijvinge der Stad Dordrecht. Hierin staatde volledige beschrijving van de oprichting van de orde des Ridderschaps met de vermelding van de twaalf ridders in den Haag met verwijzingen naar o.a. de Beka en Jan van Leyden. Een bijzonder werk dat nog nooit voorheen gedrukt is komt in 1740 uit. Samengesteld met eenige aantekeningen zoo van Petrus Scriverus als van den uitgeever te Leiden. Den Heere mr. Gerard van Loon wordt deeze Kronyk van den Klerk der Laage landen by de zee als eertijds van zyn’ed: gekoomen zynde, en sedert met eenige aantekeningen vermeerderd, nu weder aangebooden, opgedraagen en toegewyd door, zynen verplichten dienaar Frans van Mieris. Het is de gedrukte uitgave van het handgeschreven werk van de Clerk uit de lage landen. In deze kroniek wordt met aantekeningen verslag gedaan over het ontvangen ridderschap van de rijkste en oorbaarste Huysluiden, waarvan vermoed wordt dat het adellijken waren die door verval van goederen tot de boerenstand geraakt zijn. Tevens worden hier de vragen gesteld of een graaf of hertog zo maar adeldom van het ridderschap kan verlenen. Zoals eerder is aangegeven was dit voor lage adel zeker mogelijk. In 1775 publiceert de eerder genoemde Frans van Mieris, Het Groot Charterboek der Graaven van Holland van Zeeland en Heeren van Vriesland beginnende met de eerste en oudste brieven van die landstreken en eindigend met de dood van onze Gravinne, Vrouwe Jacoba van Beijere zynde, zoo met de verfchillende leezingen der onderscheidenen affchriften, als met eenige korte aanmerkingen opgehelderd, verzaameld, en in orde gebracht. Het betreft hier het eerste deel van vier delen. Dit charterboek is altijd een rijke bron voor verder onderzoek gebleven. Ook staat hierin:” Graaf Florens viert de Ridderorde van S. Jacob en benoemt twaalf Ridders in het jaar 1290”. In de bijlage wordt de bron van Miraei weergegeven het oude Nederduitfch handschrift uit een Haagfch Regifter van Ridderlijke Orders. Frans van Mieris heeft twijfels maar acht de betrouwbaarheid waarschijnlijk, dit is echter geen bewijs. Op te merken valt dat van veel ridderorden het stichtingsregister ontbreekt.

Ten slotte in dit korte overzicht de in 1830 uitgegeven verhandeling van Dirk Groebe, met erkenning van de gouden eerprijs door de tweede klasse van het koninklijk Nederlandsche instituut. In feite is het een gedane studie over: Het antwoord op de vraag: Graaf Floris de V uit echte bronnen voorgesteld. In de noten staat een verwijzing naar de verzoening met de edelen van Woerden en Amstel en de beschrijving van de Ridderorde van St. Jacob, waarbij hij het goed mogelijk acht dat Butkens en Boxhorn een bijna gelijkluidend extract uit twee boeken met elkaar overeenstemmend onder ogen hebben gehad. Hij meent dat Boxhorn zowel Miraei als Butkens niet heeft nageschreven en zelfstandig de vermelding van de Orde van St. Jacob uit andere bron heeft samengesteld. [17] De studie  vormt een belangrijke bron voor het werk van Beeloo, Ter Gouw, van Hofdijk, Bilderdijk en van Lennep in de negentiende eeuw.

De afbeelding onder toont de inhuldiging de graaf van Holland als heer van Friesland op het schild. Een voorstelling van Willem III. Is het een weergave van de “Schepelenberg of het Huldtoneel’ te Heemskerk of ergens in Friesland? Het is de beeldvorming.  Rechts een allegorie van de ontvangst van stadsrechten door de graaf van Holland omgeven door gravenportretten in het midden Rooms-koning Willem II, daarna Floris V. (Rijksmuseum)

Allegorie verlenen van stadsrechten door de graaf van Holland. Rondom de graven van Holland. In het midden rooms-koning Willem II, daarnaast Floris V.

 





























Het overzicht van ridders aangegeven door Jean François le  Petit ( 257).

De principaelste Ridders  de families en hun woonsteden.                                                        KENNEMERLAND;  Willem van Egmond, Gerard van Egmond, Didier van Brederode, Arnoult van Heemskerk, Gerard van Heemskerk,  Hendrik van Heemskerk,   Gerard van Velsen, Werembault uit den Haage , Albert uit den Haage ,Gerrard van Haarlem, Simon van Haarlem, Nicolaas de Persyn heer van Waterlandt   MIDDEN-HOLLAND  Willem van Teylingen  Didier van Teylingen, Jacques van der Woude,  Didier van der Goude, Henry burggraaf van Wassenaar, Dierck van Wassenaar ,Didier van Raaphorst, Gerard van Raaphorst, Jan heer van de Lek en Polanen   Floris van Duven. 

HET  STICHT; Gijhsbrecht van Amstel  Gijsbrecht van IJsselstein  Herman van Woerden,  Gerrit Harmelen,  Hugo van Vianen. LAND VAN ARKEL; Jan van Arkel, Arnoud van Arkel (Leijenburch), Huguer Buterman heer van Bottersloot, Jan van Heuckelom , Otto van Asperen en Abcoy, Peregrin heer van  Leerdam.

BRABANT;Jan van Heusden, Jan van Heesbeen, Arnold heer van der Sluis.                                        ZUID-HOLLAND EN ZEELAND  (Westland en Maasland), Jan van Doortooge , Boudewijn van Naaldwijk  (Monster), Hugo van Craelingen, Nicolaas heer van Putten en Strijen, Albert heer van Voorne, De Witte van Haamstede,  Wolfert van Borsselen, Jan van Renesse, Jan van Cruijningen.                                                                                                                           

De aangegeven ridders behoren vaak tot een familie en het beeld van vestiging  lijkt op een verdedigingslinie voor het graafschap Holland. Na 1290 verdwijnen zelfstandige gebieden en is het merendeel leen van de graaf Floris V.                                                                 

1.2 De achtenveertig principaelste ridders.

De Divisiekroniek van Cornelis Aurelius uit de 16e eeuw maakt een geschiedschrijving van het ridderen van Floris V.

De kroniek beschrijft het ridderen van veertig keerlen op de eerste kerstdag. Deze door de edelen geminachte groep waren wel de door Floris V opgespoorde rijkste en eerbaarste huislieden. Herenboeren, die hij geschikt achtte de ridderstaat te houden, want door de vele gevechten met de Friezen was zijn ridderschap sterk verminderd in 1290. Na een maaltijd in het Hogen hof, sloeg hij hen tot ridder en verleende hen een wapen. De bovenstaande lijst met principaalste edelen zijn niet de genoemde “huisluyden” want de in door de Clerk in een anekdote beschreven Anffum van Vuuer, een rijke boer, staat niet op de lijst.[18] Floris heeft een vast voornemen meer ridders aan zich te binden, hij installeert een voor een geselecteerde groep edelen in een ridderorde als het hoogste eer in die tijd. Met het ridder zijn in de Orde van St. Jacob doet hij ook de adel niet te kort. De twaalf eerste ridders in de Orde worden in de Divisiekroniek niet genoemd, wel een lijst van ridders die door de bekende kroniekschrijvers van Gouthoven, Petit en van Leeuwen overgenomen worden.[19] Waarom deze erelijst slechts vijf en veertig namen bevat is raadselachtig en waarom deze namen zo gekozen zijn is ook niet duidelijk. Of deze lijst van de principaelsten als een goedmaker dienen voor de nieuwe onbekende geridderde boeren blijft eveneens een vraag.

De lijst van voorname edellieden is overgenomen door kroniekschrijvers Jean le Petit in 1601 en Wouter van Gouthoven in 1620 en is  geplaatst in de door hun uitgebrachte werken. Petit vermeldt tevens de voorname edelen van Zeeland uit de Reigersberg’s Dye kroniek van Zeelandt. Het zijn van Wolfert Borselen, Jan van Renesse en Jan van Cruyningen merkwaardig genoemd als Dadyn. Zij zijn dragers van de Orde des graven. Van Reigersberg zou deze gegevens overgenomen hebben uit het 15e eeuwse Gouds kroniekje, hier staat alleen de naam Dadyn, verder niets over de Orde des graven. [20] Verder dan drie genoemde Zeeuwen komt hij niet, de eerder genoemde lijst omvat uitsluitend Hollandse ridders. Het Gouds kroniekje is door Petrus Scriverius bewerkt tot Het oudse Goudsche chronycken van Holland of Historie van Hollandt Zeelandt Vrieslandt en Utregt uitgebracht in 1669.  Ook in dit werk is niets over de Orde van St. Jacob te vinden of de Orde des graven en de eerder aangegeven principaelste ridders worden niet genoemd.

Boxhorn’s  Cronijck van Zeelandt, eertijds beschreven door Jan Janz. Reigersberg neemt wel de drie genoemde ridders over.[21] Dadyn van Cruiningen, als onjuiste benaming van Jan staat echter wel duidelijk vermeld in de door Scriverius uitgegeven Goudse Cronyck in het hoofdstuk dat gaat over de strijd tegen de Vlamingen. De aanvallende Zeeuwen met van Cruiningen aan de ene kant en aan de andere zijde van Borselen, van voren komt het leger van Floris V gesteund door de Friezen in de veldslag van 1295.[22]                                                                                                                                                       

Scriverius was een criticus van Boxhorn, Jan van Reigersbergen en Butkens. Het besef van een foute overname zou zijn eer gekrenkt hebben. Het is echter nooit aangepast, was dit onwetendheid? De felle Scriverius zou volgens Beeloo later zijn verdenkingen tegen Butkens herroepen hebben.[23]  Dadijn met de achternaam van Everingen wordt in de strijd van 1295 in Baarland in diverse geschriften beschreven.[24] In de Batavia Illustrata wordt Adriaan van Cruyhningen genoemd. Hij is een ridder die in de 15e eeuw als nakomeling van Dadijn, heer van Cruiningen, omstreeks 1280 leefde, waarmee de fout zich herhaalt. De naam Dadijn hoort bij Dadijn van Everingen. De achternaam blijft wel voortbestaan want Jan van Renesse heeft de naam Everingen in 1391 aangenomen na aankoop van het ambacht samen met Lodewijk van Maelstede. De naam Dadijn van Cruijningen is afkomstig van Melis Stoke die hem in zijn Rijmkroniek (na 1308) heeft opgeschreven, Huydecoper attendeert hier terecht op in artikel 946 met zijn kritiek op het uitgebrachte en veelvuldig uitgewerkte geschrift.[25]

In de beschrijvingen over de gevechten van de Stichtse adel met elect Jan van Nassau en de strijd tegen de Friezen in 1272, de door de Graaf als prem-emptieve aanval geduid, vermelden Beka en Willem Procurator een aantal bijzondere namen. [26] Deze namen die later door Scriverius vermeld zijn worden gebundeld door Obreen in zijn werk over Floris V.                                                                             Van de gesneuvelde ridders worden beschreven; Werenbold Utenhage, ridder en Albert zijn zoon, zij waren leenmannen der abdij van Egmond van goederen in haar omtrek gelegen, Werenbold’s zoon Floris was monnik en abt van Egmond. Wouter van Egmond, ridder en zijn zoon Willem, gesproten uit een zijtak der toenmalige heeren van die plaats. Dirk van Raephorst, ridder en zijn broeder Gerard, edelen gegoed met Raephorst onder Wassenaar, Jacob van Wassenaer, ridder.                                                De Clerk vermeldt ook een onbekende ridder Hendric van Wassenaar. Bernard Uteneng (Utenhage, Uten Enghe bij Montfoort), ridder, Gerard van Haerlem, (ridder, door Beka Gherrijt van Hermalen/Harmelen genoemd). Gerardus Ever, misschien een lid van het geslacht dat onder Waddinxveen bezittingen had (Procurator oork. II no. 191 ) en Wouter de Vriese (Fries) een bastaard uit het geslacht van Egmond, baljuw van Kennemerland, die kort te voren (17 februari 1271) enige bezittingen te Alkmaar, Ouddorp en Vronen van de graaf ter leen had gekregen. In de gevechten verloren 500 mannen uit het leger van Floris V het leven.[27]                                                                                                                          Over een aangegeven jaartal MCCLXXXXII door kroniekschrijvers is enige twijfel, maar Scriverius sluit zich aan bij Melis Stoke en Beka die 1272 het meest passende jaartal vinden, hoewel er in 1282 ook een grote slag bij Hoogwoud plaats vond.[28]  In zijn kroniek wijdt zelfs hij hier twee bladzijden aan en benadrukt dat Beka in zijn Hollandse en Duitse uitgaven verschillende namen noemt. Het is de moeite waard deze namen te lezen omdat een aantal hiervan tot de lijst van principaelste ridderen behoren. Opvallend is dat Jacob van Wassenaar in alle gevallen wordt genoemd. Zijn naam zal in het volgende hoofdstuk nog uitgebreid toegelicht worden. Petit vermeldt in zijn lijst achtenveertig ridders. Wouter van Gouthoven vijfenveertig ridders zonder de Zeeuwen. Hij vermeldt Arnoud van Arkel, Dirk van Wassenaar en noemt in plaats van Gerard van Haarlem Gerrit van Harmelen. Deze laatste naam is van de kroniekeschrijver Beka overgenomen. Misschien is het mogelijk is hier een verband met de Orde van St. Jacob ontdekken? Zo niet wat is de reden dat deze lijst zo is samengesteld? Om deze vraag te kunnen beantwoorden volgen de beschrijvingen van de achtenveertig ridders uit de lijst van J.F. Petit (1601) met daarin zijn verwerkt de toegevoegde namen uit de lijst van de vijfenveertig ridders van Wouter van Gouthoven. Alle ridders en voornaamste edelen zouden ten tijde van Floris V geleefd hebben. Het onderzoek richt zich op achtergronden en de relatie met Floris V en of zij evenals de genoemde Zeeuwse edelen drager konden zijn van de Orde des graven. De vele vermelde jaartallen bieden helaas geen sluitend beeld van de leefperiode, maar zijn uitsluitend een verwijzing naar een periode waarin zij in bronnen vermeld zijn. De volgorde lijkt niet willekeurig en lijkt naar rang samengesteld. Tevens zijn diverse ridders in 1272 gesneuveld en deze zijn aangeduid met #.

Jean van Holland (1284-1299) was graaf van Holland Zeeland en Friesland en heeft maar kort geleefd.
Hij was de zoon en opvolger van Floris V en verbleef tot eind januari 1297 in Engeland. In november 1297 trouwde hij met Elizabeth van Engeland (1282-1316). Toch gebeurde er veel in de korte onrustige periode van zijn regeren want er was een crisis in het graafschap ontstaan na de dood van zijn vader. Gelukkig waren de meeste ridders in navolging van de verbintenis met zijn vader hem trouw en toonden dit door hem in een afvaardiging te vergezellen bij zijn terugkeer naar Holland.                                   In Zeeland heerste veel ongenoegen. Al snel stond er een machtsstrijd tussen van Renesse en van Borselen, en hoewel de graaf van Kleef aan de zijde van Jan grote invloed had trok hij geen partij voor. De onderlinge twisten van edelen en de verdeeldheid in Holland maakte het besturen niet eenvoudig. Als dertienjarige graaf was hij nauwelijks opgewassen ten de grote problemen. Mochten we de verwachting hebben dat hij de directe opvolger was als grootmeester van de Orde des graven dan is dit moeilijk voorstelbaar, maar niet onmogelijk. Door de onverwachte dood van de eerste grootmeester was hij nergens op voorbereid en aan een dergelijk orde verbonden zijn lijkt niet belangrijk. Wie had hem daarin kunnen bij staan? Veel edelen waren verdacht in de betrokkenheid op de moord. Een van de weinige ridders zonder verdenking zou Jan van Arckel kunnen zijn? Als de overdracht al heeft plaatsgevonden heeft is ook dit helaas nergens beschreven.[29]

De door le Petit genoemde ridders worden zoveel mogelijk met achtergronden beschreven. Hieruit zal blijken of hun rang het mogelijk gemaakt heeft hen in een ridderorde op te nemen. De bronnen blijken helaas jammerlijk schaars te zijn. De summiere opgave van een ridder alleen met voornaam maakt meerdere personen mogelijk en dwingt tot een keuze.                                                                                                                                                                            Graaf Jan I met zijn afbeelding op  penning  VZ. Portret naar links binnen de cirkel+ I: COMES HOLLANDIC, kz. Lang gevoet kruis, in de buitencirkel de tekst; MON-ETA-DOR-D’CI: penning (1298-1299) Dordrecht.








Een uitzondering hierop is Hendrik graaf van Hennenberg, want hij behoorde tot een van de twaalf eerste Ridders van de Orde van St. Jacob. Het betreft Hendrik IV van Henneberg die van zijn vader Hendrik III het gebied Hartenberg met de stad Römhild erfde. Het graafschap grenst aan het noorden van Beieren en is sinds 1180 een hertogdom. De toevoeging Mary de Marquerite sa Tante, heeft te maken met Margaretha van Holland, (1234-1276) de jongste dochter van graaf Floris IV, die getrouwd was met Herman von Henneberg Coburg (1224-1290).[30] Haar man had naar de titel rooms-koning gedongen, maar graaf Willem II werd als opvolger gekozen. De Coburg tak stierf in manlijke lijn uit. Hennenberg Römhild werd in de 16e eeuw onder de broers verdeeld. De familieband was de belangrijkste reden Hendrik IV als ridder in de Floris periode aan te geven. In de Divisie kroniek is beschreven dat hij getrouwd was met Machtelt een nicht van Floris.

Collectie zegels Kennemerland

Inventarisnummer NL-HlmNHA_53000505_M

[Zegels van diverse personen : ca.1290] [afbeelding] /Lith. de Abrahams a la Haye [=Daniël Abrahams]. - [s.l. : s.n, ca.1820]. - 1 prent op papier : lithografie ; afb. 24x29½ cm, blad 27½x35½ cm. Gesigneerd linksonder. - Onbekend uit welke publicatie dit blad afkomstig is. - Met watermerk: J. Kool. Afgebeeld zijn de zegels van (I) graaf Floris V (met tegenzegel), (II) Herman van Hennenberch, (III) onbekend, (IV) Jan van Arkel, (V) Dirk, heer van Linden, (VI) Dirk van Brederode, (VII) Jan, bisschop van Utrecht. Herkomst: onbekend









De heren van Kennemerland hebben veel aangetrouwde families.  De namen van deze ridders worden ingedeeld naar hun beleende land van noord naar zuid te beginnen met Egmond. Wanneer de naam Egmond gebruikt wordt is niet exact gedateerd, de naam gaat over in Egmont, later genoemd met de omliggende nederzetting, Egmond aan den hoev of Egmond aan de Hoef. Als eerste Egmonder wordt Dodo (+1132) in een grafelijke oorkonde vermeld.[31] Dan volgen Berwout, Allard en Wouter de Kwade, met als opvolger zijn zoon Willem I. Berwout was de eerste sub-advocaat van de abdij en werd voor zijn verdiensten beleend met een hoeve en zes woningen te Rinnegom. Het versterkte huis te “Rynegom” met de hoeve worden in naam Egmond aan de Hoef verenigd.[32]                                                           De Egmonds beschouwden de advocatuur als een erfelijk leen en het was vooral Willem I die de zaak op scherp zette door zelf een rechtbank te benoemen en over de abdij recht te spreken. Na een bijgelegd conflict dankzij bemiddeling van de graaf met de abt en Willem I ontving de laatste de advocatie in erfelijk leen. Uit waardering liet Willem in 1227 een kapel bouwen bij het slot aan de Hoef. Zo werd Willem door de opvolgende abten zonder verdere beperkingen gerespecteerd en kon hij zijn goederen uitbreiden tot een rijk edelman die aanzien krijgt. Dit had  gevolgen want Graaf Willem I koos Willem van Egmond als getuige bij zijn huwelijk met Maria van Brabant en dit was een grote eer. Als hoveling van Floris IV vergezelde hij hem in de kruistocht tegen de Stedingerboeren die in opstand waren gekomen tegen de graaf van Oldenburg en de bisschop. Ondanks zijn strijdvaardigheid sneuvelt hij in 1234.

De kleinzoon Willem II van Egmond (1242 -1304), is wel de stamhouder maar niet volwassen. Zijn jeugd verplicht hem onder de voogdij van Wouter Stoutkint te komen. Dit was geen slechte regeling want zijn vermogen groeide omdat hij ondanks zijn jonge leeftijd giften van de abt ontvangt. In 1278 wordt hij als ridder vermeld en is erfelijk advocaat van de Egmondse abdij. Zijn bezit omvat grote heerlijkheden in de noordelijke duinstreek. Willem II stond bij de graaf in hoog aanzien en was zijn vertrouweling als borg of gemachtigde. Als raadsheer was hij vaak bij de graven van Holland aanwezig. Samen met de Zeeuw Nicolaas van Cats beschermde hij Floris V tegen op macht beluste Floris van Avesnes. Hij was de zoon van Gerard I van Egmond die gehuwd was met Beatrijs van Haarlem een zuster van Simon II van Haarlem. De Egmonds waren wel geparenteerd aan Haarlem en Persijn door huwelijk en ontstaan niet uit een familie.[33] Opvallend genoeg trouwde de dochter van Willem Halewina van Egmond met Hendrik van Cuijk, de burggraaf van Leiden zodat noord en zuid ook verbintenissen krijgen.

 Gerard II van Egmond, ridder is de zoon van Wilem II en wordt in 1288 benoemd tot leenvolger van de abdij van Egmond in de voetsporen van zijn vader. Ook hij had met de abten conflicten over beheer en bestuur. Als sub-advocaat was hij plaatsvervanger van de graaf van Holland in de abdij en behartigde beider belangen. Graaf Floris III bezat de advocatie van de abdij en de Egmonds waren sub-advocaten. Toch konden zij het niet laten zich met interne zaken van de abdij te bemoeien zoals de hoge en lage rechtspraak. Ruzies werden uiteindelijk door graaf Floris V met verdeelde rechten in een oorkonde vastgelegd, maar twisten bleven tot de zestiende eeuw bestaan. Evenals zijn vader werd Gerard II raadgever van Floris V en Jan I. Met de verwijzing naar Obreen in het voorwoord worden Wouter en zijn zoon Willem genoemd als gesneuvelde ridders in de krijgstocht in 1272 tegen de West-Friezen. Om deze Gerard te vinden is gebruik gemaakt van de tabellen van Cordfunke 5 en 6 die zijn samengesteld over het geslacht van Egmond. Hierin staan: Wouter de “Kwade “ (1168-1208) vader van drie zoons. De oudste zoon ook een Willem I is in 1243 gestorven, een tweede zoon Wouter heeft geen kinderen en een derde zoon Gerard is al in 1217 gestorven. De laatste heeft als eerste zoon, Wouter Stoutkint die ook in 1272 gesneuveld is in de krijgstocht in Alkmaar. Wouter Stoutkint van Egmond wordt ook bij de Simon van Haarlem hieronder vermeld. Willem I krijgt een zoon Gerard I die trouwde met Beatrijs van Haarlem. Gerard I is de vader van Willem II, die een zoon krijgt met de naam Gerard II.[34] Gerard I van Egmond, zoon van Willem I van Egmond huwde Beatrijs van Haarlem.

In deze generaties komen drie zonen met de naam Gerard voor. Vanuit de Wouters een Gerard en vanuit de Willems twee Gerards. Gerard I is mogelijk overleden in de slag in 1272, hij verstevigde de Haarlem tak, Gerard II huwde Elizabeth van Strienen en overleed in 1300. Hoewel uitstekende kandidaten is er geen documentatie te vinden dat de Egmonds benoemd zijn in de Orde van St. Jacob.                            In Midden-Kennemerland woont Werenbout Uyttenhage, # (Weremboldus Utenhage) hij is afkomstig uit een oud adellijk geslacht en verblijft in een huis dat later Wissen genoemd is gelegen ten noorden van het Huis Velsen. Ten zuiden daarvan stond het kasteel Brederode dat een lijn vormt naar het noorden met een versterkt huis Spijk. Samen lijken zij een ondergrens van het leefgebied met ridderhofstedes te vormen. Helaas is er weinig bekend over deze huizen in de onderzoeken periode, pas over de zeventiende eeuw is er documentatie te vinden.[35]  De bemiddelde familie bezat akkers tussen Haarlem en Santpoort. Werenbout is geboren na 1200 en in 1272 gesneuveld voor Floris V in de strijd tegen de West-Friezen. Zijn vader is Berwout II. [36]                                                                                                                                                            Ook de Uyttenhages zijn benoemd als advocaten van de beleende goederen van de abdij van Egmond. De familie Egmond moet zich deze functie van hen toegeëigend hebben. Dodo II de broer van Werenbout wordt ook in de Egmondse lijst als advocaat aangeduid. De familie bezat een aantal landerijen en akkers tussen Haarlem en Santpoort. Floris Utenhage, de abt van Egmond zou een zoon van Werenbout zijn. Diderik Utenhage, Gerard Uytenhage en Aelbregt zijn zoon sneuvelen ook in 1272 samen met de Raaphorsten in de buurt van Vronen West Friesland. Walter van Egmond en Willem zijn zoon, Jacob van Wassenaar, Gerard van Haarlem, Barent Uitenhage en Wouter de Vries, baljuw van Kennemerland met zijn zoon worden ook als gedood beschreven. Adalbert Utenhage (1215-1230) was eveneens in dienst van de abdij te Egmonden hield de tiende van de Hofgeest in leen. Werembolt kocht het recht om het leen op te volgen. [37] De naam haag heeft betrekking op de omheining van het familiehuis te Wissen waar het adellijk geslacht hun naam aan ontleende. (In de regio Santpoort Velsen-Noord) en familie tak elders woonachtig heeft niets met den Haag te maken.

Op de lijst staat de beroemde Gerard van Velsen. Volgens Melis Stoke groeide Floris V samen met Gerard van Velsen op. Dit is niet bewezen, maar wel bedoeld om hem als broedermoordenaar weer te geven. Het blijkt tot een mythe uit te groeien. Gerard moest als het kwade genius de geschiedenis in gaan. Hij werd in 1275 Schout van Wijk aan Zee benoemd en of hij de ridderslag heeft ontvangen is niet in een jaartal terug te vinden, het is mogelijk dat dit bewust niet gedocumenteerd is. Hij erfde na 1267 het vermogen van zijn vader Albert als een enkel leenbezit in Velsen, daarnaast was hij ambachtsheer van Noordwijk en Beverwijk. In Velsen was de ambachtsheer Willem van Brederode en de regio was verdeeld want het huis in Velsen behoorde toe aan Nicolaas Persijn.[38] Volgens de 15e -16e geschiedschrijving trouwde Gerard van Velsen een dochter van Herman van Woerden met de naam Machteld, Melis Stoke noemde zijn vrouw Hildegond. Floris had van Velsen eerst gedwongen te trouwen met zijn bijzit, maar dit werd verontwaardigd geweigerd. Jacob van Maerlant noemt als vrouw van Gerard, Isabella van Bentheim. Het is allemaal wat verwarrend en ook in dit geval kan het zijn dat deze overlevering mythisch is. Gerard was voorbestemd een dochter van Jan Persijn te huwen echter Hillegond is de vrouw die twee kinderen bij Gerard kreeg, waarvan de oudste Clarissa als non intrad in het klooster te Rijnsburg.[39] Hoewel dit verhaal het meest waarschijnlijk is bestaan er geen bronnen die een huwelijk met Hildegond beschrijven.[40] Vermoed wordt dat zij de dochter was van Clarissa van Noordwijk, die in Rijnsburg abdis was van 1258-1266. Gerard bezat een woning in Beverwijk en in de 14e eeuw zou daar een slot Adrichem komen te staan. In het woordenboek van der Aa wordt hij beschreven als een vermogend heer en vertrouwensman en was zelfs lid van de geheimraad van Floris V, maar volgens Koene had hij geen belangrijke positie in het graafschap. Floris maakte zich in de familie gehaat door de broer van Gerard die onterecht beschuldigd van manslag was te onthoofden en Gerard een jaar gevangen te zetten. [41]In 1296 is hij medeplichtig aan de moord op Floris V, hij vlucht maar na de doorbraak van de belegering van kasteel Cronenburg wordt hij na intensieve martelingen gedood. Andere versies vertellen over een gevangenisstraf of een ontsnapping evenals van Amstel aan de achtervolgers van de moordenaars. Het is allemaal mogelijk geweest.                                                                                                                                                                                                                Tot hoge adel behoorde Nicolaas de Persyn/ Persijn, ridder heer van Waterland (1282-1304).                Zijn familie woonde op het huis te Velsen, een stenen kasteel zonder ambachtsrechten van de stad zoals boven beschreven is. Hij was de zoon van de beroemde Jan II Persijn die voor zijn moed in het uitbreken tijdens het beleg van Haarlem door van Amstel en de Kennemers in 1274, beleend werd met delen uit de heerlijkheid Amsterdam (een leen van allodia van Amstelredamme). Met nadruk moet gesteld worden dat hij geen heer van Amsterdam werd. Door Wagenaar en andere geleerden is de levensloop verkeerd uitgelegd want Gijsbrecht was de aangestelde leenheer buiten Amsterdam.[42] De rechten van Persijn in Waterland waren door een te vuur en te zwaard bestreden landbouwcrisis drastisch omgevormd en belastingen zouden gevorderd worden. De Waterland leengebieden behoorden tot de familie, Zeevang ten noorden van Amsterdam tot de bisschop van Utrecht. De Waterlanders die zich in opstanden tegen de familie Persijn hadden gekeerd en het huis de Swaensburch hadden verwoest ontvingen na een gesloten vrede bevoegdheden en werden niet meer verplicht te vechten tegen de Friezen. Hierdoor ontstond er een beheersbaar gebied. In 1279 had Jan van Nassau de voor geld verpande grote delen van Nedersticht in leen overgedragen aan de graaf van Holland, onder voorwaarde dat aanwezige leenheren in functie bleven.                                                 

Na de veldslag met de bisschop en zijn leenmannen in 1280 veranderde de situatie. Floris zag nu een mogelijkheid delen uit het gebied Amstelredamme tot eigendom te maken. De leenman heer Gijsbrecht van Amstel zat in de gevangenis en Floris liet hem na zijn vrijlating in 1285 dit bevestigen. Amsterdam was met het tolprivilege in 1275 al bevoorrecht door de Hollandse graven en dit was natuurlijk niet voor niets. Met de verkoop van de heerlijkheid Waterland en de goederen in Amstelredamme aangevuld met diverse huizen en sterkten in 1282 aan Floris V werd na de dood van zijn vader in 1283 zoon Nicolaas (II) de eerste leenheer van Waterland met handvesten en voorrechten in een semisoevereine positie. In 1290 werd hij beleend met het huis te Velsen dat aan Floris werd opgedragen. Jan (I) Persijn had een familietak met Haarlem gemaakt door een huwelijk met de dochter van Simon van Haarlem.[43] Nicolaas werd raadgever van Floris V en vervanger van de graaf in zijn tocht naar Schotland in 1292, maar bleef na de moord onder verdenking en werd zelfs vastgezet in Rotterdam. Toch werd hij in ere hersteld als grafelijk raadsman in 1303. In 1304 sneuvelde hij als veldheer in de strijd op Duiveland.[44] Zijn zuster trouwde met Philips II van Wassenaar van Duivenvoorde en door deze verbintenis ontstond weer een machtige familie.

                                                                                                                                                           De familie Persijn heeft evenals andere bekende families een terugkerende volgorde van dezelfde voornamen te beginnen met Dirk (1167), Jan Persijn ( 1204-1224) die gehuwd was met een dochter van Simon I van Haarlem, dan komt Nicolaas Persijn (1224-1255), vervolgens Jan II Persijn van Velsen, ridder, heer van Waterland en Marken, (+ 1283), de bovenvermelde Nicolaas Persijn van Velsen en ten slotte Jan III Persijn (1321) gehuwd met Jutta van Brederode kregen een dochter Catharina van Velsen (+ 1371) die met Willem van Wesenmale trouwde de Maarschalk van Brabant. Zij is ook nog verwant met van Gerard van Heemskerk en met Jan I van Heusden. Waarom deze  raadsheren niet in de ridderorde opgenomen  werden is niet na te gaan.

Nicolaas Persijn van Haarlem.

De afbeelding toont een zegel, (1255) de  ridder in een volle wapenuitrusting. De wapens: gedwarsbalkt van zes stukken, de oneven balken beladen met S. Andrieskruisen B.J. Mooij onderzoeksnummer 1125.

Het geslacht van Haarlem

Simon (II) van Haarlem (1245-1280) was kasteelheer van Oud Haarlem. De archeologische opgravingen tonen een vierkante burcht met twee ronde hoektorens en een vierkante toren gebouwd omstreeks 1250. [45]Als ridder is hij opgeklommen tot baljuw van Zeeland (1250), later werd hij baljuw van Kennemerland en in 1266 de opvolger van Arnoud van Heemskerk en tevens raadsheer van Floris V. De jonge Floris werd tot zijn volwassenheid door hem samen met Dirk van Teilingen en Gijsbrecht van Amstel bijgestaan. Simon verhief zich door een eerste huwelijk aan te gaan met Beatrijs van Voorne een edele dame uit een voornaam Zeeuws geslacht. Zijn huis in Haarlem en het omliggende terrein droeg hij na verkoop over aan de karmelieten orde en vertrok naar het ambacht Heemskerk.  Haarlem was een grafelijk hof, een verblijf en een bestuurscentrum voor Kennemerland. Simon was dus geen heer van Haarlem maar werd uitsluitend met deze naam aangeduid. De graaf van Holland bezat in Haarlem grafelijke gebouwen die ongeveer gelegen waren op de plaats waar het huidige stadhuis staat, Simon woonde tussen de Anegang en de Warmoessteeg.  In het ambacht Heemskerk en het aangrenzende Beverwijk bestond het grafelijk hof Hofland geheten. De noordelijke delen werden gekocht door het Haarlemse huis, de rest van het grondgebied was eigendom van de abdij van Egmond. In de gedeelde grond werd het huis te “ Emeskercke”, later Oud Haarlem geheten gebouwd voor Simon van Haarlem als eigenaar van een deel van het Hofland met in het noorden de kerkgeest van Heemskerk en de Noordbroek.[46] Met de gegraven Scheibeek ontstonden twee ambachten Heemskerk en Beverwijk. In de eerste de vestiging van Simon van Haarlem als ambachtsheer, in Beverwijk kwam als ambachtsheer Albert van Velsen, de grootvader van Gerard.

In 1248 was het grafelijke hof opgeheven en werd Hofland geheel eigendom van Simon en zijn zwager Wouter Stoutkint (Egmond). Samen leenden zij nog diverse aangrenzende stukken land. Wouter Stoutkint liet in 1255 een kasteel ter Wijk bouwen dat in 1351 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten verwoest werd. Simon liet in het ambacht Castricum ten noorden van Hofland een tweede huis bouwen met de naam “huis te Castricum “ dat later de naam Kronenburg kreeg. Hij was een vermogend ridder en bij het oorkonden werd hij als vertrouweling met naam als een van de eersten als zegelaars van een grafelijk document weergegeven. De Kennemeradel van  Haarlem, Persijn en Egmond maakte zich sterk door onderling te trouwen en zo de bezittingen in elkaars nabijheid te houden. Met koop en erfenis lukte het hun bezit tot een aaneensluitend gebied te maken omvattende delen in Beverwijk, Heemskerk en Castricum. Een tante van Simon II trouwde met Jan Persijn. Simon II had vier zonen; Willem zet de mannelijke lijn voort. De tweede zoon Dirk krijgt als zoon Jan van Bergen die trouwde met Jutta Persijn, daarna stierf in 1321 deze mannelijke lijn uit. Zijn dochter Goede erfde Bergen en trouwde met Floris van Haamstede.

De familie van Egmond bezat het in 1248 gebouwd slot Merestein, het eerder genoemde huis ter Wijk en vormde hiermee een gesplitst erfgoed. Het lijkt op een verdedigingsbouw, maar Cordfuncke ontkent dat de rij kastelen een defensieve waarde zouden hebben tegen aanvallende West-Friezen

De vader van Simon II van Haarlem was IJsbrand II en hij had een broer Gerard. Gerard van Haarlem, # die met velen in 1272 overleed in de gevechten tegen de Friezen. Hij wordt gezien als de eerste Heemskerk. Vanuit de vestiging ging hij door als Gerard I van Heemskerk, alias Gerard van Haarlem.

Gerard en zijn broer IJsbrand II hadden de kant gekozen van de graaf van Loon en vielen in ongenade bij graaf Willem I. Ook Jan Persijn had de Loonse partij gekozen, maar allen werden toch na de vrede ere hersteld. Zijn zoon is Arnold (Arnoud) van Heemskerk die als stamvader van Heemskerk wordt beschouwd. Ook hij is ridder en wordt baljuw van Kennemerland in 1254. Zijn zoon Gerard II huwt de dochter van zijn oom Willem Beatrijs van Haarlem. Omdat Gerard van Haarlem en Gerard van Heemskerk naast Gerard van Harmelen genoemd worden past Gerard I het beste in de lijst.



Onder: de maquette van Oud Haarlem.[47] Oud Haarlem De heren D. de Vries & E. Veel hebben deze maquette ontworpen die in 2017 uitgewerkt is door Jean Roefstra. Een indrukwekkend bouwwerk. Omstreeks 1300 werd de muur met de ronde en een vierkante toren gebouwd omgeven door een dubbele gracht. In de periode daarvoor bestond slechts de woontoren

Links het zegel Simon van Haarlem, Jan van de Velde II, naar Pieter Jansz. Saenredam, 1628 collectie Rijksmuseum.


Tot een steeds machtiger wordende familie behoort Didier van Brederode ( Diederyk IV) of Dirk II bijgenaamd “De Goede”. Hij is in 1256 geboren en is in 1318 te Reims na een pelgrimstocht naar Jeruzalem overleden. Hij was de zoon van Willem van Brederode die een grote reputatie verworven had door in zich in 1248/49 zeer dapper te tonen in de veldtocht tegen de opstandelingen in het Ruhrgebied en in 1256 in de veldtocht tegen de Friezen onder aanvoering van rooms-koning Willem II. In 1255 werd Willem geridderd en in 1269 tot baljuw van Kennemerland benoemd. Hij overleed in 1285. Het geslacht van Brederode is afkomstig uit het geslacht van Teilingen en begint bij de zogenaamde Dirk Drossaard, de grafelijke hofmeester (1205-1231) die gehuwd was met Alverade van Heusden.[48] Deze lijn van Teilingen zet zich zelfstandig voort en zal besproken worden. Zoon Willem draagt als eerste de naam Brederode. Dirk trouwde met Hillegonde van Voorne en in een tweede huwelijk met Maria van der Lecke. Zijn tweede kind Jutte trouwde Jan III van Persijn een bloedverwant uit het geslacht van Heusden.  Jan I van Polanen (1322) trouwde een dochter uit het geslacht Duivenvoorde. Dirk van Brederode had veel familiebanden die hier niet uitgebreid behandeld worden.




In 1288 werd hij benoemd tot baljuw van Kennemerland. Hij was niet alleen een goed bestuurder,     Dirk was ook een dapper veldheer tegen de opstandige Friezen in 1282 en onderwierp hen in 1285 of 1287. Wegens het verschil van mening over de Zeeuwse rechten keerde hij zich tegen Floris en steunde de Zeeuwse opstand. Nadat het onrecht deels hersteld was werd het hem na enige tijd opsluiting in 1290 vergeven.[49] Hij wierp zich daarna weer vurig in de strijd voor Floris V toen hij de Vlamingen terug dreef vanuit Cadzand in 1292.

In oorkonden wordt hij als medezegelaar vaak als eerste genoemd. Hij ging met Floris in 1296 mee naar Parijs om evenals Jan van Heusden voor de Franse partij te kiezen in plaats van de Engelse koning trouw te blijven. Ook reisde hij in het gezelschap mee samen met zijn halfbroer Jan van Renesse om graaf Jan uit Engeland op te halen. Vermoed wordt dat dit was om verdenking van medeplichtigheid aan de moord op Floris V voor te zijn. Met zijn diplomatieke onschuld wist hij de juiste partij te kiezen en met een handige politiek kon hij zich vrijwaren. Jan van Renesse was minder oplettend en werd als verdachte  met de door Wolfert van Borselen aangedragen bewijslast door uit het graafschap verstoten.

Wapen Brederode; de Hollandse Leeuw met barensteel.                                                                         

Dirk staat vermeld als een van de eerste twaalf edelen die opgenomen zijn in de Orde van St. Jacob.[50] Om aan te geven dat zij afstammelingen waren van de graven van Holland droegen zij als wapen een Hollandse leeuw met barensteel. Toch is over deze afstamming is nooit enig bruikbaar bewijs gevonden.[51]  De Brederodes waren zeer vermogend, stonden in de gunst van de graven en konden zich opwerken tot hoge adel. Van 1293-1296 maakte Dirk deel uit van de raad van Floris V en dit werd voortgezet door zijn opvolgers Jan I en Willem III.

Brederode was verwant met van Willem van Teilingen, Jan van Heusden, Gerard van Egmond, Hendrik van Voorne, van Haarlem van Voorne en van Woerden en Persijn.

Het geslacht van Heemskerk.

In de regio Heemskerk stond een Hofstede Haarlem later oud Haarlem genoemd en eigendom van het geslacht Haarlem. Ook stond daar het huis te Heemskerk dat werd bewoond door de heren van Heemskerk. Daar niet ver vandaan bevond zich het slot Assumburg dat weinig vroege overlevering kent en waarvan de echte geschiedenis begint in de eerste helft 14e eeuw. Omstreeks 1270 hield een Willem van Velsen het in leen van Simon van Haarlem. Op de grens van Beverwijk en Heemskerk bestond het hofland. Dit was een grafelijk domein waar het grafelijk hof gelegen was. Het noordelijk deel werd door rooms-koning Willem II in 1248 verkocht aan Simon van Haarlem en zijn zwager Wouter Stoutkint van Egmond.  Oud Haarlem Assumburg, Merestein, Oisterwijk, Huis Velzen en Adrichem op Hofgeest, werden nadien achtereenvolgens in de regio gebouwd.[52] Het bakstenen huis op het perceel van kasteel Adrichem was een woning van Gerard van Velsen.                                                                                  De genealogie van de familie begint met Gerard I en zijn zoon Arnoult (Arnoud) van Heemskerk, genoemd als ridder in 1257 en baljuw voor Rooms-koning Willem II. Gerard behoorde tot een zijtak van het Haarlems geslacht en ging de naam dragen naar het huis te Heemskerk. Arnoult was een invloedrijk man en werd lid van de raad van Floris V. Zijn trouw aan de graaf werd beloond met het verkrijgen van de heerlijkheden de dorpen Oosthuizen Etersem. De graaf was hem zeer erkentelijk voor zijn militaire steun in het beleg van Vreelandt en zijn deelname in de veldtocht tegen de Friezen in 1288. Als baljuw van Kennemerland was hij invloedrijk en had lang de taak van als slotvoogd van de Torenburg, de dwangburcht bij Alkmaar op zich genomen.

De familie Heemskerk had diverse familiebanden met Hendrik van Voorne. Arnoud huwde een dochter uit de familie van Voorne van Heenvliet vermoedelijk Margaretha geheten. Ook Willem van Brederode en Simon II van Haarlem gingen door huwelijken tot de familie behoren. Arnoud kreeg drie kinderen; Gerard II, Bartoud en Hendrik die hieronder beschreven worden. Van der Aa vermeldt dat een tweede Arnoud mogelijk een zoon van Gerrit I was, echter verdere achtergronden over hem worden niet in de literatuur weergegeven. Hij overleed in 1291.[53]                                                                                  Gerard II van Heemskerk (1271- +1333). Deze Gerard, zoon van Arnoud, wordt als II genoemd en was een kleinzoon van Gerard van Haarlem/alias Heemskerk. Gerard II had als eerste vrouw Ada van Egmond, later trouwde hij nog met Elizabeth van Heukelom en Beatrijs van Haarlem. Pas in 1312 wordt hij als ridder beschreven  door zijn geringe vermogen kwam hij niet snel voor de titel in aanmerking. Gerard werd aanvankelijk verdacht van medeplichtigheid aan de moord op Floris V maar werd vrijgesproken. In 1299 draagt hij zijn huis te Heemskerk aan graaf Jan op en ontvangt het in leen terug. (Zie ook hiervoor de vermeldingen over Gerard van Haarlem, Gerard I van Heemskerk).  De jaartallen over hem worden in een genealogie soms anders vermeld. Gerard (II) is overleden in 1311/1313 en Gerard III, ridder, de baljuw van Amstelland (1338) en Rijnland trouwde Beatrix Willemsdochter van Haarlem waarmee de verwantschap met Haarlem nogmaals duidelijke vorm kreeg.

Hendrik van Heemskerk, ridder (1280 + voor 1319) wordt in het necrologium van Egmond geduid als de broer van Arnoud. Cordfunke bestrijdt dit en beschouwt hem als de jongste zoon van Arnoud en een jonkvrouwe van Voorne. De heren van Heemskerk hadden de jurisdictie alleen in het kasteel en het behorende terrein. De ambachtsheren van Heemskerk waren de heren van Haarlem.

Samengevat bestond er onderlinge verwantschap tussen Haarlem, Persijn, Heemskerk, Voorne en Brederode. Gerard I kreeg een zoon Arnoult wiens zonen Gerard II en Hendrik van Heemskerk waren.   De geslachten Brederode, Egmond, Persijn, Heemskerk en Teilingen werden na de moord op Floris V door het volk verdacht en moesten in afzondering in de regio Haarlem hun onschuld bewijzen. Na enige tijd konden zij zich weer vrijelijk bewegen.

 Een zilveren leeuw op blauw op het wapen van Gerrit van Heemskerk, dit is een bewerking uit het wapenboek Beyeren.

De familie van Teilingen

Met de aangegeven Willem van Teilingen (Teylingen) keert weer de vraag terug welke Willem bedoeld is? Er komen drie van Teilingens hiervoor in aanmerking.                                                                      1. Willem (I) van Teilingen (1200-1244) is de stamhouder hier genoemd als (I). Hij past niet in de Floris V periode, maar was een edelman ten tijde van de periode van rooms-koning Willem II.                  Dan blijven ter keuze over:                                                                                                                2. Willem van Teilingen  (1276-1283), zoon van Dirk van Teilingen.                                                        3. Willem van Teilingen  (1287-1308),  zoon van Simon van Teilingen.                                                                          

Om tot de Willems te komen eerst een kleine voorgeschiedenis. De familie van Teilingen was lange tijd een zeer machtige familie. Tot 1222 waren het leenmannen van de bisschop van Utrecht,  daarna waren zij leenplichtig aan de graaf van Holland en werden gerekend tot de hoge adel. Zoals eerder vermeld is, ontwikkelde zich vanuit een gemeenschappelijke stamvader de Teilingen tak en de Brederode tak. Dirk II van Teilingen was de opvolger van zijn vader Willem (I) die het gravenhuis vanaf Dirk IV aanzienlijk gediend had en grote invloed als raadsheer in het grafelijke hof bezat. Het kasteel Teilingen dat ten noorden van Sassenheim gelegen is was hun woonstede. Zoon Dirk kreeg ook grote invloed in het grafelijk hof en werd baljuw van Holland.                                                                               

                    In de huidige situatie de Ruïne Teilingen bij Sassenheim (afbeelding)

Na een periode van een uitstekende relatie en goed bestuur ontstond er onmin tussen Dirk en Floris V. Dirk, ontevreden over zijn machtspositie, zocht toenadering bij Floris van Avesnes een neef van Floris V en bood hem zijn kasteel “Dirks Steenhuis” in leen aan. Deze daad leidde tot grote boosheid van Floris V. Hij onthief Dirk van zijn taken en joeg hem het graafschap uit.                                                      Dirk overleed in 1282 en dit werd een droevig einde van een van groot goed en onderlinge dienstverlening. Een lijst uit 1283 toont een aanzienlijk overzicht van lenen.[54] De oudste zoon was Willem II van Teilingen (1276-1283) die getrouwd was met Oda van Wassenaar, dochter van Philips I van Wassenaar.  Hij overleed kort na Dirk in 1283. De hoofdstam stierf hiermee uit en over hem is verder weinig bekend. Alleen als aangenomen wordt dat de Orde van St. Jacob in 1279 is opgericht kan aangenomen worden dat Willem II in de orde opgenomen was.                                                                Een laatste mogelijk bedoelde Willem van Teilingen (1287-1308), is in de stamboom aangeduid als de jongere zoon van Simon van Teilingen. Dirk en Simon waren zonen van Willem (I) van Teilingen. Simon moet na 1279 overleden zijn want hij staat daarvoor beschreven in een verweer tegen de abdij van Rijnsburg.[55]                                                                                                                              Meerdere  familieleden raakten door afgunst verwijderd van de Hollandse graaf. Zo is deze Willem betrokken geraakt in de gevangenname van Floris V in 1296. Hoewel hij door de gezagsgetrouwe troepen nagejaagd kon hij toch met moordenaars uit het kasteel Kronenburg ontsnappen. Na de kleinkinderen van Willem I kwamen er geen mannelijke erfgenamen meer. Bovengenoemde Willem die in 1308 overleden is lijkt beter te passen in de rij bedoelde edelen. Op te merken valt dat zijn broer Dirk (1285-1305) ook sterk verdacht werd van de betrokkenheid in de moord en gewantrouwd werd door Jan I. De broers hebben zich als de verraders van Floris V getoond en laten een smet op hun naam na. Het kasteel waarvan nu nog een ruïne bestaat in de buurt van Sassenheim, is een rondwaterkasteel en biedt nog goed de mogelijkheid de vroege vorm te beoordelen.

Dirk/Diederik van Teilingen (1245-1282), zoon van Willem I behoorde tot de zeer vermogende ridders. Hij was bewoner van het stamslot in het ambacht Voorhout bij Sassenheim. Dit fraaie slot was niet alleen zijn bezit er bestond ook nog een tweede huis in het ambacht Warmond. Daarnaast bezat hij de ambachten Poeliën en Waddinxveen, Alblas in het Rijn en Kennemerland.[56] Al in het begin van de dertiende eeuw behoorde de familie tot de groep van hoge adel. Aanvankelijk was Dirk een raadsman van de jonge Floris V en behoorde hij tot een van de voornaamste leden van de grafelijke raad, naast Nicolaas van Cats, Simon van Haarlem en Willem van Egmond. In 1279 sluit hij als raadsheer samen met Nicolaas Cats, Simon van Haarlem in aanwezigheid van het patriciaat van Utrecht en de heren van Zuilen van Beusichem, een overeenkomst waarin tevens vermeld stond dat de elect Jan van Nassau zich geheel uit de zaken van het Nedersticht terugtrok.[57]  Dit was het einde van een lang bestaande strijd tussen de elect en de Stichtse edelen. Floris V had nu de elect in zijn macht.

      Zoals eerder aangegeven was Dirk ontevreden over zijn positie, hij was nota bene baljuw van Zuid-Holland en bestuurder van Zeeland, droeg Dirk zijn leen, het steenhuis in Warmond, op aan Floris van Avesnes/Henegouwen, zoon van Jan I van Avesnes. Deze onverwachte daad was een bedreiging voor Floris.[58] Bezorgd over de nieuw aangegane banden en de zich uitbreidende macht vanuit Henegouwen was het vertrouwen in Dirk geschonden en werd hij van al zijn leengoederen ontheven. De uit het graafschap gejaagde neef van Floris doolde voortaan in Henegouwen rond. Hij overleed korte tijd later in 1282. Zijn kinderen waren Margriet, N.N., Jan (1276-1299) en Willem (1276-1283). Het kasteel (Dirks Steenhuis) vervalt vervolgens aan de grafelijkheid en komt nooit meer in leen. De grafelijke families gebruiken na die tijd  lang het slot als uitvalsbasis en jachtdomein.

      Jan was ook betrokken bij de moord op Floris V, maar kreeg toch een plaats aan het hof van Jan I. De Teiligenfamilie is in de Floris V periode als oud adellijk geslacht zeer machtig geweest en net als bij de Brederodes zijn familiebanden met de graven zeer waarschijnlijk maar niet bewezen. In de tijd dat de jonge Floris hun opvoeding genoot werd zelfs gevreesd dat Floris “een gevangene” was van hun adellijke invloed.[59] Zoals gezegd vervielen alle lenen na de dood van Dirk en zijn zoon Willem kort daarna aan de graaf van Holland wegens het ontbreken van erfelijke opvolging in de rechte lijn.

     Dirk, de oudste zoon van Simon van Teilingen, baljuw van Noord–Holland en neef van de verjaagde Dirk wordt vermeld in de periodes van 1285-1305. Volgens Pama was hij in 1285 nog cnape, maar niettemin zeer vermogend als ambachtsheer van Groensoord en in een deel van Waddinxveen.[60] Hij bewoonde het huis te Warmond. Na de verloren strijd van de Amstels stond hij in 1285 borg voor hen en voor Herman van Woerden na zijn overgave in 1288. Samen met neef Jan van Renesse werd ook hij sterk verdacht van betrokkenheid in de moord op Floris V. Graaf Jan I sloot hem uit als de grafelijke raadgever en hij diende zich te verwijderen uit Holland. Begin veertiende eeuw verdwijnt de adellijke Teilingen lijn geheel.

Een afbeelding van kasteel Teilingen in de dertiende eeuw met een ringmuur en van later datum de Donjon rechts. De afbeelding komt uit Merkwaardige kastelen van J. van Lennep en W. Hofdijk.

In de Vriend des Vaderlands schrijft Marinus Verbrugge  een geëmotioneerd verhaal over hoe het toch mogelijk was dat een van Teilingen als een van de oudste landheren van Holland kon deelnemen aan een aanslag op zijn bloedverwant de graaf Floris V. Helaas zijn in deze beschrijving de namen niet duidelijk aangegeven. Hij noemt Dirk als een van de benoemde twaalf ridders der St. Jacobsorde die zijn meester ombracht en partij van koning Edward van Engeland koos. Deze Dirk was ambachtsheer van Waddinxveen en Poelien met de beden van Voorhout, Sassenheim, Lisse en Hillegom een voornaam ondertekenaar en eerste zegelaar. Ook geven de jaartallen van zegelingen niet duidelijk aan over welk Dirk het gaat, vermoedelijk is het de boven beschreven Simonszoon. Zijn motieven om zich tegen de graaf te keren zouden onder invloed van verkeerde vrienden zijn genomen. Mogelijk de afgunst op de begunstigde Witte van Haamstede en een reactie op de onteerde Machteld van Velsen. Dirk ontsnapte met ballingschap aan de scherprechter die van Velsen en van Zaanden bestrafte. Ondanks dat zijn kinderen gedeelde gunsten van Jan van Avesnes mochten ontvangen stierven zij als moordenaarskinderen in 1345 in de slag bij Stavoren.[61]                                                         

In het Rijnland woonden Jacques XII (1246-1302) en Jacques XIII van den Woude, (1270-1344). Jacob/Jan van der Woude XIII was heer van Warmond. Beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord op Floris V verloor hij naast het kasteel Warmond zijn leen als ambachtsheer van Warmond en Eslikerwoude in 1296. Verdacht was ook dat zijn vader Jacques XII in de tachtiger jaren borg had  gestaan voor Herman van Woerden en van Gijsbrecht Amstel. Dit maakte de familie verdacht in de periode na de moord op Floris V, waarin zijn getrouwen op zoek gingen naar schuldigen. Ten tijde van de regeerperiode van graaf Jan van Avesnes ontstond er een wending. Jacques XII nog altijd trouw aan grafelijk gezag werd geroemd om zijn getoonde moed tegen de gehate bisschop Willem II van Utrecht in 1302 en hij mocht naar met het gezin naar Holland terugkeren omdat de beschuldiging van medeplichtigheid aan de moord werd ingetrokken en hij zijn leengoed weer mocht beheren.                                                                                                                                                                                      Jan van der Woude had zich in de strijd aangesloten bij de Stichtse edelen; Hugo van Vianen, Jan van Linscoten en Sweder van Montfoort die de belaagde burgemeester van Utrecht Jacob van Lichtenberch te hulp schoten in zijn verweer tegen de bisschop op de Hoge Woerd. Op bevel van de graaf van Holland kwamen ook Hendrik de Burggraaf van Leiden met Dirk van Wassenaar, Philips van Montfoort, Simon van Bentheim en Floris van Duven de burgemeester te hulp en werd de bisschop gedood.

Vader Jacques XII was getrouwd met Sophia van Egmond, de dochter van Gerard I van Egmond en was hierdoor de zwager van Willem II van Egmond.[62]  Jacques XIII was getrouwd met Elizabeth van Zuijlen van Anholt, een relatie die ontstond na de gezamenlijke strijd met haar vader in Utrecht. Jacques XIII woonde met de familie in een kasteel, op de plaats van de kerkruïne bij de Oude Toren, nadien is omstreeks 1300 het Huys te Warmond gebouwd.[63] Het geslacht van der Woude behoorde tot de rijkste edelen in het graafschap

Huys te Warmond, het kasteel van der Woude 20e eeuw.                                                                                      

In Krimpenerwaard woonde Didier van der Goude (+ voor 1272) die behoorde tot de aanzienlijke heren van de stad Gouda. In het gebied was dit aanvankelijk een nederzetting maar het werd een plaats met een grote stedelijke ontwikkeling door de uitbreiding van de haven van de Gouwe naar de Hollandse IJssel. Door de  hierdoor ontstane  toegang  ontstond een belangrijk handels en nijverheidscentrum.   De schepen moesten in de haven blijven liggen totdat het waterpeil aan beide zijden van de sluisdeur gelijk was.

In 1243, wordt voor het eerst bij een gesloten overeenkomst tussen kooplieden en graaf Willem II de naam Theodoricus de Ghouda, heer Dirk van Gouda gebruikt. Deze naam komt in de periode tussen 1243-1260 komt driemaal in bronnen voor. [64] Helaas zijn de heren van Gouda niet goed omschreven een duidelijke naam ontbreekt en het is zelfs onzeker wie de vader of wie de erfdochter was. Wel is bekend dat zij de bewoners van een mottekasteel met hofstede waren. De motte was een aarden heuvel met een torenvorming burchttype. Dirk (I) van der Goude (1243) en Dirk II zijn zoon zullen herinnerd worden als de ontwikkelaars van Gouda. In 1272 ontvangt Gouda de stadsrechten van graaf Floris V. Gouda is dan een spil tussen het Sticht en Holland en wordt zo een voorstad van Holland. Over de Dirken is niet meer bekend, wel is er enige historie over Sophie de laatste erfdochter van der Goude die door huwelijk in 1282 verbonden werd met de Zeeuw Jan III van Renesse. In 1272 kwam zij als minderjarige wees onder de voogdij van de Zeeuwse edelman Nicolaas van Cats. Vader Dirk II zou dan al voor 1272 overleden zijn. [65] De opzet van deze voogdij was bedoeld dat Sophie  als huwelijkskandidaat kon dienen voor een van de zonen van Cats, echter door het voortijdig overlijden van de zoon van Cats verviel dit plan. Cats stierf in 1283.                                                              Echtgenoot Jan van Renesse raakt in ernstige strijd met Wolfert van Borselen en wordt een grote verliezer. Eerst raakt hij op beschuldiging van verraad zijn Goudse leen kwijt en later verloor hij Haamstede aan de Witte. Verdreven door van Borselen eindigt hij noodlottig in 1304 door verdrinking. Als Sophie in 1308 overlijdt, krijgt niet de enige dochter Margriet, maar de broer van Willem III Jan van Beaumont alles wat behoort tot de Goudse heerlijkheid. De Hollandse graaf werd eerder de begunstigde derde want het leen van stadsvrijheid verbonden aan Cats en het eigendom van Gouda werd hem door het verloop van de ontwikkelingen toegekend.

Henry burggraaf van Leiden. De burggraaf van Leiden was naast een eerder genoemde burggraaf van Egmond de enige functionaris die deze titel in het graafschap Holland bezat ook Zeeland kende deze titel. In 1204 werd deze titel ingevoerd. [66] De burggraaf was een machtig ambtenaar in Leiden, in 1266 werd de rechtspraak aangepast met Dirk van Teilingen als beschermheer van de twaalf gezworenen.                                                                                                                                        Hendrik was de zoon van Dirk van Cuijk (1240-1253). Als burggraaf was hij heer van Leiderdorp en ambachtsheer van Oegstgeest. [67] Hendrik is geboren rond 1245 en overleed in 1319. In de directe lijn was hij de neef van Jan I van Cuijck en Gijsbrecht IV van Amstel. Hendrik werd genoemd als ridder onder Floris V in 1285 en werd later lid van de delegatie naar Engeland die graaf Jan terug naar Holland vergezelde. Door zijn huwelijk met Halewine ontstond de familieband met haar vader Willem II van Egmond (1248-1304). De dochter van Hendrik trouwde Dirk III van Wassenaar, zoon van Philips III, de zegelbewaarder en raadsheer van Floris V en Jan I. Het werd een machtige en voorname familie die door de huwelijken groot gezag kreeg en groot vertrouwen van de graaf genoot.
Onder de vertrouwelingen bevonden zich Jacques van Wassenaar #. Jacob behoorde tot een van de vijf zonen van Dirk van Wassenaar en staat met de overlijdensdatum 1272 tijdens de eerste veldtocht tegen de Friezen beschreven. Helaas is weinig over hem bekend. Hij kreeg een dochter Jacoba. Van Lynden noemt in zijn brieven wel twee Jacobussen en samen vechten zij voor Floris V in Alkmaar, Oudorp en Heiloo. [68] In de eerder besproken werken wordt een Jacob als ridder van St. Jacob vermeld.[69] Zowel Janse als Janson nemen Jacob in de genealogie op. Het raadsel van een tweede Jacob vormt een ontbrekend element in de historiek van de Orde. In het speuren in de genealogie valt op dat de naam Jacob wordt voorgezet in het huwelijk van Simon van Bentheim en Jacoba van Wassenaar Rosenburch. Is hij de mogelijk ontbrekende Jacob? In het schema is de derde zoon van Jacoba, Jacob van Benthem aangegeven.

Simon van Benthem ± 1260-± 1290 huwt Jacoba van Wassenaer ± 1260-1327 (Haar vader is Jacob van Wassenaar Rosenburch ± 1225-1272, de derde zoon van Dirk I van Wassenaar). De kinderen uit hun huwelijk zijn hieronder weergegeven. De jaartallen vormen soms een obstakel voor tijdsbepaling.        1. Johan van Benthem Rosenborch ±1278-1350                                                                                    2. Willem van Wadenijen (Wakenoye) ± 1280-± 1320                                                                            3. Jacob van Benthem ± 1285-± 1358 gehuwd met Aleidis van Arkel (1300)                                    4.  Ada van Benthem                                                                                                                          5. Herbaren van Benthem                                                                                                                  6. Simon van Benthem  ?-1346

De naam Dirk (Dierck) van Wassenaar levert ook weer het bekende probleem met de vraag wie bedoeld wordt op. Dierck van Wassenaar (1205-1248), de zoon van Filips I van Wassenaar is een eerste telg met de naam Dirk uit het geslacht. Dirk II van Wassenaar, de zoon van Filips II van Wassenaar die geboren is circa 1230 en stierf 1310 is niet uit te sluiten als belangrijk vertrouwensman van graaf Floris V. Na de zoen met van Amstel in 1286 staat hij samen met Hendrik de burggraaf van Leiden, Hendrik van de Lek, Willem van Strijen, Herbaren van der Leede en Gerard van Velzen met in totaal 120 manschappen garant voor de verdediging van de graaf bij een tegenaanval van de heren van Amstel. [70] Hij was ambachtsheer van Voorburg, bezat de rijkdom van het Huis ter Horst in Voorschoten en had grond in Zoetermeer.

 

Het eerste huwelijk was met de kleindochter van Dirk I van Brederode en na haar overlijden huwde hij de  dochter van Jan van der Woude Sophie en zo verbond hij zich met het rijke geslacht uit Warmond. Zijn  kinderen waren Arent de kasteelheer en Machteld die abdis  in de abdij van Rijnsburg werd.

De graftombe van Dirk II van Wassenaar in de St. Janskerk te Utrecht met vier wapens. Opmerkelijk zijn de wapenschilden v.l.n.r. het eerste Wassenaar, tweede een niet bekend wapen, het derde hoort bij Egmond en het Andreaskruis is een vroeg Wassenaers/Duivenvoorde wapen.[71]                                                                                                                                               








Rechts het zegel van Dirk I (1237) met de vijf dwarsbalken met het Andreaskruis, het wapen is door Filips I in halve manen omgezet. Dirk II moet gezien worden als de bedoelde belangrijkste ridder onder Floris V.

 Waar hadden de Wassenaars een huis of een burcht? Ervan uitgaande dat het kasteel Wassenaar  samen met Rijnsburg en Leiden tot de verdedigingswerken in het mondingsgebied van de Oude Rijn behoorde, is uitgebreid gezocht naar een eerste burcht. Helaas  toont het onderzoek in het begin van de negentiende eeuw geen sluitend bewijs over een verdedigingswerk in drie veronderstelde locaties.   “De Burch”, of groene heuvel lijkt het beste in het beeld te passen als bewoning van de eerste leden van het geslacht Van Wassenaar;  Doede en Kerstant de Drossaart uit de periode 1167-1189. Nadien werd de woonstede het kasteel Ter Horst tot 1500.[72] De genealogie van de van Wassenaars begint na Dirk I met de vier zonen: Philips II van Wassenaar, Dirc van Sandhorst, Jacob Dirc van Sandhorst, Jacob van Wassenaar en Arent van Wassenaar.

Een niet minder belangrijke familie in die tijd zijn de Raaphorsten met “eigen riddergoed”. Ook zij dragen het huis met toebehoren op aan Floris V en ontvangen het in leen terug.[73]      In de tabel is de afkomst van de Raaphorsten, de van Wassenaars en de van Duivenvoordes voortkomend uit grootvader Kerstant weergegeven. [74]                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     

 

Didier van Raaphorst # (1261-1272) is gesneuveld in Vronen/ Heiloo, hij is de zoon van  Kerstant van Raaphorst. Ook zijn broer Gerard van Raaphorst # (1269-1272) sneuvelde in Heiloo in de veldtocht tegen de Friezen. Een van de twee liet drie kinderen na. De eerste zoon is Gerard van Raaphorst(1253-1328). Hij wordt beschouwd als de zoon van Dirk van Raaphorst die getrouwd was met Agnes van Duivenvoorde, dochter van Arent van Duivenvoorde.  [75]  Uit dit huwelijk worden zeven kinderen geboren waaronder Dirk van Raaphorst ( 1280- 1350),  ridder, hoogheemraad van Rijnland en lid van de raad van Floris V. Dat hun macht snel toeneemt blijkt wel uit het feit  dat  hij zich  in 1300 borg stelt voor Jan II  van  Holland en in 1306 wordt hij baljuw van Kennemerland. Zijn broer Kerstant van Raaphorst is gezand  voor de graaf bij Edward I i.v.m. de huwelijksvoltrekking van van graaf Jan I. Kerstant had in 1290  zijn woning, maar niet het stamslot opgedragen aan de graaf. [76]

Catharina van Raaphorst zou getrouwd zijn met Hugo van Velsen de broer van Gerard van Velsen.  [77]  de precieze familiegeschiedenis is niet te achterhalen. Anderen dan Jacobus Kok vermelden Kerstant  als zoon van Dirk (Didier).[78]  De Batavia Illustrata vermeldt ook een Gerard van Raaphorst als baljuw  van Kennemerland in 1306, die in 1328 stierf op 75 jarige leeftijd. In 1272 was hij 19   ook in de slag bij Vronen betrokken, dit blijft gissen informatie ontbreekt. Een andere tak van Wassenaar   is verbonden aan de naam Duivenvoorde, verwijzend naar een  doorwaadbare plaats  in het  riviertje de Dobbe gekoppeld  aan duve of Duive, voor  het eerst vermeld in  1226 als leengoed van Wassenaar. [79]  Het oude huis dat op een  duinrug gebouwd was had  een toren met  twee  meter dikke muren waaraan later vleugels gebouwd werden.                                                                                                                                                                                                                                                                       Floris van Duven, Floris van Duivenvoorde (1282-1301) was de derde kasteelheer van Duivenvoorde. Hij was de  kleinzoon van Filips I van Wassenaar en zoon van Arent, ridder onder rooms-koning Willem II.

Zijn vader ging zich naar zijn leengoed Duvenvoorde noemen dat hij door broederdeling had ontvangen.  Floris was betrokken bij de moord op Wolfert van Borselen. De vetes met de Zeeuwse edelen laaiden hierna  stevig op en de van Borselen vermoordden Dirk van Santhorst, zijn neef en Wouter en Floris van Duivenvoorde.

De zoon van Filips III, Jan neemt ook de naam (Duivenvoorde) Polanen over en na 1326 van de Lek, verbonden aan heerlijkheden in de Krimpenerwaard en Alblasserwaard. Jan (II) wordt voor het eerst in een bron in 130 vermeld. Geschat wordt dat hij leefde ussen  1285 en 1342. Hij huwde Catharina van Brederode en  was zeer vermogend. De familie  bezat  een kasteel in het gebied tussen Monster en Loosduinen en een winterhuis in Capelle aan den IJssel.

Tot deze familie behoorde ook Jan van der Lek en de heer van Polanen. Hoewel dit een belangrijke  familie was wordt deze door het ontbreken op de ridderlijst niet uitvoerig besproken. Jan van Duivenvoorde (1226-1248) is de kleinzoon van Philips (II) van Wassenaar van Duivenvoirde (1215-+ 1248) en Florentia van Rijswijk. De zoon van Jan heet weer Philips (1248-1301). De toevoegingvan der Lek volgt pas in de 14e eeuw. Zoals boven beschreven is Arent de broer van Jan (I). Arent wordt de  eigenaar van Duivenvoorde en daarna volgen in die lijn zijn zoons Floris en kleinzoon Arent II. In de lijn van Jan draagt zijn zoon Filips  IIII, (1291-1307) voor het  eerst de naam Polanen  door het huwelijk met Elizabeth vrouwe van Vianen en Polanen, dochter van Zweder van  Beusichem-Vianen.

Het geslacht Polanen heeft takken in Hollandse en Brabantse adel. De Polanen beleefden  een hoogtepunt en daarna een teloorgang in de veertiende eeuw door de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Vanaf 1326 is de pandheer van de Lek en vanaf 1339 de pandheer van Breda. In 1347 komt Asperen ook in het bezit van de Polanen. De bastaard van Filips II, Willem van Duivenvoorde  (1290-1353) geeft stadsrechten aan Vianen.

De namen Jan en Philips komen veelvuldig voor in de stamboom van het geslacht Wassenaar en de genealogie is in de loop der tijd veelvuldig aangepast. De hier aangegeven Jan I en Jan II passen het beste in de tijd van Floris V maar dan zonder de naam Polanen of de Lek.

Kasteel Raaphorst naar Roghman 1646, verbouwd vanaf de twaalfde eeuw.

Willem van Duivenvoorde /Wassenaar /Duivenvoorde/Polanen

Het kasteel Polanen (1295)( afbeelding links) is in 1351 door de troepen van Willem V verwoest.  De tekening uit 1620 toont de herbouw. Foto Westlands Museum. Een donjon uit de dertiende eeuw en een gracht.

Het geslacht Arkel met de afbeelding van het wapen rechts

(Johan) Jan van Arkel, Jan II, of IX van Arkel, was een bekwaam ridder en vocht in 1282 aan de zijde van Floris V tegen de West-Friezen. Hij had zich in 1288 onder de hertog van Brabant tegen de legers van Gelre geschaard in de slag bij Woeringen. Beide vorsten beloonden zijn moed door Gorinchem te land en te water vrij van tol te verklaren. Floris beloonde Jan met een opname in de Orde van St. Jacob in 1290. Zijn vader Jan I (VIII) werd de Sterke genoemd, zo sterk dat hij hangende aan een balk met zijn benen een paard kon optillen. Jan I werd begraven in de graftombe in de kerk van Gorinchem en de tombe is daar nog te vinden. Na de moord op Floris V werd hij volgeling van graaf Jan I maar sneuvelde helaas in 1297 in de slag bij Vronen tegen de West-Friezen.[80] Alle bekende Arkels hadden zich altijd trouw geschaard achter de graven van Holland in veldtochten of pelgrimages.[81]                                                                                                                                                

In 1272 was Gorinchem door de Arkels gekocht van de graaf van Benthem en werd dit in 1290 opgedragen aan Floris V. Van Arkel had het slot te Heukelom laten bouwen.[82]       

Huguer (Hugo) Butterman heer van Bottersloot, behoorde ook tot het geslacht van Arkel.Ook hier is het weer zoeken naar de meest passende naam. De Batavia illustrata (848) beschrijft slechts een Butterman/Bottersloot uit de twaalfde en dertiende eeuw met de naam Hugo. Hij wordt met zijn broer Jan van Arkel VI in 1144 verslagen en gedood. Zijn zoon Herbaren vermeld in 1250 krijgt toestemming tot uitbreiding van land.

Ook van der Aa heeft gedocumenteerd dat Hugo Botter een vermaard ridder en veldheer was die helaas in 1144 sneuvelde. [83] Hij was het die de Bottersloot heeft laten graven, een sloot die liep van de Vlist naar Schoonhoven. Later krijgt hij ook nog aangrenzend land in bezit. Een mogelijke afstammeling van hem is een later geboren Hugo Botter of Huyg Botterman, die mee vocht in de Gulden Sporenslag te Kortrijk en overleed in 1302.[84]                                                                                                                                                         

De indeling uit het schema II van Waale (onder) geeft Hugo Botter (1277-1280) aan als zoon van Jan I van der Lede, de tweede zoon van Herbaren I van der Lede. Waale is ondanks speuren niet in staat geweest de heer van Schoonhoven met Hugo Botter te verbinden. De jaartallen geven hiervoor geen voldoende aanwijzingen en de familiegeschiedenis van de Arkels is hiervoor te onvolledig.Teisterbant wordt beschouwd als het gebied van waaruit de Arkels zich met hun bezittingen ontwikkeld hebben. Het is een landstrook op de grens van Gelre, het Sticht en Holland en is omringt door rivieren, in het zuiden de Merwede, in het oosten de Linge tot aan Leerdam en in het westen de Giessenrivier. [85] Vele plaatsnamen en heerlijkheden worden aan de naam Arkel gekoppeld om de familie takken naar afkomst en plaats benoemen. Dit maakt het wel mogelijk de uitgebreide familie in te delen geheel sluitende informatie is moeilijk te achterhalen.

Jan van Heuckelom/Heukelom, Jan I (1265- 1312) is de zoon van Otto van Arkel van Heukelom en Asperen en wordt in 1293 beschreven.[86] De naam Heukelom ontstaat naar de benaming van een oud Teisterbands kasteel gebouwd door Jan van Arkel VI. Jan van Heuckelom sneuvelde in de slag bij de Ane met Otto II de bisschop van Utrecht. Otto van Arkel de jongste zoon Jan VIII of Jan I wordt in 1272 als de eerste heer van Heukelom vermeld. Jan IX/II heeft Heukelom verder bemuurd en tot een stad gemaakt.[87] Hoewel de dubbele benaming met Romeinse cijfers herhaaldelijk gebruikt wordt, blijft het genealogisch schema der Arkels van Waale het uitgangspunt, te beginnen bij Jan I. De nummering daarvoor, d.w.z. onder IX aan de naam van Jan verbonden, is niet betrouwbaar.

Van Waale gebruikt vier indelingen voor de genealogie van Arkel: Van der Lede Arkel--- Arkel Noordeloos---Arkel van den Berghe--- en Arkel Asperen Leijenberg.

De zonen van Herbaren II, uit het geslacht van der Lede Arkel splitsen zich in:                                      1. Jan I van Arkel  2. - Herbaren van Arkel van den Berghe                                                                      3. - Otto I van Arkel van Heukelom van Asperen  4. - Hugo Botter van Schoonhoven.

Om te zoeken naar de meest passende ridder is hieronder een analyse gemaakt, want de genealogie wordt in diverse werken niet hetzelfde weergegeven. Wouter van Gouthoven neemt Otto heer van Asperen en Arnoud heer van Asperen zijn broer, maar in zijn lijst op dit is verwarrend. Het is maar de vraag is of zij Floris V in zijn tijd dienden want Otto van Asperen is weergegeven in 1344 en Arent in 1331/36 en dit zijn geen passende jaartallen. Gaan we uit van Waale dan zijn de personen die hiervoor in aanmerking komen: Otto I heer van Heukelom en Asperen (genoemd in 1269, 1272 en 1280) als de stamvader met zijn zoon Jan I heer van Heukelom 1293. Van Gouthoven noemt slechts Otto zonder de toevoeging Acquoy. Deze Otto met broer Jan I de sterke, is ook beschreven door Beeloo en past beter in het tijdsbestek, zij zijn de eerder genoemde zonen van Herbaren II. In 1313 draagt Otto zijn heerlijkheid aan de graaf van Holland op.

Otto II van Asperen en Abcoy (Acquoy) geboren in 1270 en in 1345 gesneuveld bij Warns, huwt Aleida van Avesnes. Het landgoed Acquoy ligt in de West Betuwe in de nabijheid van Asperen en Leerdam.   Otto II behoort tot de generatie Arkel-Heukelom-Asperen en heeft als stamvader Otto van Arkel (1269-1272) en is ook een zoon van Herbaren, zijn zonen zijn;                1                                                                            1.Jan I eerste heer van Heukelom, (1293).                                                                                                  2. Otto heer van Asperen, 1344.                                                                                                                3. Arent/Arnoud heer van Leyenburg, (1331-36).                                                                                        4. Herbaren, overleden in 1333. Hij  heeft als  zoon  Otto II heer van Acquoy ( 1333-1382). Ook deze heren lijken geplaatst te worden buiten de Floris V periode. Afgaande op Ferwerda worden door hem weer andere jaartallen vermeld en de door hem aangeven Arnoud lijkt dan niet in deze familie te passen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    Samengevat zijn de door de schrijvers aangegeven ridders wel afkomstig uit het geslacht Asperen maar niet als een geheel in een tijdsperiode te plaatsen.                                                                                    De ridders uit de lijst van le Petit zijn Jan I van Heuckelom en de zoon van zijn broer Herbaren, Otto van Acquoy. De ridders beschreven door W. van Gouthoven zijn Otto van Asperen (broer van Jan I) en Arent of Arnoud kasteelheer van Leyenburg. De naamgeving Otto II van Asperen & Abcoy /Acquoy behorende tot de hofstede past geheel niet in de 13e eeuw. Acquoy was een leengebied van de heren en de vrouwe Catharina van Voorne tot 1372. Na een verpanding van tien jaar koopt Otto van Arkel het gebied Asperen en wordt hij leenman van de graaf van Holland.[88]                                                                              Het gebied van Arkel omvat dan Gorinchem met de burcht, Arkel, Heukelom, de heerlijkheid Acquoy, Asperen en Leerdam. Deze gebieden liggen opgaand van het zuiden naar het noorden aan de rivier de Linge. In 1364 verpand Catharina van Voorneburgh haar huis en burcht te Acquoy voor 10 jaar aan Otto van Arkel. In 1386 wordt het beleend aan een Herbaren van Heukelom in 1410 verkoopt hij het.[89]                  Otto II van Asperen Acquoy en zijn broer Arnoud vallen volgens het schema van Waale buiten de Floris V periode. Arnoud van Asperen,stamt uit het geslacht van Jan I als tweede zoon met de titel Arnoud heer van Noordeloos. (1289-1307). Zijn broer was Jan II, die sneuvelde bij Vronen.

Een bijzondere telg is Peregrin (Peregrym, Pelgrom, Pilgrim, Pelgrim) heer van Lederdam. Door Ferwerda wordt Folpert, genaamd Pelgrim, zoon van Folpert heer van Asperen van Leerdam, als een diabolisch figuur die de familie-eer geschonden had en voor straf verdronk beschreven.  De genoemde jaartallen 1167 en 1204 passen niet in de periode van de Floris tijd en het verhaal met de gedaante van een zwart paard betreffende Folpert is ook uitermate duister. Hij komt alleen in de lijst van Wouter van Goethoven voor en wordt door de andere schrijvers niet vermeld.

Het gebied Lede lag op de plaats van het huidige Leerdam. De naam Herbaren (van der Lede) geeft ook aanleiding tot verwarring. De eerste heer van der Lede is Herbaren I (1140-1200), wordt opgevolgd door Jan I van der Lede en Schoonhoven, (Herbaren III?). De laatste heer is Jan II van der Lede die met Jan van Renesse op de vlucht voor de Hollanders in 1304 verdronk. Daarna wordt de door de familie van Arkel naam Leerdam gehanteerd. Leerdam kreeg stadsrechten in 1382.

In andere documenten wordt Pelgrim in de bedoelde Floris V tijdspanne weergegeven. Pelgrim zou de bouwheer van het kasteel te Leerdam geweest zijn. De naam komt terug in de Rijmkroniek. Melis Stoke vermeldt de borgstelling van Pelgrim en Herbaren van der Lede die door hen toegekend zijn bij  de verzoening in 1285 tussen Floris V en de heren van Amstel.                                                                      De Amsterdamse historicus Wagenaar beweert zelfs dat Jan en Pelgrim van der Lede met anderen al gevolg van de omgeslagen boot in de Lek in 1304 zijn verdronken. [90] In de beschrijving van de familie van Arkel in het werk Merkwaardige kastelen, wordt het niet onmogelijk geacht dat Pelgrim een jongere broer was van Jan heer van der Lede die met hem op de vlucht verdronk en er zouden ook nakomelingen bestaan die ook de naam van der Lede weer dragen, terwijl nu aangenomen wordt dat na Herbaren II van der Lede de naam in van Arkel veranderde.[91] De conclusie is dat Pelgrim behoorde tot de belangrijke Arkel tak en zo tot de belangrijke adel. Zonder houvast van een schema is de genealogie nauwelijks te volgen daarom ter afsluiting een schema waarin de voornaamste familietakken zijn weergegeven.

                                              Herbaren van der Lede

                                                         | Folpert (zoon)

______________________________________|________________________________________

Herbaren II van Arkel  4 zns.----broer      Jan I van der Lede Schoonhoven  (zoon   Herbaren III )                                                                I                                     ||                                                |||                                    IIII                                        Jan I --      Herbaren van der Berghe --- Otto van Heukelom ( zn. A. van Leyenburch) ----Hugo Botter                                   |                                                                                                                                                                          Jan II (zoon)        (broer) Arnoud van Arkel Noordeloos   |         (broer) Pelgrim?     |                                                             |                                                                                                                                

Jan III (zoon) X Mabelia van Voorne

 

 

Een romantische afbeelding van het slot Arkel direct verbonden met de stad Gorinchem. De huizen rondom symboliserende de familietakken.

Zegels van diverse personen: 1290-1297] [afbeelding] / THJ [= T. H. Jelgersma] ad archetijpa del; D.Coster sculp. - Haarlem: Izaak en Johannes Enschede; Jan Bosch, 1751. - 1 prent op papier: kopergravure; afb. 30x18 cm, blad 38x24 cm Illustratie uit: Handvesten en Privilegiën der Stad Haerlem; p.30 a-b. Zegel en tegenzegel van graaf Floris V, 1290. - origineel: Charters Van Woerden 1A4 c-d. Zegel en tegenzegel van graaf Jan I, 1297. - origineel: Charters Van Woerden 1A51 e-j. Zegels van Diederik van Brederode, Willem van Egmond, Nicolaas Persijn, Gerard van Egmond, Willem van Haarlem en Gerard van Heemskerk, 1297. - originelen: Charters Van Woerden 1D134 Identificatienummer: 53-000003 K

 

Gijsbrecht IV van Amstel Zegel

 

 

 Jan I van Arkel begraven in de kerk in Gorinchem

Jan III van Heusden (-1306) is afkomstig uit een Brabants riddergeslacht en blijft als ridder niet onbekend. Ook in zijn geval ontstaat weer de puzzel welke Jan bedoeld wordt want de naam komt in de familie veelvuldig voor. Jan III stond aanvankelijk op goede voet met Floris wegens het beheer van het leengoed en de verleende vrijheden. Hij was door zijn huwelijk familie van Jan van Cuijk en van neef Arnold van der Sluis, bekend als een zeer eerzame ridder. In de oorkonden staat beschreven dat hij met anderen borg stond voor Herman van Woerden die met Gijsbrecht van Amstel in opstand was gekomen en voor zijn leven vreesde.[92]                                                          Jan vocht mee in de slag bij Woeringen evenals enkele leden van zijn familie onder bevel van Jan van Cuijk. Jan III draagt in 1290 met grote tegenzin zijn stad op aan Floris V en ontvangt deze in leen terug, maar onmin en verzet groeit. In 1296 verbreekt hij het onderleenverband met Kleef over Heusden en het land van Altena met Holland. Ondanks sterke verdenking van medeplichtigheid in de moord blijft hij ongemoeid door graaf Jan I.

Jan van Avesnes de opvolger van Jan als graaf van Holland beschuldigt Jan openlijk van samenzwering en schuld aan de moord op Floris V en roept op tot wraak.[93] De geschiedenis vermeldt geen vergelding. Jan III was getrouwd met Aleida van Cuijk en was vermoedelijk om politieke redenen opgenomen in de Orde van St. Jacob. Het is ook mogelijk dat Jan II van Heusden bedoeld is die gehuwd was met Aleid Persijn, hij is echter veel minder bekend dan Jan III. Zij hadden een dochter Alveradis die trouwde met Dirk Drossaard, uit de tak Teilingen de stamvader van de Brederodes. [94]

Tot de familie behoorde ook Jan van Heesbeen ook een ridder uit Brabant.Hij was Jan van Heusden, de Jonge, zoon van Jan VI van Heusden en Catharina van Loon. Zijn erfdeel was de ambachtsheerlijkheid Heesbeen in het Land van Heusden waar hij een kasteel liet bouwen na 1260. Dit was gelegen tussen Waalwijk en Bretsche Maas. [95] Ook hij vocht met Jan en Dirk van Heusden mee in de slag bij Woeringen. Een neef vanJan van Heusden was Arnold heer van der Sluis, ook een ridder uit Brabant en opvolger van zijn vader Hendrik van Heusden behorende tot de familie van Heusden, (overleden 28-11-1294). Als held verkreeg hij grote roem in de slag bij Woeringen onder aanvoering van Jan van Cuijk. Hij was leenman van Jan II van Heusden. In een tweede huwelijk trouwde hij met Agnes van der Leck en werd vader van twee dochters. Arnold was vermogend want in 1290 stond hij borg voor de ridders Jan en Hendrik van Cuijk en in 1293 borg voor Floris V die een verdrag met de elect van Utrecht sloot.

Arnold was het voorbeeld van een ridder die bekend stond als het voorbeeld van ridderlijkheid.[96]
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            Heusden                                     Heesbeen                                        Sluis

Albregt heer van Voorne (1261-1287) was heer van Voorne en burggraaf van Zeeland behorende tot een hoog adellijk geslacht. [97]  Het oudste deel van wat nu Voorne Putten heet behoorde tot Oostvoorne dat een eiland vormde met Goeree. Als opvolger van Hendrik van Voorne huwde hij Aleid van Loon, de dochter van Arnold IV van Loon.

Albregt behoorde tot het hof van de Hollandse graaf. De Voornes hadden een belangrijke rol gespeeld in de opvoeding van de jonge Floris, want Albregt was niet veel ouder dan Floris V en de regentes Aleide liet de twee jaren lang met elkaar laten opgroeien.[98] Hij was landheer over een klein maar zelfstandig gebied en werd een van de belangrijkste raadgevers van Floris V. De grafelijke macht werd door hem vertegenwoordigd als burggraaf van Zeeland en hoewel er voortdurend onrust was onder de Zeeuwse edelen was Albregt hierin een stabiele factor. Hij trouwde na het overlijden van Aleid met Catharina van Durbuy. Toen Albregt overleed in 1287 bleef zij met drie kleine kinderen achter. Als alleenstaande kwam zij onder bescherming van Floris V en hij schonk de aantrekkelijke dame de heerlijkheid Teilingen. Daarnaast ontving zij het beheer van Voorne.

De oudste dochter Mabelia trouwde met Jan III van Arkel (1297-1326). Zoon Gerard trouwde Heilwijf van Borselen en na 1337 stopt deze familielijn. De zuster van Albregt was getrouwd met Costijn van Renesse, vader van Jan II van Renesse (1267-1293). Catharina van Durbuy huwde in 1297 Wolfert van Borselen.

Op de afbeelding is de Burcht Oostvoorne te zien een motteburcht gebouwd 1190. De naam Voorne komt in de besproken adellijke geslachten terug, zo komen er huwelijken voor in het geslacht van Cuijk, Brederode, van Renesse en Borselen.


Ghijsbrecht IV van Amstel (1230-1303) was de zoon van Gijsbrecht III en Aleida van Cuijk. Het familieslot was gelegen in Ouderkerk aan de Amstel, ter hoogte van de nu bestaande joodse begraafplaats. Traditioneel diende hij als rentmeester/dienstman van Utrecht. In de loop der tijd wordt hij volgeling van graaf Willem II en na diens dood raadsheer van de jonge Floris V. In 1252 volgde hij zijn vader op en als 18 jarige steunde hij, uit op toename van bezit, de oorlog tussen Willem II en de bisschop Hendrik. Na zijn eerste conflict in 1257 met de bisschop is hij de grote verliezer, Willem II is dood, Floris de Voogt staakt de strijd en Gijsbrecht ondergaat een vernederende confrontatie met een hoge boete. Knielend in wollen kledij verschijnt hij voor de bisschop om vergiffenis te vragen.                      De tijden veranderen en als Stichtse ridder wordt hij samen met Simon van Haarlem en Dirk van Teilingen in de raad van Floris V opgenomen. Geridderd door de graaf van Gelre bleef hij leenheer van de bisschop van Utrecht en zijn onafhankelijkheid was hierdoor gewaarborgd. Dit onder andere uit zijn betrokkenheid in de boerenopstanden van de Kennemers en de Waterlanders in de perioden 1268-1273 tegen de zwakke nieuwe bisschop Jan van Nassau. Herhaaldelijk was hij aanvoerder in opstanden tegen de bisschop van Utrecht, die ten slotte een uitweg zoekt. In een overeenkomst met de bisschop verpandt hij kasteel Vredelant. Deze verzoening is niet van lange duur want de bisschop meent het kasteel in te kunnen nemen. Na een jaar wordt de saboterende bisschop verdreven door Gijsbrecht. Floris besluit dan Jan van Nassau te steunen en de grote legers onder aanvoering van Jan van Renesse verslaan zij Gijsbrecht bij Loenen in 1280 waar hij samen met Arnold het slot Vredelant verdedigde. Floris wil macht en rust in het Sticht en zet hen 5 jaar voor straf in Zeeland gevangen. In 1285 is er een verzoening met de broers en zijn er afspraken over vrede en wordt Gijsbrecht van Amstel leenheer van Holland en Arent heer van IJsselstein. De gespannen situatie blijft bestaan en er breken weer gevechten uit. In 1288 verslaat Floris V Gijsbrecht en zijn broer Arent van IJsselstein in een kortdurende opstand tegen de bisschop van Utrecht. De graaf wil zijn tegenstanders in de gaten blijven houden en vergeeft hen ditmaal hun verzet. De bisschop van Utrecht ziet hij ook het liefst aan hem ondergeschikt. Met de verzoening krijgen zij hun Amstellandse bezittingen terug en Gijsbrecht krijgt in 1290 een hoge plaats in de raad van Floris V.[99]

De onrust onder de edelen groeit in de loop der jaren en in een samenzwering met anderen wordt in 1296 Floris V vermoord en Gijsbrecht vlucht naar het buitenland. Hierdoor verliest hij al zijn bezittingen maar kan na jaren beschermd wonen in Den Bosch, zich in de Betuwe vestigen. Zijn zoon Jan keert terug en wordt in Amsterdam als de heer van Amstelle aanvaard. In 1304 raakt Amsterdam betrokken in de strijd tussen Holland en Vlaanderen om de bewesten Schelde en er vindt er een beleg plaats. Ondanks de geplaatste verdedigingswerken moest Jan vluchten voor de aanvallende Kennemer-boeren die samen met Hollandse edelen Amsterdam vrij van de Amstels wilden houden en de graaf bleven steunen. Hieronder is een weergave van een deel van de stamboom van Amstel:

Gijsbrecht III ( 1200-1252) huwde de dochter van Albert van Cuijk, burggraaf van Utrecht.

Hun kinderen zijn:                                                                                                                                 1. Gijsbrecht IV van Amstel, hij huwt Johanna dochter van Jan II van der Lede? Uit dit huwelijk wordt zoon Jan I van Amstel geboren. Volgens ter Gouw huwde hij Badeloch van Woerden.[100]                         2. Willem van Amstel (1235-1293), Proost van de St. Jan.                                                                     3. Elizabeth of (Badeloch?) van Amstel huwt Herman IV van Woerden (1240-1297), volgens Groebe was    zij in 1290 een non in het Wittevrouwenklooster in Utrecht.[101]                                                         4. Arnold/Arnoud van Amstel ( 1240-1291) IJsselstein, hij  huwt Johanna N.                                            Hun zonen zijn Gijsbrecht van IJsselstein en Arnold van Benschop.

 De afbeelding toont het oude wapen van de heren van Aemstel en Aemstelland; een gouden veld met vier zwarte dwarsbalken. Het wapen van IJsselstein en Mijnden heeft hierover een geblokt rood wit Andreaskruis. Spaen beschrijven in de historie der heeren van Amstel dat het wapen van Aernout van Amstel IJsselstein samengesteld werd met een balk onder het kruis. Rond het oude wapen is de keten van de Orde van St. Jacob te zien. [102] De van Amstels hadden na 1280 in het hart van Amsterdam een kasteel, in Ouder-Amstel en in Utrecht mogelijk op de huidige plaats van vestiging van de Munt.

Een niet onbekende naam in de vaderlandse geschiedenis is Herman van Woerden. Hij was net als van Gijsbrecht van Amstel een afstammeling van de geslachten die behoorden tot de bisschoppelijke dienstlieden. Het slot te Woerden was door de bisschop Godfried van Reenen in 1160 gebouwd als grensvesting tegen het graafschap Holland. Hij was verwant aan de Brederodes door zijn huwelijk met Elizabeth van Brederode, de dochter van Willem van Brederode en Hildegonde van Voorne.[103] Het leen Woerden werd uitgebreid met Harmelen, Kamerik en Zegveld. In 1279 werd Herman heer van het rechtsgebied Woerden als leenman van de bisschop van Utrecht. Daarvoor waren er regelmatig conflicten over leengronden.                                                                                                               Gijsbrecht en Arnoud van Amstel, Zweder van Abcoude en Herman van Woerden knape, beloven in 1274 de stad Utrecht te zullen bijstaan en te handhaven. Dit is een waarborg na een periode van opstanden tegen de bisschoppen.[104] Nadat hij verslagen is met van Amstel in 1280 wordt Woerden leen van Holland. In 1292 wordt hij ridder genoemd. Hij is kasteelheer van het slot te Montfoort, een onderpand van de elect Jan van Nassau. Als hij Gijsbrecht IV van Amstel in 1288 te hulp schiet, die Vredelant bezet houdt als pandrecht op de bisschop elect, worden beiden verpletterend verslagen door het immense leger. Van Woerden wordt door Floris V vernederd met de inname van al zijn bezittingen en de straf is genadeloos na een jaar beleg van het kasteel. De bewoners van Montfoort worden op twee na allemaal vermoord. De Amstels worden gevangen genomen, maar Herman van Woerden weet te ontsnappen.

Ook hij heeft zich na terugkeer in 1288 met de graaf en de bisschop verzoend, hij krijgt zijn bezit terug en krijgt zelfs een raadszetel bij de graaf. Daarvoor moeten wel de nodige hoge edelen voor hem borg staan mocht het weer tot een verbroken belofte komen in een gewapend conflict met de graaf van Holland. Alles lijkt op een geslaagd vredesakkoord totdat hij zich in 1296 aansluit bij de groep die Floris V wil ontvoeren en te dwingen weer de kant van Engeland te kiezen. Helaas eindigt dit in moord.

Gerrit van Harmelen.

De heerlijkheid Harmelen behoorde toe aan de heren van Woerden, later wordt het van Zuylen van Harmelen genoemd. Het kasteel Harmelen is gesticht door een telg van het geslacht van Woerden wiens familie vervolgens de naam Harmelen gingen dragen. Door huwelijk van Aleid van Harmelen en Dirk van Zuylen ontstond Harmelen met Zuylen. Dirk I van Zuylen was heer van het huis Harmelen Batestein in west Harmelen. Na Dirk werd Zweder met leen van de abdij St. Paulus de heer van huis en in volgt 1460 Gysbert van Zuylen. De ridderhofstad lag buiten “Hermale”. Dit omvatte een woontoren met uitbouw en werd als Huize Harmelen aangegeven. Gerrit van Harmelen, is geboren als Gerrit van Woerden en nam later de naam Gerrit van den Vliet aan. Hij was de zoon van Herman V van Woerden, schout van den Vliet en Badeloch van Amstel en de broer van Herman VI. Hij is in 1314 overleden en of Gerrit het kasteel te Woerden gesticht heeft is niet duidelijk, wel heeft hij in Oudewater een kasteel te Vliet laten bouwen. [105] Na de moord op Floris V vervielen alle leengebieden van de familie van Woerden terug aan de graaf van Holland. Gerrit werd sterk verdacht van betrokkenheid maar was niet medeplichtig aan de moord. Le Petit schrijft in zijn lijst M. Gerard de Harlem, in de Franse tekst. Van Gouthoven schrijft de naam Gerrit van Harmelen evenals Cornelus Aurelius XXI in zijn Divisie kroniek capittel 1517, van Leeuwen in de Batavia Illustrata (1685) blz. 742 en in de Reijgersberg kroniek.

In de regio woont een Huyge (Hubert, Hubrecht)van Vianen die opvalt door de vermelding in diverse oorkondes waarin hij zich met een aantal Stichtse edelen in 1294 aan Floris V bindt. Zij beloven hem onder zekere voorwaarden te dienen en te helpen. De ondertekenaars zijn Hubrecht van Vianen, heer Splinter van Boesinchem, Gijsbrecht van IJsselstein en Zweder van Vianen. Hubrecht tekent als derde met nog zestien andere ridders in 1298 een zoenbrief tussen enige Stichtse edelen en de graaf Jan van Holland.[106]

De heerlijkheid Vianen behoorde eerst tot Teisterband, het gebied tussen Sticht Utrecht, Gelre en Holland. Vermoedelijk is er na 1250 een kasteel (castrum suum Vyanen) gebouwd en komt er in 1271 marktrecht. Zijn voorouders hielden zich intensief bezig met bedijking en waterregulering van de Lek. De families van Arkel en Vianen werkten hierin samen. Hubrecht van Vianen (1245-1318) was de zoon van Zweder I van Boesinchem van Vianen en Margaretha van Vlootstale. Zweder (1225- ?) is de stamvader van de heren van Vianen. Hij wordt bekend in zijn steun aan Floris V die Jan van Nassau te hulp schiet in zijn belegering van Vredelant. Zweder, ook Sweder van Boesinchem geheten was de tweede zoon van Steven van Boesinchem die gehuwd was met Mabelia van Abcoude. Zweder behoorde tot de Stichtse heren met Zweder van Abcoude en Willem van Rijswijk die door Hugenholtz de Zuilen-clan genoemd worden.[107] Hubrecht koopt van Floris V het hele dagelijkse gerecht in Vresewijck in pand. Hij staat in 1292 mede borg voor Arnoldus de Ercle (Arkel), heer van Noordeloos voor een beoogde pacht.

In de regeringsperiode van graaf Jan I komt hij sterk onder invloed van Wolfert van Borselen en krijgt als opdracht het kasteel van IJsselstein in te nemen. Na meer dan een jaar belegering volgt de overgave en wordt de heerlijkheid een leen van de graaf. In 1303 wordt hij als maarschalk van Utrecht genoemd. Anderen vermelden zijn dood in 1302 bij Kortrijk.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                             Gijsbrecht van IJsselstein ( 1260?-1342) is de oudste zoon van Arnoud van Amstel de broer van Gijsbrecht IV. Hij wordt vermeld als heer van Benschop en noord–Polsbroek, heer van IJsselstein, Maarschalk van de bisschop van het Sticht te Utrecht.

Hij was getrouwd met Bertha van Heukelom een dochter van Otto I Arkel van Heukelom en Asperen. Bertha haar daden tijdens de belegering in 1299 zijn in de rijmkroniek van Melis Stoke beschreven en in het bekende boek Fulco de minstreel geromantiseerd. Na de dood van Floris V distantieert Gijsbrecht zich van de misdaden van zijn oom en mocht hierdoor zijn heerlijkheid behouden op last van graaf Jan. Na een jaar maakte de Hollandse graaf toch aanspraak op het kasteel te IJsselstein voor de verdediging van Holland. Gijsbrecht weigerde dit af te staan en werd in Culemborg gevangen gezet. Het kasteel werd fel verdedigd door Bertha en ten slotte ingenomen door Hubrecht van Vianen. Volgens de belofte bij overgave wordt de helft van de slechts zestien verdedigers onthoofd. De dappere IJsselsteineners blijven in een praalgraf voor eeuwig herinnerd.

V.l.n.r. Gijsbrecht van IJsselstein (Amstel). Bertha van Heukelom, dochter van Otto I van Arkel, heer van Heukelom. Arnold van IJsselstein, zoon van Gijsbrecht. Maria van Avesnes, dochter van Gwijde van Avesnes de bisschop van Utrecht. De vier zijn weergegeven op de graftombe van de heren van IJsselstein in de Hervormde kerk in IJsselstein, 1365-1370. De eerste restauratie deed E.F. Georges (1859).

        Wolfert heer van Veere( 1250-1299), ook bekend als Wolfert van Borselen behoorde tot een van de belangrijkste edelen in Zeeland en was heer van Veere en Sandenburch. Hij komt vroeg in oorkondes voor over handelsafspraken in Zeeland met graaf Floris V. In de strijd om Vreeland is hij met Jan van Renesse aanvoerder van een groot Zeeuws leger tegen de Amstels. Om de graaf te behagen schenkt hij in 1280 zijn leen onder Zandijk op Walcheren als kwaadgoed aan Beatrix van Vlaanderen de vrouw van Floris V. In 1284 wordt hij ridder genoemd en hij is tot 1290 raadsheer en een getrouw ridder van Floris V. Na het schenden van de rechten van de Zeeuwse edelen komt hij in fel verzet met twintig andere ridders tegen de genomen maatregelen die ondanks de bestaande Keure gericht was tegen de rechten en goederen van de Zeeuwse adel. Door Wolfert tot baljuw van Zeeland te benoemen meent Floris hem aan zijn zijde te krijgen, maar een jaar later ontstaat weer verwijdering tussen hem en de graaf. Na een periode van aansluiting bij Vlaanderen kiest hij in mei 1296 toch voor graaf Floris. Wel onder verdenking, echter zonder enig bewijs van betrokkenheid in de moord op Floris V wordt hij een dominant raadsheer van graaf Jan en breidt hierdoor zijn leengebied aanzienlijk uit. Dit roept de nodige vijanden op, maar hij weert elke aanval van zich af. Vervolgens zet hij alles in het werk om Jan van Renesse uit te schakelen met verdachtmakingen over de moord op Floris V en het lukt hem zelfs Jan van Renesse te verdrijven. Als veldheer verdient hij zijn sporen en slaat aanvallende legers in het graafschap af. Zijn macht werd echter te groot en onvrede groeit door eigenzinnige besluiten en ruzies met stadsbesturen. In een volksopstand wordt hij in 1299 in Delft vermoord.

         Jan van Renesse II is de zoon van Costijn en Hillegonda van Voorne, (1250-1293). Jan toont zich een bekwaam legeraanvoerder en speelt een hoofdrol met zijn zoon Costijn in de verovering van slot Vredelant. Jan van Renesse II trouwde in 1282 met Sophia van Gouda. Het leen Gouda krijgt is een strategische plek voor de verdediging van Holland en hij is een trouw veldheer van de graaf. De belangen in Zeeland laat hij niet los en schuwt de confrontatie niet. In 1290 wordt hij vazal van Guy van Vlaanderen in woede over het niet nakomen van de beloften die vastgesteld waren in de Keure van Zeeland door Floris V die hiermee een opstand in Zeeland uitlokte.

In 1293 volgt zijn zoon Jan III hem als baljuw van Noord Holland op. Ook zijn militaire kwaliteiten zijn groot want in 1295 verslaat hij de Vlamingen bij Sluis. Kort na de moord op Floris V wordt hij van medeplichtigheid beschuldigd, maar wordt vrijgesproken. Jan III blijft heer van Gouda en wordt nu baljuw van Zuid-Holland. Hij vertrekt met de delegatie naar Engeland als het dienend gevolg van graaf Jan, maar in de nasleep van de steeds geuite verdenking van moord wordt hij in 1297 uit de raad van graaf Jan I gezet en Wolfert van Borselen drijft Jan in ballingschap na zijn deelname in de slag bij Vronen 1297. Vervolgens wordt Gouda hem ontnomen. Teleurgesteld sluit hij zich aan bij de Vlamingen en wordt een gevreesd aanvoerder in de Guldensporenslag in 1302. Hij leidt de Vlamingen die in 1304 een offensief aangaan en Holland binnenvallen. Zo herovert hij Gouda en zoekt verdediging in Utrecht, maar op vlucht voor de Hollandse troepen verdrinkt hij met van Arent van Benschop e.a. in de Lek, zoals het op de afbeelding rechts de ontsnapping van de mannen uit Utrecht in een overvolle boot, romantisch is weergegeven.
                                                                                                                                                                                        

De Witte van Haamstede, (1272-1318) wordt door graaf Jan I beleend met de heerlijkheid Haamstede dat  door de  kinderloosheid van Jan Costijnsz. van Renesse na zijn overlijden aan het graafschap was vervallen. Floris bastaard ‘s zoon bij Anna van Heusden krijgt de nu naam van Haamstede in plaats van de naam van Heusden. Er volgt een jaarrente uit Dordrecht en graaf Jan verleent een keur aan Haamstede. Na de Vlaamse inval in Zierikzee in 1304 vluchtte de Witte naar Zandvoort en bij Haarlem wist hij de oprukkende Vlamingen te verslaan. Hierdoor krijg hij naam als de held van Holland maar of hij in 1304 de slag bij het Manpad heeft geleverd wordt betwijfeld. Hij huwde Agnes van de Sluis een rijke Zeeuwse die beleend was met vele ambachten en goederen. Zij kregen twee kinderen Floris en Arend.








(De legende van het Manpad in Bennebroek Heemstede. Steendruk Egenberger.

Nicolaas III heer van Putten ende Strijen (1260-1311) heeft grote leengebieden Putten, Katendrecht Simonshaven, Schuddebeurs, Drenkwaard en Geervliet. In 1290 trouwde hij met Aleid van Strijen en verkreeg in 1295 de heerlijkheid. Er waren grote betrekkingen met de stad Dordrecht en hij was een gunsteling van Floris V. Na de moord was hij een fel vervolger van de daders. Nicolaas was een gevreesd veldheer van Holland en het Sticht en werd door Jan II van Avesnes in 1303 of in 1304 voor de slag bij Zierikzee tot ridder verheven samen met de Witte en vele anderen. In die periode wist hij Dordrecht met succes tegen de Vlamingen te verdedigen. De heerlijkheid Putten bestond aanvankelijk in Zuid-Holland uit het eiland Putten met delen van IJsselmonde, de Hoekse Waard en Flakkee. Strijen was voordat het leengoed  van de graaf van Holland werd sinds 1167 onafhankelijk. Aleid had de toezegging van Floris V gekregen dat zij na de dood van haar vader Willem IV van Strijen de heerlijkheid zou erven. Nadien worden Putten en Strijen een eenheid. Zijn vader was Nicolaas II van Putten (1288-1275) en is als cnape vermeld. [108]

(De zegels en wapen van Nicolaas van Putten)

Jan van Doortooge is geboren in 1260 als zoon van Floris van Brederode en een dochter van Naaldwijk die goederen te Monster en de hofstede Doortoge bij haar huwelijk meebracht. Zo verplaatste deze familie tak zich naar het zuiden. Floris is de derde zoon van Dirk Drossaart van Brederode van Teilingen en was getrouwd met Gertrudis van Voorne. De familie bezat naast het leen hofstede ook de ambachten Zegwaard en Zevenhuizen in het Rijnland. Zijn zuster trouwde met Arnoud de zoon van Dirk van Hodenpijl (zie hoofdstuk 4).                                                                                                                Jan is op 27 maart 1297 met Jan II van Arkel in Vronen gesneuveld en Zijn broer Dirk werd als zijn opvolger heer van Doortoge. De familie Naaldwijk was niet minder belangrijk en hiervan is alleen Boudewijn in de te bewerken lijst opgenomen.                                                                                      De zoon van Boudewijn, Hugo, bezat door zijn huwelijk met de erfdochter van Velsen/Noordwijk de ambachtsheerlijkheid Velsen. Hugo bezat verder naast zijn vele landgoederen de titel erfmaarschalk van Holland. Het ambacht Velsen werd verkocht in 1255 aan Willem van Brederode. Zijn vader de Drossaard had al grond in het ambacht Velsen, dat door graaf Willem I geschonken was. Een jongere zoon Floris bezat grond in het ambacht Monster in het Westland, Dortoghe genoemd. De kinderen leenheren van dit gebied noemden zich voortaan Van Doorto(o)g(h)e. [109] 

Boudewijn van Naaldwijk, (1245-1285), heer van Naaldwijk was ridder en kastelein van slot Wijdenesse, een door Floris V opgerichte dwangburcht die in 1296 belegerd werd door de West- Friezen en ontnomen met vrije aftocht. Zijn zoon Hugo van Naaldwijk was erfelijk maarschalk van Holland en tevens was hij raadsheer van de graaf. Hij was getrouwd met een jonkvrouw van Velzen. Het geslacht ontspringt in de twaalfde eeuw uit een tak de familie van Voorne, als zoon van Dirk I van Voorne. In het Westland bezitten zij belangrijke landgoeden zoals Naaldwijk en Honselersdijk, verder ambachten, tienden en goeden in Monster, Poeldijk, Wateringen en Schipluiden. Wapen klimmende Leeuw.

Hugo van Craelingen, ridder (overleden 1256?). Hugo II is heer van het ambacht Craelingen ( 1233) en zoon van Dirk van Craelingen en Agnes van Naaldwijk. Hij is een vertrouweling van Willem II en baljuw van Holland. Zijn zoon wordt geboren in 1240 en overleden in 1297 werd ook Hugo (III) van Cralingen genoemd. Zijn kleinzoon geboren in 1285 kreeg weer de naam Dirk van Cralingen.

Het onterecht met de familie in verband gebrachte kasteel Honingen zou door Ogier Uit de Hoeke heer van Wateringen gebouwd zijn. De vroege geschiedenis van Craelingen kent nog vele onbekend gebleven elementen.[110]  Kronieken vermelden een Gilles van Voorschoten als stamhouder.

De voornaamste edelen van Zeeland uit de kroniek Reigersberg van 1555 zijn:                                  Wolfert de Heer van Borsselen de heer van Brigdam de heer van Zandwijk heer van Veere
De heer van Moermont en Schouwe Jan van Renesse
Dadyn van Cruningen, “tous lesquels portoyent l’ordre du Comte qui eftoit un collier d’or entrelaffe de coquilles, avec l’image de St. Jacques y appendante «. Jan van Cruijningen en Doedijn van Everingen zijn vermeld in de Rijmkroniek en zeer waarschijnlijk in voornaam verwisseld. 5529 (1290-1299).  [111]Dit is de eerste vermelding van een draagteken  van de Orde des graven.  Of  er vijf of zes hoornen (schelpen) verbonden zijn is niet aangegeven. Het draagteken met schelpen van de  Franse ridderorde van St. Michael, opgericht in 1469, kan onmogelijk  hiermee in verband gebracht worden.

Samenvatting hoofdstuk twee.

In de Divisie kroniek is een lijst weergegeven van de principaelste ridders ten tijde van Floris V. De Dye kroniek van Zeeland vermeldt drie ridders uit Zeeland met een halsband met schelpen de bron is mogelijk het Gouds kroniekje. Petit en van Gouthoven nemen deze genoemde ridders over. In de lijst komen zeven benoemde ridders in de Orde van St. Jacob voor, naast de drie Zeeuwse ridders. Hoewel er zes ridders vermeld worden die in 1272 gesneuveld zijn omvat de lijst zeker zeer voorname lieden van hoge adel en begunstelingen van Floris V. Enkele ridders zijn niet in het tijdsbestek te plaatsen. Als de lijst topografisch verwerkt wordt is er een patroon in Noord en Zuid-Holland waarneembaar dat beschouwd kan worden als een bewuste opbouw in de verdeling van leengebieden. Naast de eerder genoemde tien ridders in de Orde des Graven kunnen anderen niet zonder bronnen als orderidders beschouwd worden. Waarom de lijst met deze namen zo is samengesteld is helaas niet volledig te doorgronden de genoemde ridders waren zeker belangrijke dienaren van Floris V.

(Chevalier de S. Jacques en Hollande. Uit Histoire des Ordres Militaires ou des chevaliers des milices militaires, Filippo Buonanni 1745)

  1. 2.      De twaalf eerste ridders in de Orde van St. Jacob.

 

Het boekje van Beeloo: De instelling van de Orde van St. Jacob door Graaf Floris V van Holland in den jare 1279, met de beschrijving van opgenomen ridders in de Orde van St. Jacob wordt in dit overzicht nader uitgewerkt. Het is geen geschiedenisboek het wordt door de schrijver voorgesteld als onderdeel van het werk Geschied en Oudheidkundige beschrijving van de Ridderzaal in het hofgebouw te ‘s Gravenhage. In 1842 is ’s Gravenhage een berijmd verhaal met geschiedkundige aantekeningen uitgebracht. Beeloo gebruikt in het losse werk als voornaamste bron de Annales généalogiques de la Maison de Lynden. Het is uitgebracht om als lijdraad voor de voorgenomen studentenmaskerade te dienen om de geschiedenis zo zorgvuldig mogelijk weer te geven. Jaren daarvoor was er in 1826 nog een felle pennestrijd tussen de baronnen van Lynden en D’ Yvoy van Mijdrecht over waar en onwaarheden van een St. Jacobs ridderorde. In werk van Beeloo komt de romantische gedrevenheid vol tot zijn recht en worden Jonckbloet en van Lennep ook hierin betrokken.

De kritiek op het werk is dat sommige ridders niet in de tijdsperiode voorkomen. Met 1279 als uitgangspunt van Beeloo is dat zeker mogelijk, in 1290 waren alle genoemde ridders in leven. In dit werk wordt getracht met korte biografieën meer inzicht te geven in waarom Floris V een verbintenis in een Orde is aangegaan. Getracht wordt onjuistheden aan te geven en te corrigeren. In de werken van de kroniekschrijvers komen fouten voor die met de huidige bekende gegevens aangepast kunnen worden. Tot midden van de achttiende eeuw bestond er geen verantwoorde geschiedschrijving. Leerstoelen en onderricht ontbraken geheel. Jan Wagenaar is een van de eersten die tot een onafhankelijke geschiedschrijving over de Vaderlandse historie kwam in 21 delen van 1749-1759. [112]                                                                                                                                                                  Al eerder is aangegeven dat in sommige gevallen jaartallen niet passen in een Floris V ridderperiode. Ook Butkens en Boxhorn hebben verschrijvingen in hun werk en dit verdient een kritische beschouwing. Dat Beeloo niet zo maar een theaterstuk schreef bewijst wel zijn reflectie op de door hem gehanteerde bronnen. De beknopte genealogische aantekeningen van Hollandse edelen der ridderorde van St. Jacobsbroederschap die door de ambtenaar van de Hoge Raad van Adel, L van Weleveld zijn opgesteld  completeren het werk van Beeloo.[113] Telkens weer keert het besef terug dat deze ridders bewust zijn gekozen vanuit een strategisch oogpunt en soms van wege de onderlinge familiebanden.[114] Floris had behoefte aan krachtige en betrouwbare ondersteuning want vele oorlogen decimeerden de ridderstand aanzienlijk.

Dat Floris V een politiek spel speelde is onmiskenbaar in de gegevens over zijn landsbestuur terug te vinden. Hij begunstigde steden in welstand met waterschappen, tolvrijheden en rechtbanken. Steden kregen hierdoor macht en gaven beden aan de graaf. Hij sloot verdragen met buitenlandse steden en bevorderde hierdoor de visserij. De edelen ondervonden steeds meer de druk van een sterker gezag door afname van hun macht en door de inlijving van de leengebieden. Kon de graaf dit compenseren? Floris stelt een ridderorde in die bedoeld is  als een bijzondere eer voor enkelen en zo kan hij de edelen toch een beloning voor een ondervonden verlies geven.

Gouw beschouwt de genoemde ridderlijke broederschap van St. Jacob meer als een van de eerste gilden die voortgekomen zijn uit een zelfde stam met een beschermheilige, een altaar en gezamenlijke maaltijd. Dit lijkt mij geen juiste voorstelling het was een adellijke instelling met een voorgenomen sterke binding gericht op macht. [115]  Beeloo gaat uit van 1279 als stichtingsjaar en koppelt de instelling van de Orde aan het toernooi in Geertruidenberg. Dit jaartal zou kunnen passen in het bruiloftsjaar van Floris en Beatrix. Dozy betwijfelt dat de orde ingesteld werd ter ere van het huwelijk en of Floris zoveel waarde hechtte aan dit politieke verbond bewijzen de vele bastaarden wel. [116] Tevens bestaan er geen harde bewijzen dat er in de dertiende eeuw in Holland toernooien of steekspelen zijn georganiseerd.[117] Bisschop elect Jan van Nassau was in functie van 1267-1290 en is in beide jaartallen te plaatsen. Gijsbrecht van Amstel zou niet in het jaartal 1290 passen wegens de onmin met de graaf, de slimme graaf dacht dat  hij Gijsbrecht wel zo aan zich kon binden. Uiteindelijk is het toch Butkens die met enige zekerheid 1290 hanteert als de datum voor een gegeven toernooi en dit is overgenomen uit het verdwenen extract Ridderboek van Staekspelen.

De beschreven edelen werden opgenomen in een Orde als ridder. Het andere verhaal waarin de Clerk  het ridderen van 40 huysluiden op eerste kerstdag beschrijft vindt  afgeleid uit de tekst van Scriverius plaats in het jaar 1295. Van oudsher is er een bepalend onderscheid in adel en huysluiden. Huysluiden kunnen verarmde edelen zijn, of wat rijkere herenboeren. In deze periode is het ridderen nauwelijks beschreven. Enkele hoge edellieden worden wel in oorkonden met het jaar van hun ridderschap genoemd zoals Jan van Arkel (ridder 1281) Klaas Persijn (ridder 1293) of Hugo van Vianen ridder in 1289.[118] Met opname in een Ridderorde was het onmogelijk hen voor de tweede maal te ridderen.

Een overzicht van de Ridders van de Orde van St. Jacob.

Als eerste Ordelid wordt vermeld Dierick, graaf van Kleef ook beschreven als Dirk VIII van Kleef, geboren in 1256/57. Hij was graaf van Kleef van 1275 tot 1305, verder pandheer van Duisburg in 1275 en rijksvicaris te Nijmegen. Vanaf het ontstaan breidde het graafschap zich met heerlijkheden uit en werd een omvangrijk gebied. Het graafschap Kleef werd gevormd door leengebieden in het Heilige Roomse Rijk, van het Sticht en Teisterband, vanuit Keulen en de drooglegging van Rijnoevers en moerassen. Er zijn belangrijke landsgrenzen: Gelre, Duitsland en Brabant.

Voor Floris V is het van strategisch belang om naast het Sticht en Gelre in het oosten nog een bondgenoot te hebben. De graven van Kleef kozen echter liever voor een neutrale positie en Dierick besluit om niet deel te nemen in de slag bij Woeringen tegen Gelre. Zijn rol ten opzichte van Brabant is een van jarenlang wederzijds respect en zoals uit te tekst zal blijken is er met zijn tweede vrouw Margaretha een familieband met Jan van Cuijk gegroeid.[119] Na 1290 veranderde de politieke situatie met Brabant aanzienlijk en ontstaat afname in elkaars vertrouwen. Was Floris te laat met zijn Orde en de daaruit voortvloeiende verbintenissen? De graaf van Kleef blijkt niet opgewassen te zijn tegen de sluwe landspolitiek van Floris. Tijdens een feestmaal wist Floris Dierck zover te krijgen dat hij afstand deed van het leenheersrecht op de heerlijkheden van Heusden en Altena. Ook in Zeeland staan de verhoudingen er anders voor na het niet nakomen van de Keure. Door het Vlaams-Hollands akkoord worden de privileges van de edelen bedreigd. Dat het vertrouwen bij een aantal blijft bestaan blijkt uit de gekozen edelen die graaf Floris op zijn reis naar Engeland vergezellen voor de aanspraken op de Schotse troon in 1291. Onder hen bevond zich ook de graaf van Kleef er ontstaat een toegenomen waardering  voor elkaar. De macht lokt en na de dood van Floris V benoemde van Kleef zich tot stadhouder van Holland. In deze positie  diende hij niet het landsbelang maar verrijkte zich voor zijn eigen belangen. Handig kon hij graaf Jan misleiden. Dit eindigt met  de komst van Jan van Avesnes die maatregelen neemt en Dierick snel aan de kant zet. Op 4 oktober 1305 is hij in het graafschap overleden. [120]

Dierick trouwde rond 1280 met Margaretha van Gelre en Zutphen in het jaar 1258 en zij is voor 1290 te Kleef overleden. Zij was de dochter van Otto II, Graaf van Gelre (1229-1271). Otto van Gelre huwde als eerste vrouw Margaretha van Kleef de dochter van Dirk VI van Kleef. Huwelijkspolitiek was niet weg te denken in die tijd en Dierick trouwt na het overlijden van zijn eerste vrouw, omstreeks 1290 Margaretha van Kijburg (Gelre). Naast de huwelijken met Gelre was er een band met het Hollandse gravenhuis, Floris V is een achterneef van Dierck. Graaf Dirk VII van Holland huwde de zuster van Dirk V van Kleef, Aleid en Dirk V van Kleef huwde de dochter van Floris III van Holland Margaretha.

In de familie bestond een niet onbelangrijke verdeeldheid. Broers uit twee generaties verleenden zowel steunden de Graaf van Holland, de hertog van Brabant en de graaf van Gelre. Dierick VIII Dierick Loef II waren elkaars tegenpolen en daarvoor Dierick VII contra Dierick-Loef I. Dierick Loef II had in de slag van Woeringen in 1288 uit financieel oogpunt de kant van Brabant gekozen. Dirk VIII van Kleef bleef hierin neutraal en dit had geen gevolgen. Na de dood van Floris (27 juni 1296) verschijnt Dirk VIII als ruwaard van de toekomstige graaf van Holland en Loef II zal met van Jan van Arkel Koning Edward verzoeken voor de spoedige overkomst van graaf Jan I. Loef II en van Arkel zijn op hun hoede en treden op als beschermelingen van Jan I. Als graaf Jan voor 20 september in Holland is aangekomen wordt het bestuur aan hem overgedragen. Pogingen van Dierick VIII om een regentschap over Jan te krijgen mislukt, wel blijft hij een hoge raadsman en stadhouder van Holland tot Jan van Avesnes komt. In de periode kort na de dood van Floris V wordt de positie van Dierick door historici kritisch bezien naar aanleiding van zijn zelfstandig handelen en de verkwisting van grafelijk bezit. Melis Stoke versterkte dit ook nog met de verdenking op medeplichtigheid aan de moord. In dit geval versterken familiebanden ook nog het vooroordeel. De tweede vrouw van Dierick was een volle nicht van Jutta van Nassau, de vrouw van Jan van Cuijk een belangrijke samenzweerder tegen Floris V. Melis Stoke vermoedde dat Dierick de belegerde bende van Cronenburg onder zijn hoede wilde nemen? [121]Zijn broer Loef II zeer ontdaan over dit voornemen weigert het plan te steunen hij wil niemand beschermen, maar berechten en verovert Cronenburg op Gerard van Velsen. Dierick van Kleef blijkt een onbetrouwbare ridder te zijn, maar wist handig vervolging te ontwijken. Beeloo maakt een fout door de overlijdensdatum als 1275 onjuist te vermelden.[122]

 

Wapen van Kleef, een rood veld met acht leliën op scepters

Het beeld zou door Dierick VIII samengesteld zijn.

Er werden drie ridders afkomstig uit het buitenland in de Orde van St. Jacob opgenomen. De eerste in de rij is Lancelot, heer van Hamilton. [123] Hij was ambassadeur van Koning Alexander III van Schotland die getrouwd was met de halfzuster van Beatrix, de vrouw van Floris V, Margaretha van Vlaanderen. [124]  Het opnemen van de ambassadeur is een tactische zet geweest van Floris V voor de verdere toekomstige ontwikkelingen met een kans op het slagen van de Schotse troonopvolging.[125] In 1291 zag hij een mogelijk hiertoe omdat na de dood van koning Alexander het land zonder een koning in een crisis verkeerde. De Schotten beducht voor te grote Engelse invloed wilden een zelfstandig koninkrijk behouden en brachten verschillende kandidaten in. Floris V toog met Diederick van Kleef VIII en Philips van Wassenaar, de zegelaar, naar zijn bevriende koning Edward  die als  voorzitter  van de bijeenkomst    de Schotse troonopvolging vaststelde. Uiteindelijk werden Floris V en Robert de Bruce gepasseerd door de keuze voor John Balliol als nieuwe koning van Schotland.

In de literatuur wordt een ridderorde vermeld die verbonden was aan het huis Kleef. Ook in 1290 zou een Orde van de Zwaan door koning Rudolf van Habsburg opgericht zijn ter ere van het huwelijk van Marguerite en Dirk VII, de jaartallen zijn onduidelijk en kloppen niet. Na verval ontstond er een heroprichting in 1843 door de koning van Pruisen.  L’Ordre Héréditaire du cigne de Cléves heeft weinig documentatie. Of deze orde iets te maken heeft met een Pruisische ridderlijke orde uit 1440 blijft onduidelijk.








Wat Beeloo schrijft over het wapenschild van het Schotse geslacht Hamilton is hier in delen afgebeeld. In het 1e en 4ekwartier vijfbladige Rosacea hermelijn (sabel) voor Hamilton, deel Robert de Bellemont. In het 2e en 3e een schip met opgerolde zeilen, in diamant.

De tweede buitenlandse ridder is Godevaert, heer van Boïchholt (Buchholtz, Bocholtz), een ambassadeur van Westfalen, gezant van Johan van Saxen de hertog van Nedersaxen en Westfalen en aartsmaarschalk van koning Rudolf. Floris stond met koning Rudolf op goede voet. In 1287 beleent rooms-koning Rudolf van Habsburg Floris met Zeeland bewesten Schelde. [126] Floris krijgt het in 1290 met de Zeeuwse adel goed aan de stok na de invoering van de vierde penning op hun inkomsten. Hij beklaagt hij zich hierover bij zijn leenheer koning Rudolf, die zal bemiddelen. Floris gebruikte hem ook om Jan van Renesse, Dierck van Brederode en Wolfert van Borsselen voor hun opstandig gedrag te vermanen op straffe van ongenade en met deze inzet krijgt hij de controle over het leengoed weer terug. De uitstekende relatie met koning Rudolf is bepalend om Godevaert van Boïchholt in de Orde op te nemen. Rudolf overleed in 1291.

Het wapenschild toont in het eerste en vierde kwartier drie leeuwenkoppen op een groen veld. Op de andere twee staan door een band gedeeld helmen, de een met een zwaan, de andere met zes pluimen. De hier aangegeven afbeelding is niet geheel overeenkomstig.       

Een derde afgezant is een ridder van de Duitse Orde is Hendrick IV, graaf van Henneberg ambassadeur van Keulen. Hij vestigt zich in het Sticht als afgezant van de Grootmeester van de orde Rudolf van Habsburg, in de Balije van Utrecht. Hendrick is gemachtigd om de belangen van de koning te vertegenwoordigen. In het besef dat de vestigingen van de Duitse orde niet te vermijden was  heeft Floris ten behoeve van hun komst diverse charters aan de Orde verleend. De aartsbisschop van Keulen was beschermer van de Duitse Orde ook hij moest te vriend gehouden worden.                                            Het huis Henne(n)berg bezat grote graafschappen in het Duitse Rijk en was zeer vermogend. Ook in deze familie bestond verwantschap met Floris door het huwelijk van zijn tante Margaretha, zuster van rooms-koning Willem II, met Herman I van Henneberg Coburg.[127] Zij krijgen drie kinderen waaronder Jutta die Thüringen erfde en de Coburg tak voortzette. Na de dood van graaf Hendrik III werd het graafschap Henneberg in 1274 verdeeld onder drie broers. De oudste was Berthold IV Henneberg Schleusingen (1272-1340), de tweede was Herman I Henneberg Aschach zoon van Poppo VII van Henneberg en Jutta van Thuringen, dochter van Herman I van Thuringen) Coburg en Hendrik IV Hartenberg met Römhild was de aangegeven ambassadeur.

De Duitse Orde in de lage landen kreeg vanaf het begin van de dertiende eeuw huizen en commanderijen die omgeven waren door landerijen. Bekende eigendommen in die tijd  zijn de kerk in Maasland (1241), de Nicolaaskerk te Utrecht (1250) en de Pieterskerk te Leiden (1268). Utrecht is een belangrijk centrum.[128] Jan de elect van Utrecht bevestigt in 1271 een overdracht van tweehoeven land aan het Duitse huis, medezegelaars zijn Stichtse ridders waaronder Willem van Rijswijk en Herman van Woerden.[129] Dirk de bastaardzoon van Koning Willem II wordt in een oorkonde 1303 vermeld als landcommandeur van de Duitse Orde.[130] Hij wordt in de balije Alden Biesen opgevolgd door Gerard van Loon, zoon van graaf Arnold (1279-1323).[131]  De machtige Duitse Orde dringt steeds dieper in Holland door met als gevolg dat belangrijke families sluiten zich aansluiten. Floris heeft zoveel mogelijk bondgenoten in machtige posities nodig en aanvaard de vestigingen die wellicht nog van strategisch nut kunnen zijn. Zijn neef graaf Otto II van Bentheim was al in 1267 ridder in de Duitse Orde geworden en met zijn intreden, staat hij een deel land rond Gorinchem en de stad aan Jan van Arkel.

 

 

 

Het wapen van Henneberg, op een geel veld een fiere haan op een groene heuvel.

Een groot vertrouweling van Floris is ridder Dirk (Dierck) de heer van Brederode, (1287-1318). Willem van Brederode is overleden in 1283 en Dirk volgt hem als oudste zoon op. Het geslacht stamt af van grootvader Dierck Drossaart van Teilingen (1205-1231) en zoon Willem I van Brederode die getrouwd was met Hildegonde van Voorne. De nakomelingen worden vernoemd naar het kasteel Brederode bij Velsen.[132] Over afstamming en verwantschap met het gravenhuis is veel vermoed, maar nooit bewezen.[133] Dierck huwt Maria van der Lecke, de enige dochter van Hendrik II van der Lecke. Maria schonk hem zeven kinderen: Willem, Hendrik, Dirk, Jutte (x Jan Persijn), Catharina (x Jan van Polanen), Elizabeth (x Hendrik van Loenersloot). In 1307 sterft Maria en zijn tweede vrouw wordt Heilwig van Bentheim (zie hiervoor ook het huwelijk van graaf Dirk VI met Sophia van Rheineck Bentheim). Als admiraal van Holland in 1288 viel hij met een groot aantal schepen Friesland vanuit de Zuiderzee binnen. In deze laatste grote veldtocht verhinderde hij zonder veel bloedvergieten het verenigen van de verdeelde Friese legers en werd de strijd gewonnen. In dat jaar werd hij baljuw van Kennemerland (1288). Dierck is heer van Brederode en zijn verdere bezit is Velsen, het Oog, Voshol, landgoederen in Zuid–Holland en een deel van de Alblasserwaard (o.a. Papendrecht) waar hij ook de hoge heerlijkheid bezat. Zelf bewoonde hij het huis Brederode omringd door bosgrond (Brede Roede). Voshol was de benaming van het baljuwschap Rijnland behorende tot het graafschap Holland.

Dierck heeft Floris op de drie veldtochten tegen de Friezen intensief bijgestaan en was de graaf zeer trouw. Toch liet hij zich meeslepen in het verzet tegen gebroken beloftes van Floris en kwam samen met een aantal Zeeuwse edelen in opstand tegen de graaf (1290-1292). Zijn familieband met Jan van Renesse verplichtte hem hier vermoedelijk toe. In maart 1290 erkenden alle Zeeuwse en een aantal Hollandse edelen zoals Dierck van Brederode de rivaal van Floris V, Gwijde van Vlaanderen als leenheer. Een leger trok vanuit het zuiden op en sloeg beleg in Middelburg om Floris tot herstel van Zeeuwse rechten te dwingen. Hertog Jan I van Brabant moest bemiddelen zodat een wapenstilstand volgde en Floris werd verzocht een overeenkomst te tekenen waarmee Zeeuwse rechten hersteld zouden worden. Het bleek een valstrik en Floris werd nota bene door zijn schoonvader Gwijde in Biervliet vijf dagen gevangen gezet. Floris moest zijn vrijheid terugwinnen door op 12 juni 1290 vernederende voorwaarden te accepteren. De spijtoptanten Dierck van Brederode en Jan II van Renesse keerden zich van de Vlaamse graaf af en vroegen vergiffenis. Vergeving werd niet zonder meer verleend en Floris kon het niet laten hen hiervoor straffen. De beledigde graaf Floris V zette hen beiden gevangen in Geertruidenberg en dwingt hun dochters met raadsleden te trouwen. Daarna ontstaat een verzoening maar alleen met een zware belofte van trouw.[134] Als gevolg hiervan doen zij niet mee met opstandige Zeeuwse acties in 1292 onder leiding van Wolfert van Borselen. Na het zegelen van een oorkonde met de eed van trouw krijgen zij hun bezittingen terug.[135]  Dierick van Brederode bekleedde hoge posten. Hij werd lid van de raad van Floris V (1293-1296), van Jan I (1297) en van Willem III (1304-1316).                                                                                                                                                                                                                                         Jan van Renesse bewijst zich als een groot veldheer. Hoewel de Brederode familieband met van Renesse duidelijk was en hierdoor een verdenking van medeplichtigheid aan de moord op Floris V geuit werd, is nooit aangetoond dat hij een verrader van de graaf was. Wel moest hij met andere ridders Willem II van Egmond, Nicolaas Persijn, Willem van Haarlem en Jan van Teilingen in afwachting van het onderzoek naar medeplichtigheid in Haarlem verblijven tot het vonnis gewezen werd. Dierck had de kosten van de overtocht van graaf Jan betaald en keerde weer terug naar het grafelijk hof. Samen met Dierick van Cleve had hij zich in voor spoedige overkomst van de opvolger van Floris ingespannen. Graaf Jan vertrouwde Brederode aanvankelijk niet en nam hem in 1298 drie weken in gijzeling, maar na een bewezen onschuld volgde een spoedig eerherstel. Ondanks de terugkerende achterdocht van graaf Jan II van Avensnes wordt hij weer van alle verdenking gevrijwaard. Dirk bijgenaamd de Goede blijft tot het overlijden van graaf Jan I in de adviesraad, de wantrouwende Jan II van Avesnes hield hem buiten de raad.

Tot 1316 komt Dierck komt vaak in oorkonden voor. Geschat wordt dat hij zich op de leeftijd van 60 jaar terugtrok uit het openbare leven Hij stierf als een gelovig man op de terugreis van een pelgrimage naar Rome en werd in Reims begraven. De bijnaam Theodorus Pius kreeg hij wegens zijn goedhartigheid en zijn eigenschap conflicten zonder bloedvergieten in de minne te schikken. In 1268 wordt hij vermeld als ridder. Jonker van Brederode werd rond 1256 geboren en ontving al opvallend jong de ridderslag. Volgens de bijlage Ridderschappen van Janse was Dierck getrouwd met de zuster van Herman van Woerden, dit is niet zeker. Verhoog vermeldt een huwelijk in het jaar 1288 met Maria van der Lecke.[136]                                                                                                                                                                          

Jan VII (III) heer van Heusden is een trots onafhankelijke ridder in Brabant die door Floris beloond en gekrenkt werd. Hij behoorde met neef Arnold van der Sluis tot de dapperen die in de slag bij Woeringen voor Brabant onder het vaandel van Jan van Cuijk tegen graaf Reinoud van Gelre vochten. Werd Jan voor deze moed beloond met de ordeketen van St. Jacob? Er bestaan familiebanden met Cuijk door zijn huwelijk met Margriet van Cuijk en ook zouden er banden met de familie van Kleef bestaan. Deze beide heren behoren al enige tijd tot vertrouwensmannen van de graaf. [137]                                                                                                          

De heren van Heusden waren lang onafhankelijk van de Hollandsche graven gebleven. Jan was leenman van Kleef en achterleenman van de hertog van Brabant. Het land van Heusden maakte oorspronkelijk deel uit van het graafschap Teisterbant en werd eigendom van Kleef, die het in leen gaf. Grote spanningen ontstaan met de hertog Jan I van Brabant die de stad Heusden in 1279 belegert en ten slotte inneemt omdat hij genoeg heeft van de rooftochten vanuit Heusden. De hertog laat zich na de overgave van de heerlijkheid tot leenheer huldigen en wil Jan VII in bezit van zijn gebied blijven moet hij hulde doen en de hertog als zijn leenheer erkennen. Jan heeft geen keus.

In de strijd om Limburg tussen Reinout van Gelre en de hertog van Brabant neemt Jan III van Heusden deel aan gevechten in Woeringen en steunt hertog Jan, samen met zijn broer, Jan, Jan heer van Heesbeen, Aernout van der Sluis en Diederik die helaas sneuvelt.[138] In 1286 beginnen de voorbereidingen en in 1288 vindt op 5 juli de veldslag bij Woeringen plaats. Een treffen van de verzamelde legers van de Aartsbisschop van Keulen, de graven van Luxemburg en Gelre vechten tegen de hertog van Brabant. Arkel, Cuijk en van Heusden weten een opening in de legers te herstellen, maar van Heusden wordt door Maaslanders gevangen genomen. Dit is van korte duur hij kan voor het einde van de strijd weer naar zijn leger terugkeren. De graaf van Gelre wordt voor losgeld gevangengenomen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                            

Na de slag bij Woeringen veranderen de verhoudingen met Brabant, Floris zoekt zoveel mogelijk leengebied. Jan van Heusden droeg het door Brabant ontnomen leen in 1290 en in 1295 zelfs onder dwang de stad Heusden aan de Graaf van Holland op. Hij kon niet anders want de leenrechten waren door Dierick van Kleef als een schenking aan de Hollandse graaf overgedragen. Wel ontvangt Jan van Heusden het achterleen terug. Wel behield hij het leen over het land van de oude Maas, benedenwaarts tot aan het land van Altena toe, ook eigendom van de Graaf van Kleef.[139]   

Floris heeft al jaren veel onvrede met Vlaanderen over het leenrecht van Zeeland bewesten Schelde. De hertog van Brabant Jan I  tracht hierin te bemiddelen en na diens dood in 1294 neemt Jan van Cuijk deze positie over. De invloed van Floris V reikt ver en ook neef Jan van Cuijk moest uiteindelijk Floris als leenheer erkennen een deed afstand van kasteel Tongelaar. In toenemende mate werden meerdere edelen gedwongen hun erf en goed over te dragen.[140] Een bijzonderheid in de familie van Heusden was dat Anna de dochter van Jan van Heusden in de tachtiger jaren bijzit van de graaf werd en zij hem de Witte later van Haamstede genoemd baarde.  De Witte werd geboren in 1280-1282. Floris was geen onbekende in de onafhankelijke familie, maar van een huwelijk was geen sprake. Het verhaal lijkt waar , opgehelderd is het nooit. Een andere dochter Sophie huwde Willem van Hoorn en door dit huwelijk ontstaat ook met deze familie een sterke band.

Niet de bastaard maar het verlies van het leengoed Heusden wordt het motief graaf Floris te verraden, want ondanks het veranderde leen bleef Jan aan Brabant en Kleef verbonden. Achtervolgd vlucht hij na de moord op Floris V naar verre streken. Hoe Jan van Heusden zich na de moord veilig kon stellen is niet bekend. Zonder terugkeer naar zijn land overleed hij in 1303. Zijn tweede vrouw was Ermgard van Wickeloo en zij schonk hem een zoon Jan VIII.[141] Het is opvallend dat Floris Jan III gekozen heeft tot een van zijn eerste ridders in de Orde van St. Jacob. Was het de bastaard, een goedmaker of een strategische zet om dichter bij het land van Kleef en Brabant land  te bezitten?

Jan II van Arkel ridder in de Orde van St. Jacob.[142]  Jan II zegelt vele oorkonden als naaste van Floris V en komt voor in de periode 1260-1297 als cnape en wordt in 1281 tot ridder geslagen.Hij is de oudste zoon Jan I (VIII)  van Arkel  (1253-1270) en wordt evenals zijn vader beroemd. Zijn kinderen waren Jan III, Herbaren Slingeland en Mabilia die met de Stichtse ridder Zweder van Abcoude trouwde. De naam van zijn echtgenote is helaas niet bekend en hij moet voor 1272 getrouwd zijn. Zijn woonstede de burcht te Gorinchem werd gekocht van de in 1267 tot de Duitse Orde toegetreden graaf Otto van Bentheim die afstand deed van zijn wereldse goederen. Jan II stond zowel bij de hertog van Brabant als bij graaf Floris V in hoog aanzien en kreeg tolvrijheid op zijn landgoed. De hertog van Brabant beloonde hem rijkelijk voor zijn moedige inzet in de slag van Woeringen in 1288. De bemiddelde Jan II leende in 1291 Floris V op verzoek 12.000 pond voor benodigdheden in de Zeeuwse kwestie. Tot zijn dood was Jan van Arkel de begunsteling van de Graaf.

Zijn titel was heer van Arkel maar het familie bezit strekte zich in het land van Arkel ver uit langs de Linge, van Leerdam naar Noordeloos Haastrecht en Schoonhoven. Hij had evenals van Brederode en vader Jan I zitting in de raad van Floris V van 1290-1297. Helaas is hij in het laatste jaar jong gestorven in de slag bij Vronen in de strijd tegen de West-Friezen. Waale hanteert voor zijn genealogie van het geslacht Arkel de stamvader uit het geslacht, Herbaren van der Lede. Dit geslacht wordt voor het eerst genoemd in 1143. Van Lennep kan ons gebruikmakend van oude kronieken meer vertellen over de voorvaderen, die al in de tiende eeuw landheren waren. Het waren ook de heren van Arkel die grote roem verwierven in de eerste kruistochten. Jan VI kocht aan het einde van de twaalfde eeuw Asperen en Heuckelom. Van Lennep vermeldt ook Jan IX als ridder behorende tot de orde van St. Jacob.[143] Het verdwijnen van de naam van der Lede, als heer van Leerdam uit de familie wordt in een legende als een noodlottig einde der Ledenaren beschreven. De overgebleven goederen vervielen aan de heer van Arkel.

De dissertatie van Waale toont een duidelijker beeld, hij concludeert dat Herbaren van der Lede zich heer van Arkel is gaan noemen tussen 1243 en 1253. Vader Jan I van Arkel wordt tussen 1253-1264 in oorkonden genoemd. Hij is de broer van Herbaren II van der Lede en Schoonhoven. Na Herbaren sterft dan de naam van der Lede uit. Hierdoor ontstaat er een nieuwe becijfering van de Jannen die na Herbaren weer met een 1 begint en de gebruikte becijfering die Jacob van Lennep vervangt.

Het geslacht van Arkel is tot de laatste nakomeling zeer machtig geweest, zij waren leenmannen van de graven van Holland, de bisschop van Utrecht en de hertogen van Gelre en Brabant.

 

       



In de Nederlands Hervormde kerk in Gorinchem bevindt zich de graftombe van Jan II van Arkel (1297) en zijn onbekend gebleven echtgenote.

Otto, heer van Asperen en Heukelom is de derde zoon van Herbaren II (van der Lede tak Arkel) en is tevens heer van de heerlijkheid Asperen Heukelom grenzend in de Betuwe aan Gellicum en Herwijnen. Otto II is een neef van Jan II van Arkel, en is omstreeks 1269/1272 geboren. [144]  De datum van zijn overlijden is onbekend, maar hij leefde nog in 1333. Zijn vader Herbaren II van der Lede (Arkel) wordt beschouwd als de stamvader van de Arkels. Jan I werd als eerste zoon de opvolger in de Arkel lijn (1253-1264) de vader van Jan II, de tweede zoon wordt heer van den Berghe (Bergambacht) Otto I wordt de stamvader van het geslacht van Heukelom van Asperen. Zijn vierde zoon Hugo Botter wordt heer van Schoonhoven is De ouders van Otto zijn Herbaren II van Arkel en Aleida van Heusden, uitvoerig besproken in stamboom in hoofdstuk 2.

Helaas zijn historische gegevens over het geslacht van Arkel uiterst spaarzaam. De Batavia Illustrata vermeldt anders dan Waale doet Otto van Arkel als zoon van Jan I (VIII) de sterke. Zijn erfgoed is Heukelom, Asperen, Leyenburg en Acquoy. Otto wordt vermeld in 1311 te Dordrecht waar hij getrouwd was met N. van Heusden. De verwarring rond de betiteling maakt soms dat er onjuiste verbintenissen weergegeven worden. Het landbezit is wel juist beschreven.[145] De verdiensten van Otto zijn onbekend en waarom hij in de Orde van St. Jacob benoemd werd valt niet te achterhalen.

De door Butkens beschreven Dirk, heer van Lijnden (Linden, Lynden) is een ridder uit het Gelderse geslacht verbonden aan de Graven van Holland. Hij is de zevende heer van Lijnden, zoon van Dirk I en Margaretha van Randenrode een hofdame van Elizabeth van Brunswijk, de weduwe van de gesneuvelde koning Willem II. In 1268 trekt hij ten strijde tegen vandalen die zijn kasteel ter Leede en ook het dorp Lijnden met brand vernield hebben. Hij streed met Floris V tegen de West-Friezen in 1272 en in 1282. Hij toont zich een trouw dienaar van Floris V en vecht tegen Gijsbrecht van Amstel en Herman van Woerden in 1287 die een strijd voeren met de bisschop Jan van Nassau en het slot Vredelant belegeren. Dirk huwde Agnes van Herlaer en zij kregen een zoon Dirk III.

Over dit deel van de geschiedenis van de familie van Lijnden is de discussie rond de geschiedschrijver Butkens bekend. Helaas maakte de afwijzing van de genealogie door sommige historici dat ook de publicaties over de Orde in de andere kronieken van de 16e eeuw een discussiepunt worden. Ik verwijs hiervoor naar de zoektocht in de adelsboeken over wie de stamvader uit het graafschap Aspremont van het geslacht van Lynden is.[146]  Van Weleveld is duidelijk hierover, vanuit Aspremont huwde begin twaalfde eeuw Helena van Boesichem en verkreeg zo Rhenen en het heerlijkheid Lijnden.[147] Dirk moet omstreeks 1307 door doodslag om het leven zijn gekomen.[148]

                                  Wapen Lijnden

                                                                                                                                                                    





Kritiek op Butkens en het dispuut over Dirk van Lijnden.

Van Spaen evenals Jkvr. J.M. van Winter volgen de genealogie  van Butkens die Dirk II van Lynden           (1290) als stamhouder aangeeft en die was gehuwd met Agnes van Herlaer.[149] F. C. Ketner noemt in zijn studies van de Utrechtse oorkonden dat Butkens, om het Nederlands adelsboek aannemelijk te maken de oorkonde van Floris van Lienden (1190) aangepast heeft. Bijleveld plaatst in 1914 in het Adelsboek  Dirk van Lynden gehuwd met Ermgard van Keppels als stamvader. In latere jaren wordt de stamhouder Steven van Lynden, vermeld in de periode 1307-1320. Steven van Lynden blijft daarna gehandhaafd in de stamreeks van het Adelsboek van 1998. Een exacte weergave van de vroege personen blijft moeilijk, begin veertiende eeuw bestonden er meerdere families met de naam Lienden-Lynden.[150] Zonder documenten als bron zijn de bestaande gegevens de enige houvast.

In pennestrijd tussen baron van Lynden van Hemmen en Q.N. in 1827 wordt bestaan van een of twee heren Jacob van Wassenaar genoemd. Het vinden van een in de Orde van St. Jacob bedoelde Jacob, heer van Wassenaar is een lastige puzzel. De onvermijdelijke vraag blijft terugkeren welke Jacob wordt bedoeld? De burggraaf? Is het de broer van Philips? Is deze Jacob niet te vinden of is de naam Jacob onjuist? Of zijn er twee ridders met de naam Jacob zoals baron van Lynden beweert? Jacob is de derde zoon van Dirck I van Wassenaar en over hem is maar weinig bekend, wel staat hij in de tabellen vermeld. Baron Lynden van Hemmen heeft in de pennestrijd deze ridder heftig verdedigd en niet zonder gevolgen, want het leidde tot een forse confrontatie met Q. N. (D’Yvoy van Mijdrecht).

In de literatuur zijn verschillende genealogische tabellen over de Wassenaars te vinden. Janson beschrijft Jacob als de broer van Philips II de stamhouder van het geslacht Wassenaar, Dirk als stamvader van het geslacht Santhorst en Arent de stamvader van het geslacht van Groeneveld. Jacob wordt in 1264 beschreven en is op 20 augustus 1272 met velen in de slag bij Vronen overleden. [151] In Voorschoten heeft hij een kasteel Rosenburg laten bouwen en van hieruit ontstaat de familietak Rosenburg. In het door velen samengestelde werk over 800 jaar het geslacht Wassenaar is men geheel niet zeker over een Jacob. In de genealogische tabellen van dit werk, Heren van Stand van Wassenaer 1200-2000, neemt van der Klooster, Jacob niet op in de tabel A. Jacob wordt ook zekerheidshalve niet apart in het boek verwerkt en de schrijvers plaatsen zelfs kanttekeningen bij de naam Philips als eerste telg van Wassenaar. De vroegste geschiedenis van de Wassenaars blijft onzeker waardoor een aantal vragen onbeantwoord blijven: zoals was de vader van Philips I Kerstant?

Zoals vermeld wordt  Jacob niet in de tabellen vermeld, maar in de tekst op blz. 6 van Heren van Stand komt wel de naam Jacob voor. Hier wordt uit een oorkonde beschreven dat Dirk II (van Santhorst), nog geen ridder was terwijl hij in 1264 een tiende aan Willem de heer van Brederode verkocht een toekomstig leen van Floris V, de borgen voor deze overeenkomst zijn Dirk van Teilingen, Johan Persijn, en o.a. Jacob van Wassenaar. Van Gent en Janse nemen de tabel van de heer van der Klooster niet over en uiten hun twijfel over de familiereconstructie, Jacob is een gebruikelijke familienaam, maar in de tekst worden Philips en Jacob niet als broers aangegeven.[152] In de lijst van burggraven van Leiden is Jacob een broer van Philips I en Dirk van Raephorst  in de periode 1201-1241.[153] Vanaf 1202 tot 1241 is Jacob van Wassenaar de derde burggraaf van Leiden.[154]                                                                                                                                                                                   

De door Beeloo en van Lynden genoemde Jacob van Wassenaar is in 1272 die in de tocht tegen de Friezen sneuvelde, niet in het tijdsbestek van de Orde te plaatsen. Het is mogelijk dat Beeloo niet bekend was met de overlijdensdatum hoewel hij veel bronnen raadpleegde. Maar is de bedoelde Jacob misschien de oom van Jacob van Wassenaar, ridder in de Orde van St. Jacob of bestaat er een niet beschreven broer afgaande op de brieven van  Baron van Lynden van Hemmen?

Janse hanteert in zijn Ridderschap in Holland de tabel van 1380 die door Bockenberg in de Historia et genealogica Wassenarorum (Leiden 1589) is uitgewerkt en later door Beelaerts van Blokland verbeterd is. Ook hierin is Jacob duidelijk als derde zoon van Dirk I vermeld. Hij heeft een dochter Jacoba die trouwt met Simon van Bentheim zonder kinderen na te laten. Deze auteurs nemen aan dat de genoemde Jacob tot het geslacht Wassenaar behoorde.[155] Hier houdt het op naast Jacoba worden geen verdere kinderen vermeld.

Het Speuren naar Jacob van Wassenaer in de dertiende eeuw vindt ook plaats in een dispuut op een Ridderdag van de Orde van St. Jacob. Frans Micklinghoff, gaf in zijn interessante lezing op 21 mei 2016 te Rijnsburg aan dat Jacob van Wassenaar in bovenvermelde periode moeilijk terug te vinden is wegens de geringe documentatie over deze door Butkens vermelde persoon. Toch tracht hij een verklaring te geven waarom de naam met de andere elf eerste ridders in de Orde van St. Jacob genoemd wordt. Na onderzoek heeft hij een theorie dat Christophoor Butkens de naam Jacob van Wassenaar heeft ingevoerd omdat de naam Jacob voorkomt na het overlijden van Jan II stamvader van Wassenaer in 1523, burggraaf van Leiden. Maria van Wassenaer de enige erfgenaam, trouwt met Jacques de Linge. Vermoedelijk heeft Butkens deze naam Jacques gebruikt om de van Wassenaars een Jacob te geven in zijn werk uit 1626.

Deze conclusie roept toch twijfels op. Het geslacht van Wassenaer kent in de genealogie verschillende takken in de indeling volgens van der Klooster. [156] Het zijn de volgende geslachten: De Heren van Wassenaer - de Burggraven van Leiden-de Oudste Heren van Duivenvoirde - Van Wassenaar van Duivenvoirde - Van Wassenaar van Catwijck- de Heren van Starrenburg- De Heren van Obdam. In deze lijnen blijken toch een aantal heren met de naam Jacob(us) door de eeuwen vermeld te zijn.  

Butkens schreef historie over de dertiende eeuw dus hij kon Jacobussen uit het geslacht Wassenaar van Duivenvoorde (de voor het eerst gemelde Jacob van Wassenaer 1649-1707) niet gebruikt hebben. Een  Jacob (1503-1559), heer van Obdam gehuwd met Geertruyd van Liere behoorde tot het geslacht van Duivenvoorde. De heren van Wassenaer afkomstig uit het geslacht van Kerstant, drossaart van het graafschap Holland en vader van Philips van Wassenaar I ( 1200-1223) werden in 1340 burggraaf van Leiden en brengen in 1447 een Jacob van Wassenaer voort die slechts 3 jaar leefde en in 1451 overleed. Deze Jacob zal Butkens zeker niet bedoeld hebben. M. van Gent en A. Janse beschrijven de Wassenaers van 1200-1523.[157] Op blz. 3 beschrijft Allinus, de grafelijke kapelaan, een Jacob, burggraaf van Leiden, als een van edelen die met Philips van Wassenaer, Willem van Friesland in zijn strijd tegen Lodewijk van Loon steunden in 1203. Deze Jacob wordt niet als familielid beschreven. Hij was van 1202- 1244 de zogenoemde castellana de Leyden, zijn opvolgers waren Dirck van Cuijk burggraaf tussen 1240 en 1260 en Hendrik van Cuijk, burggraaf van 1266. Philips van Wassenaer kocht in 1340 het burggraafschap van graaf Willem IV in 1340 en wordt dan als de eerste Wassenaerse burggraaf opgegeven. De jaartallen maken het hierdoor weer moeilijk om Butkens te begrijpen want deze jaartallen zijn ver weg van 1290 en 1279 de stichtingsjaren van de Orde van St. Jacob. Toch is er nog een andere Jacob als familie in de stamboom aangegeven.

Opvallend is ook hoe de namen in de familie overgedragen worden. Naar Kerstant de stamvader is niemand vernoemd, Philips en Dirck komen veelvuldig voor, Jacob in de zestiende eeuw en later, maar ook eerder in de dertiende eeuw. In een stuk dat door een geschiedschrijver in de zestiende eeuw Bockenberg gebruikt werd om de Historia et Genealogica Wassenarorum samen te stellen staat duidelijk de naam Jacob vermeld als derde zoon van Dirck van Wassenaar (1205-1243), die trouwde met Jacoba erfdochter van Rosenburg/Rosenberch. overlijdt in 1272 te Vronen en Jacoba huwt Simon van Bentheim.[158]  Hun derde zoon is Jacob van Wassenaar Rosenberch (zie tabel Janse hieronder). Deze Jacob bleef in ieder geval niet onbekend, want zijn vader bouwde het kasteel Rosenburg. De gevonden jaartallen zijn slechts in een periode te gebruiken en welke Jacob voldoet  blijft gissen. Historici vragen zich toch af waarom er geen relaties bekend zijn van Kerstant en zijn zonen en er is ook geen vernoeming naar hem gedaan. Bij getuigenissen worden Philips en Jacob niet als broers vermeld.[159] Evenmin is in een charter aan te tonen dat Jacob als broer, burggraaf van Leiden was, want zoals bovenvermeld werd het beheer door Philips IV gekocht van Willem IV, graaf van Holland en het was het voorheen nog niet in Wassenaers bezit. Uiteindelijk heeft dit geen toegevoegde waarde het omgekeerde is ook mogelijk om Jacob zonder koop als burggraaf en broer van Philips II te beschouwen. [160] Baron van Lynden beweert stellig in zijn verweer tegen Baron D’ Yvoy van Mijdrecht, dat Jacob behoorde tot de Wassenaars. Hij noemt twee heren met de naam Jacob waarvan een Jacob, een oom, sneuvelde in 1272 en de zoon van Philips niet. Helaas volgt hierbij geen enkele bron vermelding. [161] Jason, van Gendt en Janse nemen Jacob op in hun werken over de Wassenaars, maar over de tweede Jacob is weinig bekend [162]  Was het dan toch een verwisseling met Dirk of Filips van Wassenaar, de raadsman en zegelaar van Floris? Van Lynden van Hemmen geeft de suggestie dat van IRCK, IACK gemaakt is met een lettergreep ES.[163]

Het knelpunt zit hem in het door van Lynden en Beeloo aangehouden jaartal 1279. Een Jacob van wassenaar was bij Vronen in 1272 gesneuveld. In 1290 is een Jacob van Wassenaar door van Mieris in zijn Charteboek (1753), van leeuwen in de Batavia Illustrata ( 1685) en door Obreen (1903) het geslacht Wassenaar.blz. 17. Dit kan als voldoende bewijs dienen dat er twee Jacobussen van Wassenaar bestonden. Jacob is in 1304 overleden. 

 

(Genealogie Wassenaar A. Janse)

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 (E. Janson)

 

 

 

 

 

 

Gijsbrecht IV, heer van Amstel (1230-1303) wordt geboren uit het huwelijk van Gijsbrecht III en de dochter van Albrecht van Cuijk (Aleidis). Gijsbrecht IV en Jan van Cuijk zijn hierdoor echte neven.[164]  Al in de zestiger jaren heeft Gijsbrecht III het aan de stok met de bisschop van Utrecht en zijn zoon volgt het zelfde spoor.[165] Gijsbrecht IV heeft zich nooit volledig kunnen verzoenen met Graaf Floris V. De onverminderde tegengestelde belangen en de drang naar onafhankelijkheid los van de leenheer de bisschop van Utrecht te komen. Na een bemiddeling tussen de graaf van Gelre en de bisschop Hendrik van Vianden ( 1249-1267) komt er weer vertrouwen en vooral herstel van rechten. Met het uitbreiden van land wordt de familie rijk en krijgt hierdoor meer aanzien waardoor Gijsbrecht in 1266 raadsheer wordt van de twaalfjarige Floris V. Vanaf 1268 zijn er opstanden met Kennemers tegen het gezag van de graaf, de leenmannen en de bisschop. De bisschop pandt slot Vredelant van de Amstels, maar houdt zich niet aan afspraken en vraagt steeds meer rente aan zijn onderdanen.[166] De Stichtse heren komen hiertegen in opstand. Gijsbrecht IV en van Woerden voeren de opstandelingen aan en met een inname van de stad Utrecht in 1274 verdrijven zij de bisschop. Floris weet overeenstemming met de Kennemers te bereiken in 1275. Uiteindelijk volgt een wapenstilstand en door de graaf er wordt een curatele over de bisschop elect door Jan van Cuijk ingesteld. In 1278 is er een belegering van de heerlijkheid Vreeland in een oplaaiende strijd met van Amstel en de zijnen tegen de bisschop die hij verliest. Grafelijke legers onder leiding van Dirk van Brederode verslaan van Amstel en de Stichtse heren bij Loenen en bevrijden Haarlem. De Zeeuwse legeraanvoerder Costo van Renesse, neemt het kasteel in. Ook Montfoort wordt op Herman van Woerden veroverd en verwoest. Zowel Gijsbrecht als Arnoud van Amstel worden in 1280 vijf jaar in Zeeland in een gevangenis gezet en het land van Amstel met alle goederen wordt onteigend. Na de straf is er in 1285 weer een verzoening met de Graaf en de heer van Amstel wordt leenman van Holland over de Stichtse goederen van 1285-1296 maar het moge duidelijk zijn dat er wantrouwen blijft bestaan en dat de benoeming tot ridder in de Orde van St. Jacob een minimale vergoeding is voor het geleden verlies, toch is een zitting in de raad bij Floris voor beide zijden een nuttige zaak. Van Amstel, van Cuijck en anderen smeedden in 1296 plannen om samen met hulp van koning Edward van Engeland Floris naar Engeland over te brengen, het wordt echter het einde van het bestaan van graaf Floris V. Na de moord vlucht Gijsbrecht naar ’s-Hertogenbosch en blijft onder bescherming van Jan van Cuijk en de hertog van Brabant Jan II. In de vijftiende eeuw sterft het geslacht uit. Het plan van Floris om zijn vijanden in zijn nabijheid te houden was geheel mislukt.

Hugo, ( Hubert) heer van ( Vyanen) Vianen (1255-1302) werd cnape in 1288 en ridder op negentien oktober 1289 in het jaar waarin hij aan graaf Floris V voor 236 pond en 15 stuivers het gerecht in Vreeswijk verpandde. Hij werd geboren op de vrije heerlijkheid het land van Vianen dat behoorde tot Teisterband. De overstromingen in de Alblasserwaard maakte dijkbeheersing voor de ontginning van het land noodzakelijk. Floris staat hiervoor dijkringen toe en dit bevordert het welzijn aanzienlijk. In 1284 zegelen vijf heren een overeenkomst voor de waterbeheersing te Everdingen, het zijn de heren van Vianen, Hagestein, Everdingen, Ter Leede en van Arkel.

Hugo huwde Agniese van Langeraeck en was de schoonzoon van de eerste heer van Vianen Sweder van Boesichem en Mabelia van Abcoude. Zij hadden de rechten van het gebied van Sweder van Boesichem verkregen. Nadat hij de afwatering en bedijking in het gebied onder zijn gezag gesteld had nam van Boesichem de naam Sweder van Vianen aan. In 1287 steunt hij Floris V met van Lijnden en de Zeeuwen in de strijd met van Woerden en van Amstel tegen de bisschop van Utrecht.De ankers zijn steeds in de familiewapens terug te vinden.

Floris V die elke ridder kon gebruiken krijgt in 1294 ook van Sweder van Vianen de volledige steun. Hij belooft hem plechtig samen met de Stichtse edelen tegen iedereen behalve de bisschop te verdedigen. De Stichtse edelen zijn Sweder van Zuylen, Gijsbrecht van Abcoude, Dirk Splinter van Boesichem, Willem van Voorne e.a.[167]  Zo’n  trouwe dienaar heeft Floris met de opname in de Orde van St. Jacob beloond. Hugo sneuvelde te Kortrijk in de Guldensporenslag in 1302 door een pijl. Er zijn andere versies die zijn dood pas in 1318 vermelden, het vechten was hem niet vreemd. Zijn wapen is zilver en herkenbaar met drie ingebrachte zuilen (muurankers).

 De afbeelding toont het wapen van de heerlijkheid Vianen.

 Op het ridderfeest schitteren niet slechts de twaalf genoemde Ridders die door de vorst in zijn broederschap werden op genomen, ook de overige belangrijke Hollandse en Zeeuwse Adel werd tot dit feest geroepen. De achttiende eeuwse historieschrijvers gaan uit van de beschrijvingen van Boxhorn en Le Petit en de lijst van Ridders die in hoofdstuk II zijn uitgewerkt. [168] Aanwezig zijn de van Teilingens, de van Heuckeloms, de Voorne’s, de Persijns de van der Leks en Polanens, de Veere’s, de Renesse’s de van Puttens, de Egmonds, de van Naaldwijks, de van Woude’s de Heemskerks, de van der Goude’s, de van Cralingens, de Uytenhage’s, de van Harmelens, de van Duvens, de van Borsselens, de van Cruiningens e.a. Slechts drie worden in de kronieken vermeld als drager van de Orde des graven, van Borselen, van Renesse en Jan van Cruiningen, later noemen historieschrijvers onafhankelijk hiervan Gijsbrecht van Amstel, van Lijnden, Brederode en van Arkel. [169] 

 

3.1 Ontbrekende akten en onbeantwoorde vragen.  

De geboortedatum van Floris V is onzeker, de huwelijksakte van Floris V en Beatrijs van Vlaanderen is nooit gevonden als die ooit gemaakt is. Een huwelijksdatum is hierdoor niet bekend. De huwelijksdatum 1279 wordt door Dozy e.a. aangegeven, het jaar volgens Beeloo waar ook de stichtingsakte van de Orde zoekraakt? ’t Jong concludeert uit oorkondes en betalingen dat het huwelijk op drie  of vier  augustus 1279 heeft plaatsgevonden in Geertruidenberg en Floris was toen vijftien jaar. De bewaarde opgemaakte rekeningen tonen dat er grote feestelijkheden hebben plaatsgevonden.[170]

- Cordfunke meent dat 1279 de stichtingsdatum is van de Orde van St. Jacob, in het verband met het toernooi en de Ridderorde van St. Jacob, helaas is het Tournoyboek des Graven van Holland uit een register van ridderschap door Butkens aangegeven het boek der Schaeckspelen der Graven van Hollandt door Boxhorn genoemd nergens in een bibliotheek te vinden. Daarin wordt de datum 1290 vermeld. Zullen de ontbrekende kronieken om de stukken van Butkens te beoordelen met Le chronique d’Hollande de Frère Guillaume Vien, Le chronique de Frère Almus de Marienweert; Le Chronique de Gueldre de Mattieu van Wee,  ooit nog ergens ter inzage zijn? [171] De eerste  ridders zijn niet in 1279 te plaatsen.

Groebe beweert heel stellig dat Boxhorn en Butkens afzonderlijk het Tractaet hebben ingezien en de inhoud als zodanig verwerkt. Albertus Mireus heeft deze tekst in het Latijn vertaald. [172]

Giustiani e.a. beschrijven dat er in het archief van Holland nog wel een handschrift als akte te vinden is over de instelling  maar men leest van de samenstellers zeer weinig over deze orde.[173] Welk archief bedoeld wordt is niet aangegeven. Belangrijk voor de betrouwbaarheid van gegevens is het werk van Albertus Mireus: “ De Donatibus Belgicis ” Lib. 2 cap 134 dat door Butkens vermeld is en door Schoonebeek is aangehaald met de noot van Elias Ashmole wapenkundige en veelzijdig geleerde (1617-1692). De voor en tegenstanders van Butkens zijn uitvoerig beschreven door Meijer in de Nieuwsbrief van 2007. Helaas nemen sommige historici maar klakkeloos aan dat Butkens onwaarheden schreef. Zo wordt door Langereis beweerd dat nota bene er sprake is van vervalsing, wanneer de heer IJsselstein Amstel roept. [174] De Graaf van de zelfde uitgeverij  toont in het boek Oorlog om Holland een passage dat een tak van de familie van Amstel zich lokaal wel IJsselstein noemde.[175] Verdeelde historici beschouwen dan de kronieken als goed of fout volgens de hedendaagse geschiedschrijving, die ook pas twee eeuwen bestaat, daarvoor was het onbekend feiten als historie te verwerken. Met wat bewaard gebleven is blijft de enige bron. Tot het begin van de negentiende eeuw is er zeer onzorgvuldig met archieven omgesprongen.

 

Elias Ashmole






Floris is in 1277 tot ridder geslagen door de hertog van Brabant. Van de ridderslag werd lang geen oorkonde gemaakt en maar van enkele ridders is de datum van het ridderen bekend.[176] Het is alsof de handtekening op een schilderij van de meester ontbreekt. Dit gebeurde zelfs niet in 1290 een jaar waarin vele akten worden op gesteld o.a. met ridders uit de Orde zoals Brederode. Waarom is de belangrijke stichtingsakte van de Orde nergens meer in archieven te vinden is kan  niemand vertellen. Is brand of waterschade of gewoon ruimen de oorzaak hiervan? Het is voor de critici gemakkelijker te accepteren dat de Orde nooit bestaan heeft, echter het als  geduide spook in de Ridderzaal is ontstaan en leeft nog voort.

3.2 Kritieken in de 19e eeuw op de aangegeven bronnen.

De vraag waarom Melis Stoke de Orde niet beschrijft is niet te beantwoorden, bekend is dat Melis Stoke selectief was in zijn berichten. [177] Schrijvers die dicht bij de vorst verkeerden zoals Melis Stoke,  moeten toch oprichting van de Orde vermeld hebben vragen critici zich af? De klerk hield vast aan zijn eigen politieke visie. Melis Stoke vermeldt maar enkele riddernamen uit de adel en heldendaden beschrijft hij nauwelijks. Wel wordt het verraad uitvoerig beschreven maar een weergave van de veranderde landspolitiek ontbreekt volledig.[178]

Opmerkelijk blijft toch dat Gijsbrecht van Amstel wel tot de eerste ridders behoorde en niet Jan van Renesse of Jan van Cruiningen. Bij de eerste ridders komen geen Zeeuwen voor hoewel die duidelijk door Jan Reigersberg zijn aangegeven. Mogelijk dat er in 1290  te veel onvrede was in Zeeland.

Beeloo schrijft op blz. 59 dat Baron van Lynden van Hemmen in Histoire des ordres Militaire de l’ Eglise et des ordres de Chevalerie van Hermant 1699 meldt dat er namen van 52 ridders zijn. In het exemplaar wat de Orde van St. Jacob in haar bezit heeft is dit niet terug te vinden. Er wordt een hoofdstuk beschreven over l’ordre van St. Jacques de l’Epee (St. Jacob en het zwaard). Na inzage van dit werk moeten we aannemen dat van Lynden een ander werk heeft bedoeld. In het vierdelige verzameld werk samengesteld door verschillende auteurs waaronder l’Abbé Giustiani, Heliot en A. van Schoonebeek worden de achttien graven van Holland na Floris V als grootmeesters beschreven. Hiervoor is echter geen enkele bron te vinden. In de achttiende eeuw ontwikkelt zich geschiedschrijving er ontstaan beschrijvingen van steden zoals Amsterdam en ’s-Gravenhage met kritieken op deze werken.

Jacob de Riemer heeft in zijn werk over ’s-Gravenhage dat samengesteld is in 1730 veel ruimte gemaakt om het werk van Butkens, Petit en Boxhorn te bekritiseren, hierin heeft hij voornamelijk Scriverius aangehaald. Een laatste zwak argument van hem is; ’zou de Orde na de dood van Floris V nog bestaan hebben dan zou hertog Albrecht toch niet een nieuwe orde van St. Antonius gesticht hebben?’ Hij toont zijn twijfels met de vraag waarom de bekende eerder genoemde vroege kroniek schrijvers niets over de instelling van de Orde in de Haagse Ridderzaal melden. Het feit dat er geen handschrift over een ridderorde bestaat geeft voor hem de doorslag . Hij benadrukt dat de genoemde waarschijnlijkheid  nog geen waarheid is. Dit is een letterlijk overgenomen zin uit het Charterboek van Frans van Mieris. Wij vragen ons dan af waarom de Riemer uitsluitend schrijft over niet te vinden archiefstukken, hij moet toch ook geweten hebben hoe slordig men in de loop der jaren met archieven is omgegaan, het archiefbeheer is altijd kwetsbaar geweest. [179]

Tideman komt met een kritiek of het Haagse Jaarboekje in 1899 voornamelijk terug op de onjuiste benaming van de Ridderzaal, de fantasie van de Maskerade en schrijft voornamelijk Jacob de Riemer over. Zijn ergernis over de onjuiste benaming Ridderzaal vormt het hoofdthema. Dit is ontstaan door het lezen van een achtregelig gedicht van Christiaan Huygens, met de naam De Ridderzaal uit Hofwyck.[180]  Hij slaat het door Scriverius bewerkte handschrift  van de Clerk uyt den lage landen betreffende de 40 huysluiden in het open hof in den Haghe bewust over. Dit hoofdstukje is in de Chronyk van Holland en eerder door Aurelius van Gouthoven en anderen  beschreven.

Van Steensel neemt elke gelegenheid te baat de Orde van St. Jacob een verzinsel te noemen en uit dit in zijn publicaties.[181] Het moet een aanklacht zijn op de vernieuwde geschiedschrijving in de negentiende eeuw met toneel, afbeeldingen beschrijvingen van historische landschappen en Romantische vertellingen door Hofdijk en van Lennep. Het betreft dan vooral de vele geschiedenisboeken over de vaderlandse historie waarin de Orde van St. Jacob en de Ridderzaal zo vaak genoemd worden. 

Conclusie:

Een discussie over het stichtingsjaar van de Orde is niet relevant als ontbrekend bewijs voor een opgerichte orde. De dertiende eeuw heeft weinig precieze feiten nagelaten. Er zijn nog zoveel vragen over de huwelijksdata, geboortes en het ridderen of wie was Floris nu eigenlijk en zo verder. Het fraaie werk WI Flores biedt ons enige hulp, maar de tegenstrijdigheden en lacunes in de historische informatie moeten we aanvaarden want de hoofdlijnen zijn goed te volgen om het ridderschap te kunnen beoordelen. Met wat bekend is gebleven is de oprichting van een ridderorde niet uit te sluiten                                                                                                                                                                                            

Veel materiaal over Floris is niet bewaard en het zal wel onmogelijk voor de Orde van St. Jacob blijven andere data dan 1290 weer te geven. De beschrijving van bovenstaande ridders kunnen ons slechts een beperkt beeld geven. Voor starre historici is dit moeilijk te aanvaarden, voor hen gelden vaak alleen de bewezen echte bronnen. Hoopvol is wel dat er elk jaar weer iets over de Orde van      St. Jacob in archieven gevonden wordt. De negentiende eeuw heeft voor een nuttige aanvulling gezorgd. Archieven in Engeland, Italië, Frankrijk en Vlaanderen geven vermeldingen van Floris V en zijn opgerichte orde. De Orde van St. Jacob blijft ons bezighouden.

Hieronder een ontwerp van de halsketen Orde van St. Jacob uit onbekende bron. Is het een schets uit de  voorbereidingsperiode van de Maskerade in de  negentiende eeuw? St. Jacob staat als apostel afgebeeld.  De tekening toont Floris 5de ridder Orde van St. Jacob in 1290. De tekst op folie onder het medaillon is gemaakt met een typemachine is uit de twintigste eeuw. Het medaillon van Thomas de Rouck toont als enige heraldicus een ruiter, meestal is St. Jacob staande weergegeven.

Alamy stock photos and images Draper Fund; Orde St. Jacob gesticht door Graaf  Floris 5 in 1290?

Ontwerpen kleding riddertijd 1290.

(bron onbekend)

 

  1. 3.      Bronnen onderzoek uit het archief van de Souvereine Orde van St. Jacob in Holland

Van de toenmalige grootmeester van de Orde E.A. Ates kreeg ik in 1994 een bundel documenten ter inzage waar ik niet veel mee kon uitrichten. Het internet was in ontwikkeling en bood slechts geringe toegang en bezat nauwelijks documentatie over kleine ridderorden. Bibliotheken hadden natuurlijk  wel informatie, maar tijdgebrek bood weinig gelegenheid om naar namen van personen te zoeken die mogelijk met elkaar verband hielden.  Waar je ook zocht aanvullende  informatie was over de Orde van St. Jacob slechts met veel moeite te verzamelen. Nu ruim 25 jaar later heeft de Orde een respectabel archief en dit kan voldoende gebruikt worden om bronnenonderzoek te doen met aanvullingen vanuit literatuur,  bibliotheken  en universiteiten.

Dit deel gaat over de door A.C.B. van Brienen aan Ates overgedragen getypte informatie over de Orde met name de bladzijde waarop in een eerste kolom vijftien St. Jacobs Ridderen genoemd worden rond 1280 tot 1300  en in een tweede kolom twintig ridders van het jaar 1300 zonder te vermelden bij welke orde zij horen; St. Jacob of St. Antonius. Het is overgenomen van een handschrift afkomstig uit een Carmalietenklooster. [182]  Het stuk is vermoedelijk na de Tweede Wereldoorlog overgeschreven en later met een machine getypt.  Dit vraagt om uitleg. Wanneer zou deze lijst in handschrift gemaakt zijn en waarom stopt deze met de summiere opgave 1300 zonder eindjaar? Letterlijk staat er van t jaar 1300. Dit kan ook gelezen worden vanaf het jaar 1300 of na 1300 en dat lijkt logischer. Van de Orde van Antonius zijn in een armorial de confrérie de Sainte Antoine en Barbefosse vierhonderd ridders vermeld. [183] Dit boek is slechts voor enkelen toegankelijk. In lijst twee staan namen die voorkomen in de veertiende of vijftiende eeuw, is dit de  periode van waaruit  deze lijst van namen is samengesteld? Wat is het doel geweest deze namen zo te vermelden? Waarom de vermelding van een  onvolledige, geselecteerde  lijst want de meeste elders aangeven eerste ridders staan er niet op. Zijn er ridders die aan beide orden verbonden zijn? Hoe is een ridder in de  Orde te plaatsen als de jaartallen niet passen in het bijbehorende tijdsbestek?  De Orde van St. Antonius is eind veertiende  eeuw opgericht naar men aanneemt in 1382.  Het feit dat er ridders genoemd worden die leefden na de dood van Floris V kan op continuïteit wijzen of stierf de Orde een langzame dood na Floris en Jan?

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                Hieronder is de lijst letterlijk weergegeven. (In het origineel staan de namen  onder elkaar)

 De kopie van het handschrift

Extract uijt t Naemboeck ofte Register van persoonen met goede ende behoorlijcke onderscheijdinge welcke tot sulcx Riddere orderen gebrocht zyn. Uit de bibliotheek van het Carmalietenklooster. Een handschrift waarin leden van de Orde van St. Jacob en van de Orde van St. Antonius onder elkaar vermeld zijn.

St.  Jacobs Ridderen

Heer Herbaern van ter Leede  Nicolaes Van Subburg, Floris van Henegouwen Heer van Braine,  Willem van Hoorne Heer van Outena, Jan van Maelstede,  Heinric van Aske,  Arnoud van der Sluse,  Jan van Renesse,  Herbaren van Haestrecht,  Wolfart van Borselle,  Hugo van Crunighen,  Arnoldus van Ercle,  Jan van Cuick Ghysebrecht van Abcoude,  Arnout van Arckel.                                                                                                                                              Zy allen waaren ridderen van t jaar 1280 tot aen 1300

Jan II Heer van Haemstede,  Witte van Haamstede,  Arend Heer van Moermont uyt Renesse,  Floris I Heer van Haamstede,  Floris VI Heer van Bergen,  Arend II Heer van Moermont van Haamstede,   Dirk van Hodenpijl,   Jan Heer van Beaumont,  Jan Zuurmond,  Jan van Henegouwen, Heer van Vlissingen,  Ghijskijn Heer van Diepenburgh,  Jacob Aleman,  Raas II van Haamstede Heer van Moermont,   Franc Heer van Borsselen  Heer van Cruyningen,   Dierck van Voorne,   Floris II Heer van Haamstede,  Pieter van Serooskerken,   Otto II van Asperen,  Gerard van Wesemale                                                                                                                                     

Zy allen waaren ridderen van t jaar 1300

Analyse van de tekst toont aan dat het gaat om personen die wegens hun goede reputatie in een ridderorde zijn opgenomen, deze aanduiding komt overeen met de woorden die gebruikt wordt in de kronieken.                                                                                                                                                                  In het register (Naemboek) zijn zij met de hand geregistreerd in een bibliotheek van het  Carmalietenklooster, maar in welk klooster? Carmelieten wordt met een C of K geschreven, de betekenis van Carmalieten met een a heb ik niet kunnen vinden. De meeste Carmelietenkloosters zijn in de twintigste eeuw opgeheven of afgebroken.  Van Brienen had als priester in de Rooms-Katholieke kerk toegang tot archieven in kloosters. Het document is zonder verdere bron opgesteld.                                                                                                                                                                                        

Het ordearchief is klein want volgens de overlevering zouden  de belangrijkste archiefdelen  in de oorlog in beslag genomen zijn. De beheerder E.A.G. van den Boorn, rector van het Ursulinenklooster te Posterholt is door de Duitsers wegens het in bezit zijn van een geheime zender gevangen genomen en werd in november 1944 gefusilleerd. Helaas is er nergens een spoor van een ordearchief terug te vinden.  Als deze kopie van het Naemboek na de oorlog is gemaakt is dan lijkt een Carmalietenklooster in Holland Brabant, Zeeland  of Limburg  hiervoor het meest in aanmerking te komen. De Haarlemse graven-portretten zijn ook afkomstig uit een voormalig Carmelietenklooster dat later door de stad verkocht werd.[184] Zij zijn veilig gesteld voor de Beeldenstorm, zo ook het extract?[185] Dit klooster had een bijzondere band met Simon van Haarlem, de baljuw onder graaf Willem II en werd in 1249 gesticht.[186] In 1347 werd een groot deel door brand verwoest.  Het  in 1347 herbouwde  klooster ging in de zestiende eeuw over naar de protestanten en er is niets bekend over een bewaard  gebleven archief. De restanten van het predikheren kloosterarchief uit Haarlem zijn in Mechelen beland en worden nu ergens in Gent bewaard. Henderikx schrijft over de Haarlemse kloosters dat Floris V de stichter van dit Carmelietenklooster is geweest tussen 1287-1296. De kloosterarchieven maken een bijzondere tocht door als ze niet al vernietigd zijn. De carmelietenorde breidde zich aanzienlijk uit. Diverse carmelietenkloosters  werden in die periode ook buiten Holland gesticht. In de veertiende eeuw volgden stichtingen in Schoonhoven (1330), Woudsend (1337) en IJlst (1387), in de vijftiende eeuw in Vlissingen Ouddorp en Utrecht.[187]   Haarlem was van de dertiende tot de zestiende  eeuw een stad vol kloosters, zie kaart: 1.  Dit biedt slechts een mogelijkheid om te bedenken waar de bibliotheek aanwezig was. In Haarlem is alleen het kloosterpoortje nog van het originele complex over. Een carmelietenklooster dat als archief in aanmerking zou kunnen komen is een vestiging sinds 1652 in Boxmeer.  Een klooster dat ondanks de reformatie, in de Napoleontische tijd en de regeerperiode van Willem I kon blijven bestaan. Zouden zij nog een archief hebben?  Het adres van het kerkelijk gebouw is Steenstraat 39, 5831 JA Boxmeer,  karmelkringboxmeer@karmel.nl .Waarom zou een klooster uit 1652 een Naemboek over ridders uit de dertiende  eeuw bevatten? Een poging tot  inwinning van informatie leverde helaas geen resultaat op. 

De huidige carmelbeweging is verdeeld over Nederland in bezinningsgroepen. Carmelitessen bewonen nog in enkele kloosters in Nederland,  de meeste kloosters zijn verbouwd of dienen als ontmoetings-centrum.  Het imposante kloostercomplex in Merkelbeek, Limburg zou ook nog in aanmerking kunnen komen. De vestiging vanaf 1879 werd in 1922 door de carmelieten van de benedictijnen gekocht. Het overleefde de oorlog maar de orde nam in omvang af en de kerk werd afgebroken en het klooster werd een bejaardentehuis. Uiteindelijk  is het na brand gesloopt  en er is nu een asielzoekerscentrum in gevestigd.                                                                                                                              

De conclusie is dat de vindplaats van het Naemboek onbekend blijft,  Merkelbeek is niet uit te sluiten hoewel Haarlem als eerste in aanmerking zou komen door de stichting van Willem II en door en de later gemaakte panelen over het gravenhuis.[188] Boxmeer vormt het huidige als klooster beschouwd bestaande carmelieten centrum. Het carmelietenklooster en de rectoraatkerk in Oss dateren van 1893-1976 en zijn ook afgebroken.                                                

 











Terug naar de toetsing van het Extract. Waarom zou van Brienen een opsomming van niet al te bekende ridders uit een Naemboek verzinnen? Verzinnen niet, maar is hij wel kritisch geweest met betrekking tot de gegevens? Hoe wilde hij dit overdragen?  De Orde van Sint Antonius is in 1382 opgericht en was gevestigd in Bergen (Henegouwen) de meeste Zeeuwse edelen traden toe tot de Orde in  de periode tussen 1426 en 1437, nadien werden geen nieuwe leden ingeschreven en bleef alleen een kloosterorde tot eind achttiende eeuw over. De Orde bestond uit vierhonderd leden zowel mannen als vrouwen van hoog aanzien. [189] Dit betekende in adellijke geboorte, met ridders, knapen, dames en jonkvrouwen. De Orde had maatschappelijke doelstellingen zoals het beschermen van armen, weduwen en wezen en elkaar onderling te steunen. Het wapenboek is bijgehouden tot 1438 en begint in 1415. In 1481 werd in den Haag een tweede Sint Anthonius huis gesticht de Krepelt, naast het bestaande Pesthuis  met opvang van lammen kreuplen, zeerigen en verminkten. [190]  Ook in Bolsward, Groningen, Haarlem, Dordrecht, Rotterdam en op meer plaatsen ontstaan zulke tehuizen. Deze hadden uitsluitend een verzorgende functie en de adellijke broederschap maakte geen deel uit van het verplegend personeel.                                                                                                                                            

De Orde van Antonius staat los van de Orde van St. Jacob, het is mogelijk dat er enkele ridders lid geweest zijn van twee orden, dit speelt geen rol in het onderzoek dat in principe gaat om twee gescheiden orden. Toch blijft de vraag waarom de Orde van  St. Jacob en St. Antonius op een bladzijde van het extract staat? In de Oudheden en Gestichten van Zeeland zijn de St. Jacobsbroederschap en St. Antonius ook op een regel vermeld, bestond daar een verband tussen de twee?[191]  Betekent dit dat er ridders in Zeeland  opgenomen waren in twee orden?  

Een belangrijk uitgangspunt is dat ridders die voor 1382 gestorven zijn  niet voor de Orde van                St. Antonius in aanmerking komen.  Er staat onder de eerste vijftien, ” Zy allen waren ridderen van ’t jaar 1280 tot aan 1300 “en er boven de lijst  St. Jacobs Ridderen.  Dit sluit de Orde van St. Antonius in die periode uit.  

Na Gerard van Wesenmale stopt het Naemboek, de vraag is waarom? Zijn er geen de Ordedragers meer of, is zijn er geen historische gegevens meer?  De Sint Antonius orde had een broederschap met kloosters en hospitalen. Zijn er in de tweede lijst dan  uitsluitend St. Antonius Ridders te vinden?   Wat doen carmelieten met registratie van seculiere ridders? De Antoniusorde werd van kloosterorde een ridderorde met vestigingen in Frankrijk en Duitsland.[192] Van Steensel beweert dat dit in 1382 is geweest, dit komt niet altijd overeen met andere auteurs. Ook in deze orde ontbreken zuivere  stichtingsdata en er is samenhang met de broederschap. In deze broederschap die tot ridderorde werd omgevormd werd bestaan doelstellingen van trouw en verzorging, waren die los van elkaar te zien? Na 1436 zou de Orde niet meer verleend zijn, maar de dragers waren toen niet uitgestorven, hun bestaan kon wel tot 1500 gaan.

De onderzoeksvragen:                                                                                                                         Waarom werden deze vermelde Ridders in de Orde opgenomen? Wat is de relatie onderling en met de graaf, wat is er zo bijzonder aan deze groep, de eerste twaalf ridders van St. Jacob waren door Floris V vanuit een politiek strategisch motief gekozen. Is in de eerste vijftien ridders  uit het extract ook een samenhang te vinden en waren zij allemaal wel ridder van ‘t jaar 1280 tot aan 1300? De orde heeft als stichtingsjaar 1290 of  is in dit handschrift toch van 1279 uitgegaan?                                                                                                                  

Allereerst volgt  onderzoek in oorkonden, de aanwijzingen hierin geven meerdere inzichten in de relaties of woonoorden. Verder speelt een beloning, politiek gewin of verleende eer een rol in de keuze van de ridders. De leenmannen hadden inkomsten nodig voor hun ridderlijk bestaan en als dit niet uit een oorlog kon komen was de functie van ambtenaar zoals de baljuw, rentmeester of drost een aanzienlijke financiële aanvulling.[193] Ridderschap en adel gaan versmelten vanaf de dertiende eeuw en er ontstond een scheiding in stand ten opzichte van het gewone volk.  In de lijst ontbreken illustere namen zoals: Philips van Wassenaar en Jan van Teilingen en Willem van Egmond en Hendrik van Naaldwijk en voor Zeeland Nicolaas van Cats. Diederik VIII van Kleef schonk in 1290 de heerlijkheid  van Heusden en Altena aan Floris V en ontving het in leen.[194] Hij wordt wel tot de eerste twaalf ridders in de Orde gerekend het wekt de indruk dat er mogelijk sprake van omkoperij was. Zijn van Velsen en Woerden ook heren van adel voor het lidmaatschap uitgesloten, of zijn zij historisch weggemoffeld? Ondanks hun bewezen schuld in de moord zijn deze namen wel terug te vinden als principaelste ridders in de gemaakte kronieken van Jean Petit en Wouter van Gouthoven  overgenomen uit het werk van Cornelius Aurelius in 1515.

Het onderzoek van het Extract is intrigerend omdat behoudens de naam er verder niets aangeduid is, dit maakt het echter niet gemakkelijk. Alle genoemde namen zijn ridder,  begunsteling en in beginsel trouw aan de graaf naar de toen geldende norm. Ook hebben zij verdiensten in het graafschap en vormen een relatie door rang of familie. Er zijn ridders afkomstig uit Holland, Zeeland, Brabant en het Sticht aangegeven. Het bijkomende probleem blijft dat het soms niet duidelijk is wie bedoeld wordt. Veel ridders hebben dezelfde voornaam of de voornaam is niet vermeld.  Het zoeken naar harde bewijzen wordt een opgave, zal het lukken? Een bijkomend probleem is de Hoekse en Kabeljauwse strijd vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw tot eind vijftiende eeuw die sommige ridders veel reputatieschade bracht. Hieronder volgt het zoeken naar voornaam, plaats in de familie, woonplaats en betrokkenheid met de graaf en het vinden van de  erkenning als ridder van St. Jacob.

 

 

 

 

 







Antwoord van A.C..B. van Brienen, GmSJ over te vinden bronnen van de Orde van St. Jacob. Hij was de laatste ridder die de overdracht van een bewezen archief gaf.

 Op de kaart is de volgorde van de aangegeven namen gewijzigd om de leengebieden geografisch weer te geven. Er ontstaat hierdoor voor de graaf van Holland een strategisch interessant gebied.               In Het Sticht: Ghysebrecht van Abcoude, Heer Herbaern van ter Leede, Herbaren van Haestrecht,  Arnoldus van Ercle,   Arnout van Arckel.                                                                                                                                                         Grens Holland Sticht Brabant: Nicolaes Van Subburg, Willem van Hoorne Heer van Outena, Arnoud van der Sluse, Heinric van Aske, Jan van Cuick, Floris van Henegouwen Heer van Braine.                                                                                                                                  Zeeland:   Jan van Maelstede Jan van Renesse, Wolfart van Borselle,  Hugo van Crunighen,                           

Evenals bij de eerste twaalf worden geen ridders uit Gelre genoemd.  Zy allen waaren ridderen van t jaar 1280 tot aen 1300.                                                                                                                                         

Gijsbrecht  I van Abcoude is de zoon van Sweder I van Zuylen van Abcoude en wordt genoemd  in 1200-1260).  Zijn zoon Gijsbrecht II leefde omstreeks 1260-1300. De verbintenis met Abcoude is niet goed in bronnen weergegeven. Gijsbrecht van Abcoude was heer van Wijk bij Duurstede en de verlener van stadsrechten. Wijk bij Duurstede was leen van de graaf van Gelre waar in 1273 een kasteel stond dat helaas verwoest werd tijdens de Kennemer opstand ( 1268 -1275). Gijsbrecht van Amstel had bevel gegeven de burchten van Abcoude, Vianden en van Rijswijk te vernietigen. De daar wonende heren behoorden tot zijn rivalen in het Sticht en die wilde hij zo uitschakelen. Hoewel de relatie tussen Gijsbrecht van Amstel  en Sweder van Zuylen hierdoor ernstig was verstoord sluit hij zich toch aan bij de Amstels om samen met de burgers van Utrecht de bisschop te verdrijven. De elect Jan van Nassau dreigt te bezwijken onder de legermacht en kan niet anders dan zich onderwerpen aan de eisen van de te hulp schietende Floris V. De graaf krijgt hierdoor  de macht over het leen van het Sticht en ontvangt  grote inkomsten.  Gesterkt door grafelijke steun keert de Abcoude/Zuylen familie  zich  tegen Gijsbrecht  IV en zijn kompanen.  Zij tekenen met  de stad Utrecht  en  Sweder van Beusichem een verdrag dat de elect uitlevert aan de graaf, vergoedingen oplevert en tot militaire steun aan de graaf verplicht.                                                                                                          

Gijsbrecht van Abcoude  trouwt Asekin van Cats, weduwe van Hugo Botter (van Arkel) + 1283.                Het slot Abcoude werd waarschijnlijk in de dertiende eeuw gebouwd door Sweder van Zuylen. Abcoude was leen van de heren van  Amstel. Er was een gedeeld leen want het gerecht was leen van het Utrechtse kapittel van  St. Marie in het Sticht. De nieuwe relatie met het Sticht, de steun aan de plannen van Floris V het Sticht te beheren, waren zeker een beloning van de Orde van St. Jacob waard.

Claes Jansz. Visscher kasteel-Abcoude-omstreeks-1617 

 

 

 







Herbaren I van der Leede ( 1143) wordt gezien als de ambachtsheer  van Haastrecht en stamvader van de Arkels. Zijn zoon Folpert krijgt twee zonen Herbaren II van der Lede  (1227-1243-1258), de vader van Jan I van Arkel en Jan van der Leede  (1247-1258), zijn zoon is Herbaren III (of Hugo Botter). Een andere Herbaren is de broer van Jan I van Arkel, Herbaren van den Berghe (1254-1283).                                                                                                                                                               De genealogieën van het geslacht van Arkel zijn door Waale zo goed mogelijk in stambomen uitgewerkt. Toch blijkt dat met zoeken in de historische samenvattingen er veel verwarrende en lastig te bewerken informatie bestaat. Dit betekent dat door zuiver af te gaan op aangegeven jaartallen een lid van de familie niet in een bepaald tijdvak geplaatst kan worden. De geschiedenis van de heren van der Le(e)de blijft duister.[195] Getracht wordt hierin verheldering te geven.                                                                                                                                                    

Heer Herbaern van ter Leede, Leede wordt wisselend met een e of twee ee’s geschreven. Van Herbaren van der (ter) Leede  zijn er drie in de geschiedenis bekend en welke wordt bedoeld? De naam van ter Leede verwijst naar het gebied tussen Asperen, Heukelom en Leerbroek, genoemd naar de rivier de Lede die een  zijtak van de Linge is. Herbaren I  ( 1143-?)  heeft twee zonen Floris (1170-1207) en Folpert (1175-1212).

                                                                                                                                                           De zoon Floris Herbaren van der Lede wordt genoemd in oorkonden uit 1204 en 1207. 1207                    Van de kinderen van Folpert is de oudste zoon:  Herbaren II heer ter Leede en heer van Arkel (1205-1258).[196] De aangegeven dateringen zijn jaartallen waarin de personen in documenten vermeld zijn en   geen geboortedata. Herbaren II wordt gezien als de enige Arkel die nog naam ter Leede gebruikte. Zijn  laatste levensjaar zou 1258 zijn. Het daarop volgende geslacht noemde zich van Arkel. Tot zover is er geen probleem, echter de  heren van Haastrecht  noemden zich ook van der Lede. Zo werd de zoon van Jan van der Lede (1247-1258) Herbaren van Haastrecht ende Vlist maar in feite was hij ook een Herbaren (III) van der Lede.

De nomenclatuur in het verleden heeft voor verwarring gezorgd, waardoor  afgaande op de betrokken tijdsperiode kan Herbaren II van der Lede niet als Jacobsridder beschouwd worden.                              Wel Herbaren III, waarbij Hugo Botter ook een zoon moet zijn van Jan I van der Lede. In de oorkonden van 1285 en 1290 zegelt als derde Herbaren van der Leede voor  bijstand en trouw aan de graaf. Op een oorkonde wordt vermeld dat zijn zoon Jan van der Leede een vordering aan de graaf zal voldoen, daarna ontbreken vermeldingen met deze naam.

Herbaren II neemt rond 1250 de naam Arkel aan en dan volgen de Jannen. In de lijn van zijn broer blijft van der Leede nog in de 13e eeuw bestaan.[197]       







Wapen van der Lede





Tot de familie blijkt ook Arnoldus van Ercle te behoren, (1260-1343). Hij  wordt vermeld als Arnoldus de Ercle met (Arkel) in een oorkonde die in 1293 is gemaakt voor het kapittel van St. Marie te Utrecht als huurder van het gebied Meerkerk. Dit ligt op de grens van Utrecht en Zuid-Holland in de buurt van Reynestein. Hierdoor is hij een Stichts leenman van  de bisschop van Utrecht.     

Van Arnoldus van Ercle (of Arnoud van Arkel) wordt in de afstamming op meerdere manieren weergegeven met  de aanpassing van de naam in  Arnold in Arnoud soms Arend. Arnoud komt voor in de genealogische lijn van de erfgoedsplitsing naar de zonen van Jan I van Arkel,  Arnoud heer van Noordeloos (1289-1300) en Jan II. Zijn heerlijkheid grenst aan Meerkerk. Alle Arkels waren voor Floris V interessant om aan de Orde des graven te verbinden. 

Arnout van Arckel,  behoort tot het geslacht van Arkel – Van den Berghe- Liesvelt. Hij is de zoon van Herbaren van Arkel, heer van den Berghe (Bergambacht) en ook als Arnoud van Arkel van Liesvelt heer van v.d. Berghe aangegeven. In de oorkonde van 7 mei 1293 komen de meeste namen van de hierboven weergegeven ridders terug die tekenen in het verdrag tussen Floris V en Bisschop Jan Sierck en zij beloven onvoorwaardelijke trouw. Het zijn  Willem van Hoorne, Gijsbrecht van Amstel, Jan van Renesse, Jan van Arkel, Diederik van Brederode, Jan van Heusden, Huibrecht van Everdingen, Herman van Woerden, Willem van Strien, Arnoud heer van Herlaer, Willem van Egmond, Hugo van Cruijningen, Jan van der Maelstede, Arnoude van der Sluse, Arnoude van Arcle, Herbaren van Haestrecht, Arent van Wulven, Hendrik van Amersfoort, Elyas van Rininghe, Clais Persijn, Jan van Renesse, heer van Gouda, Lambrecht de Vriese, allen ridders. Van de In het extract vermelde ridders  staan er in de oorkonde  van 1293 acht eerder nog ”onbekende Jacobs-ridders uit het extract ” vermeld.  Van Amstel, Jan van Arkel, Jan van Heusden, van Brederode zijn al drie bekende Jacobsridders. Eerder staat aangegeven dat het verdrag  met goedkeuring ondersteund wordt door Jan de hertog van Lotharingen, Jan van Brabant en Limburg en graaf Diederik van Kleef. De grote groep ridders en cnapen worden gezien als zeer voorname getrouwen zij komen zeker in aanmerking voor het ontvangen van de Orde van St. Jacob. Na deze namen staan in de oorkonde; Floris van Borssele, Clays de Kats, Jan van Heukelom, Henric de Rover, Philips van Wassenaar, Phylips van Gruonnevelde, Floris van der Word, Daniel van der Merwede, Diederik van Zanthorts, Ghysbrecht van Rueel, Willem van Linschoten en Jan van Lynschoten zijn echter nog  cnapen.                                                                                                                                                      

In een oorkonde gemaakt op 25 juli 1299 schrijft Arnout van Arkel aan graaf Jan  dat hij zijn leen verbeterd heeft met 200 W en verzoekt hem dit te bekrachtigen nota bene toevallig op Sint Jacobsdag? 

 Wapen van Arkel

Wapen Haastrecht




Herbaren van Haestrecht, is de aangenomen naam van Jan I van der Lede, kasteelheer van de heerlijkheid Haastrecht  aan de uitmonding van de rivier de Vlist in de Hollandse IJssel. Grenzend in de Lopikerwaard aan Utrecht, tussen Gouda, Oudewater en Schoonhoven. Deze naam heeft voor verwarring gezorgd omdat de afstamming van  het geslacht van Arkel op vele manieren door kroniekschrijvers is geromantiseerd. Waale heeft uit de historische namen een indeling gemaakt die eerder besproken is bij het geslacht van Arkel

De eigenaar van Haastrecht is Jan I van der Lede, heer van Schoonhoven, zoon van Herbaren I.[198]  In 1253 wordt hij als ridder genoemd als bezitter van het huis te Haastrecht.[199] Zijn zoon noemt zich Herbaren (III) als heer van Haastrecht ende Vlist. Ook hij wordt ridder en Hij draagt hij zijn huis Haastrecht en het land daarom heen 50 morgen op aan Floris V, met de bepaling dat het huis zal altijd voor Floris V open zal zijn. Herbaren was een Stichts ridder die zich Hollands onderdaan gedroeg met het opdragen van het leen. Hier gaat de benoeming mank, want Herbaren wordt ook als Herbaren van der Leede aangegeven (zie boven). Door het herhalen van de familienaam Jan en Herbaren en het niet consequent de naam verbinden aan het bezit is een volledig correcte persoonsbeschrijving een opgave geworden. Het bezit van de Arkels was zeer uitgebreid, maar een duidelijke verbintenis komt alleen terug in de namen, Schoonhoven, Bergambacht, Liesveld, Noordeloos, Haastrecht, Asperen en Heukelom. In de oorkonden worden deze namen echter niet gehanteerd.

Herbaren I (1143) van der Lede wordt gezien als de ambachtsheer van Haastrecht en  stamvader. Zoon Folpert krijgt een zoon Jan van der Leede ( 1247-1258) en zijn zoon is;                                

Herbaren III, broer van Hugo Botter. (Hugo Botter komt ook als heer van Schoonhoven voor)[200]                                                                                                                                                      Herbaren II van der Lede  (1227-1243-1258)  is de vader van Jan I van Arkel, zijn broer is;                   Herbaren van den Berghe ( 1254-1283).

Haastrecht was leen van elect Jan van Nassau. De heren van de Krimpenerwaard hielden zich intensief met de bewatering bezig. Er zijn diverse oorkondes over afspraken over de watervoorziening. In 1272 betreft het Langerak en Cabauw, Herbaren III wordt hierin Harbernus de Lede heer van Haastrecht genoemd. [201] In 1272 verkoopt de heer van Haastrecht en van de Vlist aan de heer van Langerak vrije watergang. In oorkonde 168 wordt de Heer van Haastrecht met en van Vlist vermeld. In de voetnoot wordt dan hij genoemd Herbaren (van der Lede) van Haastrecht                                                                                  

De invloed van de graaf neemt toe in de dertiende eeuw ten koste van de bisschop. In de Krimpen en Lopikerwaard is de graaf van Holland de leenheer en al het Arkels bezit wordt leen van Holland. Van Arkel wordt de machtigste familie en diverse takken delen Noordeloos, Liesvelt en Haastrecht. [202] Haastrecht blijft na de dood van Jan van der Lede lang bisschoppelijk rechtsgebied, vastgelegd in Utrechts akten van begin vijftiende eeuw.  In 1346 liet Jan IV  van Arkel zich opnieuw belenen met Haastrecht. 

In de oorkonde van  5 juni 1293  krijgt Herbaren van Haastrecht toestemming van de graaf van Holland het water van de Lopik door zijn land te geleiden tot aan de Vliet en halve IJssel.[203] Na de ontvangen schenking in 1290 beleent  Floris V Herbaren en ook zijn nakomelingen het huis Haastrecht met 50 morghen land, dit is ongeveer vijftig hectare. [204] Als Herbaren in 1296 overlijd  zal Arnoud van Liesvelt heer van Berghe, d.w.z. (Arkel van den Berghe) onderzoeken welke schulden er nog te voldoen zijn.  De leengoederen vallen terug aan de leenheer de Proosdij Oudmunster. De Sticht’s leenman,  staat met een borgstelling voor Herman van Woerden en Amstel in 1285 garant voor hun vrijlating dit heeft hem echter zoals bij anderen gebeurd is niet verdacht gemaakt.

Tot belangrijke Zeeuwse ridders behoort Nicolaes van Subburg, (Claes van Souburg), heer van Subburg, (27-12-1273). De naam is afkomstig van de Sutburg (Zuidburg) een Karolingische burcht.                        Hij is heer van Alblas en 12-05-1280 heer op Walcheren.  (Oud Alblas en Alblasserdam waren  van Henric van Alblas eveneens een ridder). Hij krijgt de pacht van Blockwere en Nesse zonder patronaatschap van de kerk. Op zijn zegel staan een kruis met vijf Sint Jacobsschelpen.[205]  Een  Getekende afbeelding van het zegel van Nicolaas de Subburg, ridder, hangende aan een oorkonde van 1290,  bevindt zich in het Nationaal Archief in de Haag.

Nicolaas was met de heren van Egmond en Klaas Kats aanwezig  op een toernooi in Geertruidenberg in 1279, toen Floris V dit georganiseerd had, naar men vermoed ter gelegenheid van zijn huwelijk.[206]                                                                                                                                                                  Nicolaes was baljuw van Zuid-Holland. In deze functie wordt hij genoemd als hij vrijheid van verblijf verleent aan lieden die geschillen moeten uitvechten over gebiedsrechten. [207]  Dit is geheel volgens het recht van de raad van ’s graven mannen. Van Dirk van Teilingen  koopt hij het ambacht  Alblas op vierentwintig  september 1280 voor 100 pond en dit wordt door Floris V in een oorkonde bevestigd.                                                                                                                                                                           Op Walcheren bestond een kasteel Souburg in de buurt van Vlissingen, gegevens over deze  bewoning zijn niet bekend. Met Johan van Alblas sluit hij een verdrag over de tienden ten noorden van Alblas. Dit geeft aan dat de heren van Souburg zich in de Alblasserwaard vestigden met een hof. Later zal een familietak zich nog vermengen met een van Borselen in de vijftiende eeuw. Gebiedsuitbreiding ontstaat in de loop der jaren, het ambacht bestond eerst uit West-Souburg (Sutburg, Zuidburg) later ontstond Oost–Souburg.

 Zegel aan de oorkonde 1258. Ridder Simon van Souburg heeft als wapen een kruis, beladen met vijf schelpen, geplaatst in het midden en in elke arm.

Onderzoeksnummer 1222, B.J. Mooij Catalogus.

 Zijn wapen was in het bovenveld de Zeeuwse burcht en onder twee naar elkaar toegekeerde staande leeuwen. In Alblas liet hij een kasteel bouwen met vierkante torens.

 De wapens onder no. 45 van de familietakken Veere en Souburg bevinden zich in het wapenboek van de Orde van Sint-Anthonius; Bibliotheek Universiteit van Mons, Fonds Puissant, inv. nr. FP 11/132, fol. 22v en 28v.[208]

 

Nicolaes van Subburg behoorde tot de invloedrijke Zeeuwse adel, met de rang van baljuw van Zuid-Holland. Duiden de St. Jacobsschelpen in het wapen op pelgrimage? Waarom wapens schelpen hebben is niet goed te achterhalen hoewel hier vaak over gefantaseerd wordt. [209] Afgaande op bovenstaande  is het goed mogelijk Nicolaas als drager van de ordeketen van St. Jacob te beschouwen. Nicolaas had een beroemd geworden dochter, Maria van Souburg ( voor 1270-1336). In haar eerste huwelijk was zij getrouwd met Hugo van Kruiningen en Woensdrecht. In de ontmoetingen met de Brabantse kroniekschrijver Lodewijk van Veltheim (1275-1330) heeft zij hem  financieel ondersteund als chroniqueur van de Gulden Sporenslag. [210]

Arnold van der Sluse (Sluijs) van Heusden  (1245 overl. 1296), Brabants ridder Hij was de zoon van Hendrik van Heusden.  Arnold II was heer van Heusden en Sluis, neef van  Jan III  in de familie van Heusden, de opvolger van  Jan I en Jan II  en wordt diens leenman. [211] Het geslacht van Heusden stond in hoog aanzien in Brabant, een dochter Anna van Jan II van Heusden baarde een bastaardzoon van Floris V, de Witte van Haamstede (1280-1282). 

Zijn ouders zijn Hendrick van Heusden en Elizabeth van Doeveren

Van hen zijn twee kinderen bekend: 1. Arnold van der Sluis, 2. Jutta van Heusden.

Is de naam afkomstig van Sluse, ook wel Sluizen genoemd naar een plaats met waterkering op de Jeker, ten zuidoosten van Tongeren  (nu Belgisch Limburg)? Het is een Duits rijksheerlijkheid, beleend aan de hertog van Brabant en in achterleen aan Arnold van der Sluse. Arnold is in feite een  leenman van Jan III van Heusden.

Het wapen van Heusden bevat een houten rad met zes spaken. De beschrijving luidt: In goud een rood rad. Het schild gedekt met een gouden kroon van 5 bladeren. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk.

In Arnold’s biografie wordt een eerste huwelijk met Aleid van Roistelle en een tweede huwelijk aangegeven met Agnes van Boekhorst van de Lek. Arnold is in een charter van 1283 als ridder beschreven. In de slag bij Woeringen strijdt hij onder Jan van Cuijk met Jan III van Heusden tegen de legers van de graaf van Gelre. Zijn kinderen krijgen door huwelijke verwantschap met de familie Cuijk en Haemstede.  Op zijn graftombe siert de tekst over een zeer rechtschapen ridder. Bekend is dat hij meerdere malen als getuige aanwezig was bij het maken van oorkonden van de familie van Heusden en Cuijk en hij stond in 1288 borg voor Herman van Woerden, in 1290 voor Jan en Hendrik van Cuijk en in 1293  borg voor Floris V bij een verdrag met de elect van Utrecht. In zijn goede daden wordt hij  met anderen de stichter van het dominicaner klooster te Wezel en schenkt de Abdij te Berne (bij Heusden).    

Uit het huwelijk met Agnes van de Lecke worden zes dochters geboren waaronder:                                 -Jutta van der Sluse. Trouwt Wolfert van Keppel. Een wapenschild met een rad, een leeuw en een Jacobsschelp. Later drie schelpen. Lijsbeth van de Sluse en Agnes, die voor 1307 trouwde  met Witte van Haemstede. Geliefd bij allen is hij begraven in de abdijkerk van de Abdij van Berne. De graftombe ligt nu in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Het graf van Arnold van der Sluis in Berne gravure 1870.

 

 

Het land van Altena onder de grote rivieren. Kasteel Horn. Rond 1300 in het  grensgebied Zuid Brabant

 

Willem  II van Hoorne, heer van Outena (Horne en Altena) leefde van 1240-1304. Horn is de  plaats in Limburg  die verbonden is met het geslacht. Het land Altena is gelegen in het noorden van Brabant, begrensd door Maas en Merwede en in het zuiden door het land van Heusden. Willem behoorde  tot de hoge adel in de Lage Landen met grote heerlijkheden zoals Heeze-Leende, Loon op Zand en delen van Tilburg. Willem stond aanvankelijk ver af van het Hollandse grafelijk hof en in 1243 had hij zelfs verklaard dat hij altijd vazal zal blijven van de graven van Loon.[212] Altena had hij van Dirk III van Altena geërfd die als zwager die kinderloos stierf en gehuwd was met Heilwig van Altena. Vol overgave nam Willem deel aan de Achtste Kruistocht in 1270 onder leiding van Lodewijk IX van Frankrijk. De familie bezat veel land zo was Jan II van Arkel was leenman van Willem van de Kwakernaat naast Schelluinen waar sinds 1220 een commanderije van de Duitse Orde gevestigd was.                                                                                                                                                               Willlem  van Outena is ook wel Altena genoemd werd met zijn zonen verdacht van medeplichtigheid aan de moord op Floris V.[213] Bewijzen waren er niet maar de goede relatie met Jan van Cuijk en Dirk van Kleef maakte hem verdacht.  Willem zal  bij het ontbreken van mannelijk geslacht met Heusden beleend worden omdat  Willem getrouwd was met Sophia van Heusden. [214] Dit leen is een grensgebied Zuid-Holland en Brabant vlak bij Altena en daarom strategisch belangrijk.                            Het vechten was hem niet vreemd want hij neemt deel in de slag bij Woeringen  die in 1288  door Jan van Brabant glansrijk werd gewonnen. Aannemelijk is dat  hij geridderd werd door  Jan van Brabant waarschijnlijk in 1288. De hertog van Brabant sloeg velen voor de slag tot ridder waaronder graaf  Arnold V van Loon (met land in Belgisch Limburg).                                                                                                                              

Willem II en zijn zoon ridder  Willem III vechten met vijf en veertig ruiters mee in de strijd van de graaf van Vlaanderen tegen de Franse koning  die in 1297  in een nederlaag voor Vlaanderen eindigde  en Willem wordt met zijn zoon gevangen genomen. Ook in de Guldensporenslag in 1302 verliest hij aan Franse zijde en uiteindelijk sneuvelt hij roemrijk met zijn zoon in de slag bij Zierikzee in 1304. Jan van Heusden en van Cuijk behoorden tot de echte samenzweerders in het complot tegen Floris V, van Willem van Horne is dit niet bewezen. De drie zijn nooit echter gestraft.

 Als we vanuit politiek oogpunt de toekenning van de Orde van St. Jacob aan Willem II van Hoorne beschouwen is hij een geschikte kandidaat. Ten eerste is hij welgesteld en een hoogadellijke Brabander. Zij leen grenst aan Dordrecht en het land van Arkel in Zuid-Holland en Floris V wil daar geen oorlogsgeweld. In die tijd  had hij goede banden met Jan van Cuijk een ambassadeur van de Engelse koning Edward aanvankelijk een vertrouweling van Floris V. Zijn borgstelling voor de broers Gijsbrecht van Amstel, Willem van Amstel en Arnoud van Amstel in 1285 wordt aanvaard. Zij zijn 2000 pond door hun opstand aan de Hollandse graaf in het Sticht Floris V schuldig. Opvallend genoeg   staan hiervoor borg Jacob van der Woude heer van Warmond, Jan van Cuijk en Willem van Horne.

Floris kiest in 1290 voor zijn Orde ridders als bondgenoten.[215] In maart 1288, staat Willem ook borg voor Herman van Woerden, met o.a. de hertog van Brabant, de Graaf van Kleef en Dirk van Teilingen. Er bestaan meer oorkonden die het vertrouwen van de Graaf Floris in Willem  tonen  met van der Sluis, Jan van Heusden en Cuijk. Een toekenning van de eer van St. Jacob is niet uitgesloten.

Jan van Cuijk is een neef van Gijsbrecht van Amstel en vecht vaak voor Jan van Brabant. Hij geeft Floris een kasteel Tongelaar als leen in 1282. In oorkonden komen naast zijn naam leden van de familie van Heusden en van Hoorne  van Altena voor en dit kan op verwantschap duiden.[216]  In de slag bij Woeringen is hij een van de helden. Als ambassadeur van Floris V ging hij regelmatig naar de Engelse koning.  In 1296 loopt de spanning onder de edelen steeds meer op en van Cuijk ontzegt Floris zijn leenband via zijn kapelaan op in een wat ongewone manier om de boodschap over te brengen. [217] Jan wordt gezien als een van de belangrijke samenstellers van het plan om Floris V te vermoorden.[218]   Jarenlang genoot Jan van Cuijk  een hoog aanzien zowel in Brabant en Holland. Een toekenning van de Orde van St. Jacob is mogelijk, maar dan heeft hij net als van Amstel de belofte van trouw laten varen. Hij regeerde 54 jaar over zijn gebied en leefde van 1230-1308 en was getrouwd met Jutta van Nassau.[219]                                                                                                                                                               

 Wapen van  Cuijk                          Wapen  Asshe

Henric van Asshe (Aske), is een uit Brabant afkomstige ridder. Over Aske weinig aanvullende informatie te vinden. Waarschijnlijk wordt de Hendrik van Aske, ridder ( 1277) van Leest en Prolegem bedoeld. Hij draagt zijn goed in de parochie op aan Floris V en ontvangt het weer in leen terug. [220]  Leest lag vroeger in de buurt van Mechelen en is nu deelgemeente. Zijn zoon Robert d’Aske maakte deel uit van de ”helden van Brabant ” in de oorlogen tegen Gelre. In de Rijmkroniek van Melis Stoke, het derde boek worden Jan van Asche en Robert van Asche als ridders genoemd in de slag bij Woeringen. Het is bijzonder dat Henric het leen aan Floris afstond want dehertog van Brabant was ook heer van Asse. In het geval  van  het leen van de graaf van Kleef en Jan van Heusden heeft een vergelijkbare overdracht aan de Hollandse graaf plaatsgevonden. Henric had echter te Asse een plaatselijk vazal, heer tot Asse genoemd, die als onderdeel van zijn leenmanschap hereditair standaarddrager van de hertog vanBrabant was.[221] ook hij maakte deel uit van de legermacht o.l.v. Jan van Cuijk in de slag bij Woeringen 1288.[222] Het Oorkondenboek van Noord Brabant tot 1312 toont meerdere namen: Assha Aska, Asche, Asschka, Assche. Met de meest voorkomende naam Asse wordt een provincie in Vlaams Brabant aangegeven.

Roomskoning Willem II koos voor zijn eindstrijd tegen Vlaanderen in 1253 een landgevecht, het slagveld wordt de heide van Assche, niet ver van Maastricht. De het leger van de uitgedaagde Margaretha dat aanvankelijk versterkt was met het leger van Anjou, maar uiteindelijk niet, rok zich terug op de vastgestelde dag in september 1254 op de heide van Assche, zij waren te bang voor een nederlaag.[223] Henric van Asshe wordt als ridder van St. Jacob niet uitgesloten.

Floris van Henegouwen (Avesnes) heer van Braine is de zoon van Jan I van Avesnes en Aleid van Holland de dochter van Floris IV. Hij leefde van 1255-1297 en in 1268 was hij heer van Schiedam. Een van zijn broers was Jan II van Avesnes. Vanaf 1287 is hij beleend met Braine en Hal in Henegouwen.[224] Floris verklaart dat hij de door zijn broer afgestane landen in leen houdt. Hij behoorde tot de hoge adel en was familie van de Hollandse graaf. Bevestigd in oorkonde van 7 september 1272 verleent Floris V zijn neef Floris van Henegouwen het baljuwschap van Zuidholland zowel in de steden als daarbuiten. In 1281 ontstaat een twist over tolheffing in Schiedam met Floris V, die via een rechterlijke uitspraak gelijk krijgt. In 1283 bepaalt hij testamentair dat hij legaten heeft opgemaakt voor godshuizen in Holland, Middelburg en Zierikzee.Floris benoemde hem toen tot stadhouder van Zeeland. Ten slotte wordt hij prins van Morea in 1289 na zijn huwelijk met Isabella van Villehardoun dochter van Willem II prins van Archaia en Morea op gezag van Karel II van Napels. Zijn prinsdom omvatte de gehele Peloponnesos. Floris van Henegouwen behoorde tot de hoge adel met veel titels, is familie van de graaf en hierdoor is het Ridderschap in de Orde van St. Jacob goed mogelijk.

 

 

 




Links het wapen van  Henegouwen

Rechts het wapen van Schiedam.                                                                                                            In 1275 werden stadsrechten verleend door Aleidis van Avesnes.  

In het wapen siert de Henegouwse Leeuw.

 

Jan van Maalstede, Zeeuws ridder. Maelstede was een heerlijkheid in de omgeving van Goes.                 De familie bezat ook vier ambachten. Grootvader Wolfaert was heer van Maelstede en schout van Hulst. Hij kreeg twee zonen, Gerard die eveneens schout was en opvolger werd van zijn vader in Hulst, de andere zoon Willem beheerde de heerlijkheid in Kapelle. Jan I, Willemszoon is zijn opvolger en hij plaatst zich onder de hoge edelen.[225]  Jan, Willemszoon komt voor in de oorkonde van 1292 waarin hij samen met vele andere Zeeuwse ridders verklaart de zijde van Wolfert van Borsselen te zullen volgen en de Graaf van Vlaanderen te huldigen toen graaf Floris hun eigendommen had afgenomen en zijn beloftes had verbroken. [226] Hij ontvangt voor dit verraad jaarlijks 100 pond. In 1293 herstelt hij zich en belooft hij de Hollandse graaf met raad en daad te steunen, lijf en goed in alles wat mogelijk is te verdedigen en de Vlaamse graaf uit te zonderen. Floris en de bisschop van Utrecht sluiten een verdrag op 7 mei 1293 en in een beschreven borg zegelt Jan met onder andere hertog Jan van Limburg, Jan van Brabant en Dirk van Kleef en de ridders Herbaren van der Lede, Willem van Horne, Gijsbrecht van Amstel, Jan van Renesse, Dirk van Brederode, Jan van Arkel, Jan van Heusden, Arnoud van der Sluis, Herbaren van Haastrecht, Hugo van Cruninghe, Arnoldus van Arcle en Herman van Woerden.                                                                                                                                                                                                                                                                        

In 1298 zegelt Jan de belofte van Gillis van Cruninghen aan graaf Jan I samen met o.a. Jan van Cruijningen.[227]  Jan van Maalstede komt veelvuldig voor in oorkondes en is een belangrijk ridder naast de eerder bestaande vertrouwelingen van Floris V.[228]  Hij is een geschikt kandidaat voor de Orde van St. Jacob.

Onder =Reproduction of the old book from Claes Heynenzoon before 23 june 1405}} |date=2016 |source=[https://galerij.kb.nl/kb.html#/nl/wapenboek/ kb.nl] |author=Claes Heynenzoon before 23 june 1405, SVG {{.het wapenboek Gelre}.

Wapen Jan I, Willemszoon van der Maelstede afkomst uit het Wapenboek Beyeren, Maelstede op 3 en 5, op 6 Jan van Heenvliet, op 7 van Kruiningen op 9 Jan van der Woude.

 

 Jan II van Renesse ( 1267-1293) Jan III van Renesse ( 1268-1304), Zeeuwse ridders

Jan II 1250-1294, is kasteelheer van het slot Moermond en heeft grote bezittingen op eiland Schouwen. Jan II is een trouwe steunpilaar en raadgever van Floris V in Zeeland en tevens een belangrijk krijgsheer in het strijdgewoel tegen de opstandige bisschop elect in 1280. Een duidelijk bewijs van zijn kunde is de inname van slot Vredelant. Als beloning wordt hij de hoogste ambtenaar in Gouda een strategisch gelegen gebied. In zijn gebieden verkrijgt hij tolvrijheid voor de Goudse poorters van Floris V en dit is een grote stimulans voor de handel.

Floris maakt in 1290 een grote fout door zich grote gebieden in Zeeland toe te eigenen en het gevolg is dat de Zeeuwse adel zich tegen hem keert, waarbij de van Borselen en van Renesse zich aansluiten bij de graaf van Vlaanderen. Ook na zijn vrijlating uit Biervliet is de relatie met de wispelturige Floris ondanks verzoening nooit meer als vroeger. Hij vergeeft Jan de dwaling maar Floris neemt maatregelen en dwingt de kinderen van Jan van Renesse en Dierck van Brederode met hoge raadslieden huwelijken te sluiten.

Jan II en Jan III zegelen lange tijd als raadlieden voor Floris V oorkonden. Als Jan II in 1293 overlijdt, erft Jan III zijn bezittingen en krijgt hij ook de rang als legeraanvoerder. Hij verslaat de opstandige van Borselen met een Hollands leger in 1295. Na de dood van Floris V wordt hij raadsheer van graaf Jan I, maar dit is tijdelijke functie. De intrigerende van Borselen maakt hem verdacht en Jan III moet uitwijken naar Vlaanderen met het verlies van zijn kasteel en land. In de Guldensporenslag kiest hij de Vlaamse zijde in 1302 en wint glorieus. Zijn keuze voor de Vlaamse graaf maakte een terugkeer bij Jan van Avesnes onmogelijk en hij verliest zijn Goudse bezittingen aan diens broer Jan van Beaumont. In 1303 werd hij toch na een aanvankelijke overwinning van de Vlaamse legers door de Hollanders verslagen. Als hij vanuit Utrecht vlucht voor de Witte van Haamstede verdrinkt hij in de Lek in 1304. Jan II is zeer dienstbaar geweest als een ridder in St. Jacob. In de Divisie kroniek is hij als drager van de Orde des graven beschreven.

De opstand in Zeeland had grote gevolgen. De Zeeuwse edelen voelden zich ernstig tekort gedaan door Floris V die hen in 1290 hun rechten afnam en kwamen in opstand met als aanvoerders Jan van Renesse en Wolfert van Borssele.[229]  De rooms-koning Rudolf vermaant de Zeeuwse edelen zich aan de wettige vorst de graaf van Holland te onderwerpen onder bedreiging van ongenade. De opstandige ridders worden in hun verbonden oorkonde duidelijk beschreven, het zijn: Jan van Renesse, Dedorico, heer van Brederode, Wolfert van Borsselen Jan van Maelstede, Floris van Borsselen en Nicolaes Kats.[230] In 1286 wordt Jan II als ridder genoemd. [231]  Van Steensel geeft aan dat er verdeeldheid onder de Zeeuwse edelen bleef voortbestaan jarenlang wantrouwen. Na van Renesse, van Borselen en van Brederode keerde niet iedereen weer terug naar de graaf van Holland.[232] Graaf Jan II van Avesnes weigerde zich te verbinden met de zich eerder opstandig getoonde edelen. Slechts de geslachten Wassenaar, Polanen, Santhorst konden zijn gunsten ontvangen. Onafhankelijke Zeeuwse edelen werden baanderheren, baanrotsen genoemd en zij erkenden slechts de graaf van Holland als leenheer. Voorbeelden hiervan waren de heren van Putten, van Voorne, van Heusden van Altena, van Brederode en van Arkel, van Borselen, Renesse en Haamstede.[233]

 Wolfert van Borselen  (1245-1299),  de heer van Zandenburg en  Veere was gehuwd met Sybille van Preat vrouwe van Waterland.  In een tweede huwelijk in 1297 verkoos hij Catharina van Durbuy de weduwe van Albrecht van Voorne. Hij was een opstandig edelman maar ook een gewiekst politicus door zijn leengoed Zandijk in Walcheren op te dragen aan de gravin van Holland Beatrix en daarna het weer sterfelijk in leen te ontvangen. Zo stelt hij zich veilig bij Floris V. Wolfert was een van de aanvoerende edelen die in 1290 zeer ontevreden was hoe Floris V omging met de Zeeuwse rechten en het bestuur zich toe-eigende.[234] Uit woede had hij samen met Jan van Renesse en een aantal Zeeuwse edelen hulde beloofd aan Gwijde van Vlaanderen. Vlaanderen valt Zeeland binnen en eist dat Floris V onderhandelt. Hij wordt bij Biervliet gevangen gehouden totdat hij de wensen van Gwijde en de Zeeuwse edelen inwilligt. Het krachtenspel tussen Wolfert en Floris was een van geven en nemen. Onder druk van de Zeeuwse edelen verleende Floris Wolfert in 1290 hem het baljuwschap van Zeeland als zijn plaatsvervanger in het graafschap. In de oorkonde 745, gemaakt op dertig oktober 1290 vergeeft Floris V Wolfert zijn opstandigheid en neemt hem op in zijn grafelijke Raad voor het leven op dit wordt gedateerd op vijf november. Deze beslissing splijt de Zeeuwse adel, voor de zekerheid wordt ook zoon Floris van Borselen lid van ’s graven raad.[235] De aangestelde scheidsrechters zijn Wolfert van Borselen, Jan van Arkel en Philips van Wassenaer. Ook Willem heer van Strijen belooft in 1290 samen met Wolfert van Borselen en Jan van Renesse Floris V te zullen dienen.[236] Getuigen Wolfert van Borselen, Jan van Arkel, Hertbaren van der Leede, Floris van Bersele, cnape, zegelen de oorkonde. [237] Een jaar na zijn benoeming verliest Wolfert de titel baljuw. In 1292 is al het vertrouwen in de graaf weg want Floris komt zijn beloftes niet na en de teleurgestelde edelen onder leiding van Wolfert achten zich van hun goed verdreven. Het landrecht gelijk aan dat van 1256 werd niet gevolgd en de gestolen goederen werden door Floris V geconfisqueerd. De edelen sluiten zich weer bij de graaf van Vlaanderen aan die hen financieel voor hun gederfde inkomsten vergoed.[238]  Onder de in de oorkonde weergegeven edelen ontbreken echter Jan van Renesse, Dierck van Brederode, Jan van Cruiningen en Jan van der Maelstede. Met de eerdere opname in de Raad is ook een opname in de Orde van St. Jacob als politieke zet zeer goed mogelijk geweest. In de Reigersberg Cronijcke is Wolfert als drager van de Orde des graven vermeld, samen met Jan van Renesse en de heer Jan van Cruijningen.[239]

In 1292 hebben meer dan 20 edelen  zich van Floris V afgekeerd wegens het niet nakomen van zijn beloftes en huldigen de graaf van Vlaanderen. Wolfert en de edelen worden uitgesloten als Floris V, Gwijde en koning Edward een bestand sluiten. De banneling Wolfert keert na 1294 terug naar de Hollandse graaf en wordt aangesteld als legeraanvoerder. In 1295 valt de graaf van Vlaanderen Zeeland binnen maar wordt smadelijk verslagen door het Zeeuwse leger onder aanvoering van Wolfert van Borselen In 1296 is hij legeraanvoerder van een leger dat de West-Friezen verslaat bij Monnickendam. Dienstgetrouw riskeert hij zijn leven voor Floris. Het herstel met de graaf wordt volledig in 1296 het jaar waarin Floris V openlijk van Borselen vergeeft. Deze schaart zich met familie en anderen edelen achter Floris V en zij oorkonden dit op 1mei 1296.[240]  Floris V besluit, nadat de Engelse koning hem beledigd heeft door de wolstapel naar Brabant te verplaatsen, met de Franse koning Philips de Schone een overeenkomst aan te gaan. Hij belooft hem te verdedigen en met zijn leger in oorlog te steunen. Deze belofte wordt vastgelegd op negen januari 1296. Zegelaars zijn Dirk van Brederode, Jan III van Renesse, Willem van Egmond, Hendrik van Naaldwijk, Willem van Hoorne en Altena, Nicolaas III heer van Strijen en Putten, Philips van Wassenaar en Jan van Teilingen. Roth beweert stellig in zijn beoordeling van de geuite beschuldigingen door Melis Stoke die beschreven worden in de Rijmkroniek dat Wolfert van Borselen een van de samenzweerders zou zijn geweest in complot om Floris V te vermoorden, dat hiervoor geen enkel bewijs te vinden is. [241]                                                                                                                                                  

De dood van Floris V bracht een bestuurlijke chaos te weeg en het bestuur van Holland en Zeeland werd voortgezet in een raad samengesteld met Wolfert van Borsselen, Philips van Wassenaar, Hendrik van der Lek en Jan II van Arkel. Zij droegen zo bij aan de voorbereiding van de opvolging van Jan I als graaf van Holland.[242] Wolfert werd door zijn dominante invloed op graaf Jan I en voor zijn machtstoename in Zeeland en Holland gevreesd en gehaat. Dordrecht legde hij te strenge regels op en het liep uit op een conflict met het stadsbestuur. In het heetst van de strijd moest hij de stad ontvluchten, maar werd achtervolgd en uiteindelijk vermoord in 1299 in Delft. Wolfert was belangrijk genoeg om de Orde te ontvangen in de verzoening rond 1290 en zijn promotie tot baljuw. [243] Dat hij niet tot de eerste twaalf behoorde heeft wellicht met zijn voortdurend tegenspel te maken gehad.

Hugo van Cruninghen (Kruiningen, Cruiningen, Cruininghen Cruijningen), is bezitter van de heerlijkheid op de Zuid Bevelandse eilandjes) van 1242-1293. Hugo is als ridder vermeld in 1290.

De opbouw van de familie ontwikkelt zich met rijkdom en macht. In de twaalfde eeuw huwde Wouter I van Cruiningen Bela van Maelstede. Zoon Godfried krijgt als zonen Hugo en Wouter. Hugo huwt Maria van Herlaer en zij krijgen de zonen Jan en Willem. Met Jan ontstaat door huwelijk het bezit van Woensdrecht. Begin veertiende eeuw ontstaat het hoogste ambachtsbezit in Zeeland. Na van Renesse, van Borselen, komen in de derde rang de van Cruiningen en als vierde de van Maalstedes. Hugo van Cruiningen, ridder, Wouter, ridder en Jan, nog cnape in 1291 komen in diverse oorkonden terug. Deze ridders zijn het zeer oneens met de genomen maatregelen door Floris V in 1290 en kiezen voor hun rechtspositie de kant van Gwijde van Vlaanderen. Het Oorkondenboek van Holland en Zeeland toont aan dat Hugo’s naam op oorkonden uit 1277, 1287, 1288, 1289, voorkomt. Hij staat hoog op de lijst van zegelaars soms achter van Brederode en soms achter Wolfert van Borselen.

In 1293 zegelt Hugo samen met Jan en Arnoud van Arkel, Arnoud van der Sluis, Jan van der Maelstede, Herbaren van Haestrecht, Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden en meerdere hoge ridders het verdrag tussen Floris V en de bisschop van Utrecht. [244] Jan van Cruiningen en Jan van der Maelstede hadden zich in 1292 met Jan van Renesse en zijn neef Dierck van Brederode openlijk met Floris V verzoend. [245]  Jan van Cruinigen wordt in de Reigersberg kroniek als drager van de orde des graven beschreven.

 

Wapen Cruiningen.

 

Wolfert van Borselen uit het raam gegooid en vermoord in 1299 in Delft. Prent Jan Luyken 1674-1676) Rijksmuseum

Deel II van het extract na 1300  over de veronderstelde ridders in de Orde van St. Jacob en in de Orde van St. Antonius.

In het bovenstaande eerste deel past uitsluitend het stichtingsjaar 1290, dit wordt in het volgende deel ook aangehouden. Over de achtergrond van Dierck van Voorne in de boven vermelde periode is weinig bekend. Dirk I van Voorne, had de adellijke titel Heer van Voorne en komt voor in de jaartallen van 1156 tot 1189. Als een van de voorname geslachten bezaten zij het naast het erfelijk leenrecht al vroeg het burggraafschap. De burggraaf is de hoogste macht in Zeeland. Zijn vader was Hugo III van Voorne met als stamvader Hugo. Dirk I komt wegens de aangegeven jaartallen niet in aanmerking voor beide Orden. Dirk II staat vermeld van 1170-1228. Dirk II zijn tweede zoon Dirk III leefde na 1300 niet meer. Over hem bestaat geen documentatie als zoon naast de eerste zoon Albregt. Dirk II kreeg vijf zonen en een dochter. Als burggraaf werd hij bekend door zijn hulp in de overstroming van Voorne in 1220 en de schenkingen aan de abdij Ter Doest.

Wel is het vreemd dat hij na het overlijden van Albregt in 1287, Dirk III niet de opvolger van zijn vader werd maar Catharina van Durbuy en  zie hiervoor de stamboom. Ook hier zijn de jaartallen niet een houvast, vermoedelijk was hij eerder dan aangegeven overleden. Een andere Dirk die ook in aanmerking komt als ridder van St. Jacob is de bastaardzoon van Catharina van Durbuy, de tweede vrouw van Albregt van Voorne de broer van Dirk. Over deze Dirk is zeer weinig bekend en aan zijn bestaand wordt getwijfeld. Toch vermeld Loosjes hem in zijn Characterkunde, als bewijs van de meerdere sexuele uitspattingen van Floris. [246] Catharina werd de stiefmoeder van de kinderen uit zijn eerste huwelijk met Aleyd van Loon, de dochter Mabelia trouwde met Jan III van Arkel.

 

Catharina van Durbuy was de moeder van de laatste mannelijke telgen uit  het geslacht van Voorne, geboren uit haar huwelijk met Albrecht van Voorne. Dit zijn Gerard (1289-1337), Hendrik en Zweder. Als een mysterie wordt Catharina in de geschiedenis aangegeven als de minnares van Floris V die voor hem een bastaard Dirk baarde. Het feit wordt vermeld in het oudste keurboek van Brielle en is later aangehaald door van Alkemade en van der Schelling in de Beschrijving van de stad Brielle en den lande van Voorn, Rotterdam 1729, p. 204. Het is bekend dat Floris niet wegkeek voor aantrekkelijke vrouwen en  Catharina   werd  als beeldschoon gezien. Zij trouwde een man op leeftijd  en nadat die overleed leert de geschiedenis ons  dat Floris haar in bescherming  nam en haar aan het hof uitnodigde. Hij begiftigde haar met de heerlijkheid Teilingen in 1287 en Catharina  nam het bestuur  als burggravin van Voorne over. In die  periode zou Dirk  geboren  moeten zijn. Deze  Dirk  kan de naam Voorne en Teilingen gehad hebben. Zowel Obreen als Dek vermelden  Dirk de bastaard wel, maar geven aan dat hij in geen enkele oorkonde vermeld is en evenmin in de registers  van de grafelijkheid.  Zij noemen alleen de naam met een korte verwijzing. Helaas is het bestaan van deze Dirk hierdoor  niet te achterhalen, ondanks een aantekening in het oudste Brielse keurboek.[247]

De tot het hoge adellijke geslacht Voorne  behorende edelen, speelden een belangrijke rol in hun steun  aan Lodewijk van Loon en nadien volgden zij de graven Willem I, Willem II en met  Floris V was een grote  band. In het spanningsveld van de hoge adel rondom de jonge minderjarige Floris werd uiteindelijk Albregt van Voorne de belangrijkste raadsheer en ontstond er verwijdering tussen de Voornes en de Teilingen. Catharina´s zoon  Gerard (1289-1337) werd hoveling en trouwde de dochter van Wolfert van Borselen met de naam Heilwich. De mannelijke lijn van Voorne sterft uit in 1372. Wegens het ontbreken van een registratie wordt het bestaan van bastaard Dirk in twijfel getrokken en dit maakt moeilijk hem als ridder van St. Jacob te beschouwen.[248] Aan de andere kant is een Dirk bewust in de lijst na 1300 vermeld. Samenvattend komen voor een toekenning van ridder in  de Orde van St. Jacob  alleen Dirk III en de bastaard Dirk (van Durbuy) in aanmerking. De jaartallen rond Dirk III zijn zeer verschillend. Kortom het bestaan van Dirk de bastaard is twijfelachtig, maar niet uitgesloten.

Het overzicht de familie van Voorne

 

 

 

 

 

 

 





Een Heer van Cruiningen als lid van de Zeeuwse adel wordt in het extract vermeld. Helaas is hier geen zorgvuldigheid betracht want er is geen voornaam aangegeven en het passend jaartal is hierdoor moeilijk aan te geven. Meerdere personen van het roemrijke geslacht komen hiervoor in aanmerking. In de stamboom van het geslacht van Jan van Cruijningen zijn de jaartallen en de namen in de begintijd verwarrend, maar er zijn zeker belangrijke ridders tussen 1382 en 1436 bekend. De enige aangeven ridder als drager van de orde des graven in de kronieken is Jan van Cruiningen, zoon van Hugo van Kruiningen. Jan van Cruiningen (1270-1326), was met Boudewijn van Yerseke belast in 1304 met de verdediging van Zierikzee, onder bevel Willem van Oostervant.   Hij gaf hulde aan Jan I maar in 1299 koos hij de kant van Vlaanderen. Een aantal jaren later bekeerde hij zich weer tot het gravenhuis en Willem III neemt hem in 1303 in genade aan. In leen ontvangt hij het aan de graaf opgedragen stenen huis. Door zijn levensstijl  krijgt  hij in 1329 te grote schulden. De graaf vraagt vermogende ridders hem te ondersteunen om niet in barre armoede te geraken. Hij trouwde Margaretha van Woensdrecht, krijgt de zonen Johan en Arnoud en leefde  tot 1349. Hugo en Jan van Cruijningen kunnen in een lijn ridders van St. Jacob geweest zijn.

De oorkonde van 1 april 1323 te Middelburg

Graaf Willem III beleent heer Jan heer van Kruiningen, ridder, met het steenhuis met hofstede, gracht en nederhof alsmede met andere goederen in het dorp van Kruiningen, welke goederen hem door Jan en diens echtgenote vrouw Margareta vrouwe van Kruiningen waren opgedragen, hij bepaalt de vererving van het leen, en hij stipuleert dat het steenhuis een open huis voor hem zal zijn; de oorkonde wordt op verzoek van heer Jan meebezegeld door de heer van Voorne.

In de gedocumenteerde namen die ingeschreven zijn in het register de Orde van St. Antonius  komen slechts een minderheid ridders uit Holland, Zeeland, Gelderland en Brabant voor. Ingeschreven zijn de heer van  Assche, Blois, van de twee Brederodes Willem en zijn vrouw, drie leden van de familie  Cats, drie van Borselen, de Hornes, Floris van Arkel en de heer van Grimbergen. [249] Zij zijn in de periode 1415-1438 nauw verbonden met Jacoba van Beieren. [250] Jan van Cruninghen staat in 1491 wel vermeld als ridder van het Gulden Vlies.[251] Ik heb geen aanwijzingen gevonden voor een opname in de orde van St. Antonius van een heer van Cruiningen.











Overzicht van de Burggraven van Zeeland uit de Nieuwe Cronyk van Zeeland, Mattheus Smallengange 1669 pag. 318. Het geslacht van Cruijningen heeft jarenlang belangrijke functies gehad in Zeeland getuige de lijst.

De beroemde Witte van Haemstede ( afbeelding Manpad) werd geboren tussen 1272 en 1282 en is overleden in 1321. Hij is de eerste bastaard zoon van Floris V. De vaak beschreven verwekking van de Witte bij een dochter van Jan van Heusden wordt algemeen aangenomen, maar is nooit volledig bewezen.[252]   Hij ontving van graaf Jan I Haemstede in 1299 in leen en voortaan droeg hij het landgoed als zijn naam. Graaf Jan had het kasteel Haamstede laten verwoesten en de goederen van Jan van Renesse werden verbeurd verklaard als straf voor zijn overlopen naar de Vlaamse zijde. Als bastaard was de Witte de halfbroer van de graaf. Voor 1310 trouwde hij Agnes van der Sluijs.[253]  De ridderslag ontving hij van jonker Willem van Avesnes samen met vele krijgslieden voor de veldslag in 1303. Zij wonnen de verdediging van Zierikzee op 11 augustus 1304 en dit bracht een wapenstilstand met de Vlamingen. [254] Zijn zonen kregen ook de naam van Haemstede met de voornamen; Floris I, Arend I en Jan I. Op zijn schild droeg hij de barensteel van links boven naar rechts onder. Zijn overlijden voor 1382 sluit lidmaatschap van de Orde van St. Antonius uit. Met zijn hoge rang is opname in de Ridderorde van St. Jacob niet uitgesloten.

Wapen Rode Leeuw in goud, blauwe nagels, een zilveren rad uit het wapen van Heusden.











Een trotse Witte van Haamstede met schildknaap in de intocht in Zierikzee na de overwinning op Vlaanderen (Maskerade Leiden 1865).

De kinderen en de kleinkinderen van de Witte worden hieronder achtereenvolgens besproken. De oudste zoon in de eerste lijn is Floris (I) van Haamstede, heer van Haamstede van 1321-1345, en hij is als ridder vermeld in 1328. In 1342 wordt hij verheven tot baanrots (baanderheer). Als de eerste zoon van de Witte, wordt hij heer van Haemstede en deelde zijn goederen met zijn broers. De baanderheren hadden meer privileges en droegen ter onderscheid aan hun lans een vierkant vaantje, de ridders waren herkenbaar aan een driehoek. In 1338 wordt hij raadsheer en zegelaar aan het hof van Willem IV. Graaf Willem IV beleent hem met goederen en de Schachtekijnsepolder op Zuid Beveland en vervolgens wordt hij tot baljuw van Zierikzee bevorderd. Ook zijn militaire activiteiten bleven niet onbekend. Hij was de held van de slag bij Doornik in 1341 en deed mee in de belegering van Utrecht in 1345. De bloedige slag bij de slag in Warns (Friesland) in september 1345 waar hij deel uit maakte van het leger van graaf Willem IV overleefde hij niet. [255]  Zijn heengaan, wordt ook anders vermeld in een sterfjaar rond 1377, maar een roemrijk einde maakt geschiedenis.[256] Floris trouwde met Goede van Bergen, dochter van Willem van Haarlem en Jutte Persijn. Zij was een rijke partner en trouwde in een tweede huwelijk met Gerard III van Maelstede heer van Marxem, (zie onder) en zo krijgen zij land in Brabant en in Kennemerland. De gegeven data maken een lidmaatschap van de Orde van St. Antonius onwaarschijnlijk. Opname van Floris in de Orde van St. Jacob wordt zeker mogelijk geacht in de lijn van zijn vader en grootvader.

 Arend  I  heer van Moermont uyt Renesse is de tweede zoon van de Witte (I). Het slot Moermond, gebouwd door Costijn van Renesse tussen 1230-1244 was na de verbanning  van de kasteelheer Jan III van Renesse vernietigd. Jan werd eerst van samenzwering van de moord op Floris V door Wolfert van Borselen beschuldigd. Van Borselen opende daarna de aanval en het kasteel werd na een maanden lange belegering ten slotte verwoest in 1297. Jan wist ternauwernood te ontsnappen en kon zich slechts zonder levensgevaar in Vlaanderen vestigen. Later werd Jan III van Renesse van samenzwering tegen Jan I van Henegouwen, de opvolger van graaf Jan I beschuldigd. Dit maakte een terugkeer naar Holland en Zeeland onmogelijk. Jan I stierf in 1299 en Jan van Henegouwen stierf als graaf van Holland in 1304 een maand na de slag van Zierikzee. De bij de Vlamingen aangesloten ridders Jan III van Renesse, Jan II van der Leede en Arent van Benschop vluchtten voor hun belagers en verdrinken in de Lek op weg naar Utrecht. De Witte van Haemstede neemt het slot in en draagt dit over aan zoon Arend I. Arend I was getrouwd met Margaretha van Cats vrouwe van Simonskerke. In 1339 wordt hij vermeld als heer van Oostzaan, Wormer, Akersloot, Hillegom en Vennep. Hij werd tot ridder bevorderd voor 1345. Meldingen tussen 1348-1350 geven een gewelddadige dood aan. [257] Arend (Aernoud) liet in 1340 op de restanten van het kasteel een tweede kasteel Moermond bouwen. Hij is gestorven voor instelling van de Orde van St. Antonius en dit maakt het onmogelijk als drager van de Orde beschouwd te worden. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten werd ook het tweede kasteel Moermond verwoest. Pas vele jaren later ontstond er een nieuwbouw toen Jacob van Serooskerke in 1513 de ruïne kocht om er een nieuw kasteel van te maken.

Een ridderschap van Arend in de Orde van St. Jacob is niet onmogelijk te achten.

 

Het kasteel Moermond bij Renesse afbeelding in de Cronyck van Zeeland van Mattheus Smallengange, 1695 (Zb, beeldbank Zeeland).

Jan II heer van Haamstede, ridder is vermeld van 1320-1386. Hij was de zoon van Floris I van Haamstede, ridder en Goede van Bergen (NH). Hij bestuurde de ambachtsheerlijkheid Bergen sinds 1300 als een afzonderlijk leen en het Haamstede erfgoed samen met zijn broer Floris II.[258]  Hij huwde Maria van Cruijningen, dochter van Raas van Cruijningen en in een tweede huwelijk een jonkvrouwe van Renesse.[259]  In 1345 raakt hij in conflict met Wolfert III van Borselen wegens de moord op zijn oom Arnoud van Haamstede. Het gerecht bepaalt vervolgens dat hij vanaf 1351 met een zoen jaarlijks 1000 pond tournois zal ontvangen. Een band met de graaf van Holland bestond al sinds vroeger tijden. Toch sloot hij zich aan bij de Hoekse partij en werd door graaf Willem V, een Kabeljauw, hiervoor verbannen. Eerherstel volgt want hij wordt door hertog Albrecht ”de verzoener ” in genade aan het hof ontvangen en krijgt de belening van de goederen van Jan Zuurmond. De Hoekse en Kabeljauwse twisten duurden van 1345 tot 1492 en verdeelden de edelen in twee kampen. De families van o.a. Borselen, Kats, Reimerswaal en van Cruiningen behoorden tot de Kabeljauwen. Bekende Hoeken  zijn; Brederode, Duivenvoorde, Heemskerk, Polanen, Raaphorst en van der Woude. Jan II wordt eerst als cnape vermeld in 1349 bij de bestuursoverdracht van Holland naar Willem V (Willem van Beieren) en in 1351 wordt hij vermeld als ridder.[260] In 1363 wordt hij baljuw van Zierikzee. Hij was getrouwd met een dochter uit de familie van Cruijningen. Gezien de begenadiging van Albrecht van Beieren en zijn hoge rang is een toetreding tot de Orde van St. Antonius rond 1382 niet onwaarschijnlijk, over de Orde van St. Jacob is niets bekend.










 

Floris II van Haamstede, zoon van Floris I van Haamstede (1300-1345), zijn tweede zoon (tussen Jan II en Hugo I) was heer van Haamstede, ridder, geboren omstreeks 1321 en gestorven in 1351. Ook hij koos de Hoekse partij en raakte in gevecht met schepen op de Maas, hij loopt in de val en wordt verraderlijk vermoord. Toch keert een familielid van Renesse weer terug in Haamstede door een huwelijk met Meijne van Renesse, dochter van Costijn II van Renesse. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. De vermelde data lijken betrouwbaar want zij komen zowel uit het Zeeuws archief als uit het proefschrift van Dek.[261] Floris II komt uitsluitend op basis van zijn sterfdatum voor de Orde van St. Jacob in aanmerking en evenals van de andere afstammelingen van de Witte van Haamstede ontbreekt elke bron.

Floris VI, heer van Bergen, was de grootvader Jan II van Haamstede ( 1345-1386) en werd geboren in 1320. Zoon van Willem van Haamstede ambachtsheer van Cruijningen en Nieuwland wordt door zijn huwelijk met (Maria?) de dochter van Raas van Cruijningen hieraan verbonden. Floris VI wordt als ridder vermeld. In 1405 wordt hij grafelijk beleend met het ambacht van Kerkwerve en Kouwerve. Ridder Floris wordt in 1409 heer van Bergen in Kennemerland en blijft in dit erfgoed van zijn grootvader tot aan zijn overlijden 1438. Hij trouwde Aleid Eggert van Purmerend en hertrouwde met Gerrit van Zijl. Zijn betovergrootvader Floris I van Haamstede was de zoon van oudouder Witte I van Haamstede. [262]  Floris VI was mogelijk lid van de Orde van St. Antonius, hij is echter niet in het armorial terug te vinden.                                                                                                                                                                                                                                                                                                     Arend II van Haamstede, heer van Moermont werd geboren in 1372 en was al in 1387 ridder. Aangenomen wordt dat hij gestorven is na 1422. Zijn ouders waren Jan II van Haamstede en Maria van Cruijningen. Arend II genoot een hoog aanzien Hij bekleedde hoge ambten en was achtereenvolgens dijkgraaf van Zuid- Beveland beoosten Yerseke, rentmeester van Zeeland beooster Schelde en baljuw van Middelburg en Brouwershaven. Ook voor hem is het aannemelijk dat hij lid was van de Orde van St. Antonius, enige documentatie hierover ontbreekt helaas.

Raas II van Haamstede van Moermont, was de eerste zoon van Floris VII heer van Moermont en afstammeling uit de eerste lijn Haamstede. Hij is geboren omstreeks 1450 met de vermelding als ridder ten tijde van 1473-1495. Voor 9 november 1500 is zijn overlijden aangegeven. Als zoon van Floris VII van Haamstede werd hij ook met Moermont verbonden. Zijn grootvader was ridder Arend II van Haamstede heer van Moermont. [263]  Tussen 1415 en 1438 werden de meeste leden in de Orde van St. Antonius ingeschreven uit Holland, Zeeland en Henegouwen. Na 1436 zouden er geen nieuwe leden meer toegetreden zijn. De Orde van het Gulden Vlies werd in 1430 opgericht, slechts enkele Zeeuwse edelen werden hiermee vereerd. Een onderscheiding in een Orde is moeilijk te in zijn tijd plaatsen.

Dirk van Hodenpyl, (1321-1406) was ambachtsheer van Hodenpyl. Hij was de zoon van Arend van Hodenpyl die als lid van het Hoeksverbond verbannen werd en wiens huis verwoest werd in 1351. Desondanks wordt Dirk in 1360 rentmeester van Noord-Holland, Heemraad, heer van Rijswijk Blotinge, Maasland, Roderijs en Nieuwkerk aan den Alm en is tevens baljuw van Delfsland. In 1340 wordt hij als ridder genoemd. Hij trouwde met Machteld van Heemstede, dochter uit het geslacht Heemstede Polanen. Als ambachtsheer was zijn grootvader Dirk ( 1287) leenman van de graaf van Holland van Maasland 1280-1301. Dit was een kleine bestuurseenheid zonder jurisdictie in halszaken. [264] De baljuw vonniste zwaardere misdaden.                                                                                                                                                                                                                               De  grootouders zijn:  Dirk ambachtsheer van Hodenpijl 1287 de ambachtsheer tussen Schipluiden en den Hoorn en schepen in Delft, geb. 1262 – 1301? Hij was  gehuwd met Badeloge. Hun kinderen zijn Jan, Willem, Arnoud en Floris.

De ouders zijn: Arend (1316-1357) en Meine van Doortoge (van een familie tak van Brederode); met als kinderen: Dirk, Jan, Dirk, Badeloge van Hodenpyl en Aleid van der Made. Arend van Hodenpijl 1316-1357, was lid van het Hoeks verbond, waarvoor hij verbannen werd in de periode 1351-1355, wegens de band met van Brederode.

De kinderenvan Dirk van Hodenpyl en Machteld van Heemstede: zijn Jan, die als ridder genoemd wordt en getrouwd was met Elizabeth van Haamstede (1414) en dochter Goede van Hodenpyl. Zij was getrouwd met Dirck van den Hoorn. Hun landgoed in Rijswijk had de naam Te Blotinghe. Jan liet het kasteel in de hofstede Blotinge om een donjon heen bouwen. De familie behoorde tot de Hoekse adellijken, maar in de roerige tijden werd de zwager van Dirk beschuldigd van medeplichtigheid aan de moord van de Kabeljauwse Aleid van Poelgeest in 1392. Op gezag van Albrecht van Beieren werd het kasteel Hodenpyl, te Blotinge in 1393 verwoest. Hij vond het onverdraaglijk dat zijn geliefde hem ontnomen werd en wilde de gehele familie straffen. Een andere versie is dat het kasteel al in 1351 verwoest werd op gezag van graaf Willem V een Kabeljauw in het begin van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (1345-1492).[265]  Alsof dit niet genoeg was werden in 1393 ook de resten met de hofstede verwoest en de grachten gedempt. Albrecht van Beieren, was in 1358 Ruwaard voor Willem V, graaf van Holland 1389-1404). Dirk Janz. Kreeg van het door Jan I van Brederode, eveneens een Hoek, het door hem betaalde huize Rodenrise in leen. Het vermoeden is dat de familieband hierin ook een rol speelde. Gelukkig werd de relatie tussen Dirk met Albrecht hersteld en hij vergezelde de graaf op zijn veldtochten tegen de Friezen in 1395 en 1393. Als held redde hij graaf Albrecht van Beieren in 1398 op zijn tweede veldtocht tegen de Friezen, zo wist hij hem met vijf man te bevrijden.                           Graaf Albrecht streefde naar complete verzoening in de Hoekse en Kabeljauwse twisten en na zijn aanvankelijke steun aan de Hoeken bleef hij neutraal in het conflict, een binnenlandse oorlog, die na zijn dood nog bijna honderd  jaar zou duren. Dit is wel een bijzondere geschiedenis maar het is ver af van de lijst met goede ridderen van t’ jaar 1300. Grootvader Dirk Hodenpyl uit 1287 (1262-1301) kan mogelijk een Jacobsridder zijn geweest. De bedoelde Dirk Hodenpyl (1360-1406) is vermoedelijk onderscheiden voor zijn moed in de Orde van St. Antonius.                                                                                                                                                                                                                               Huis te Blotinghe ( Historische vereniging Rijswijk)  Wapen Hodenpyl 14e eeuw



Jan heer van Beaumont (1288-1356), was het achtste kind van graaf Jan II van Avesnes en Flippa van Luxemburg. Zijn broer Willem (1286-1337) werd Willem III in 1304 de graaf van Holland en Henegouwen. De naam Beaumont is verbonden aan een heerlijkheid in Henegouwen ten zuiden van Charleroi. Jan van Beaumont kon wegens zijn rang Willem III en Willem IV in hun afwezigheid als ruwaard vervangen. Als ridder was hij zeer vermogend. Zo ontving hij de afgenomen goederen van Gerard van Velzen, Willem van Zaanden en Gerard Craaienhout. In 1308 verkreeg hij Westzaan en Krommenie in Kennemerland en in Zeeland Goes van de heer van Borselen. Tevens werd hij heer van Gouda en Schoonhoven, Noordwijk en Beverwijk. Hij behoorde hiermee tot de zeer rijke adel.                                                                                                                                         

Als veldheer bezat hij een grote reputatie. Zo leidde hij een expeditie naar Engeland met het doel koning Edward II af te zetten en koningin Isabella aan de macht te brengen, haar zoon werd Edward III.  Jan vocht tegen de Schotten, de Fransen in 1341-1345, tegen de bisschop van Utrecht en de Friezen. Opgeteld was hij zeker betrokken bij twintig militaire operaties. Na het overlijden van Willem IV werd Margaretha de zuster van Willem IV leenvrouwe van Holland en Zeeland. De Hoeken van Margaretha werden verslagen en Margaretha vertrok in 1351 naar Engeland. Daarna volgde Albrecht van Beieren haar op. Jan heer van Beaumont was getrouwd met Margaretha van Soissons. Een opname in de Orde van St. Jacob als heer van Gouda en Schoonhoven is zeker mogelijk te achten.                                                                                                                                                        

In 1326 werd het eiland Voorne het brandpunt van belangrijke gebeurtenissen. Het betrof de eerste invasie in Engeland, uitgevoerd door een ridderleger, waaronder vele Hollanders. Jean Froissard verhaalt deze geschiedenis met de aanleiding hiertoe in zijn bekende kroniek vol gloed en verwe.                Jan van Beaumont, de broeder van de Hollandse Graaf Willem III, had de gelofte afgelegd Koningin Isabelle van Engeland, een dochter van Filips de Schone en haar zoon Prins Eduard, naar Engeland terug te brengen.  Het doel was de onttroning van haar gemaal, Eduard II . Voor Jan geen bezwaar voor Jan  want beiden hadden een groot verschil van inzicht aangaande het regeringsbeleid.

De uitvalsbasis was, evenals in 1288, Voorne en daar stroomden de edele Heren en ridders samen, die aan de tocht zouden deelnemen. Heenvliets inwoners hebben waarschijnlijk deze intocht van nabij mee gemaakt en aan de „invasie" een werkzaam aandeel genomen, want in open vissersschuiten die door bevolking te beschikking waren gesteld werd de overtocht gewaagd. Zaterdag 13 september 1326 kwamen gravin Johanna van Holland, haar dochter Philippa, de latere koningin van Engeland, en koningin Isabelle met haar gevolg van Rotterdam op Voorne aan, waar Heer Gerard van Voorne zich met zijn vazallen bij hen voegde. Ongeveer vijfhonderd ridders kwamen op het eiland samen en scheepten zich een week later in. Genoeg zij het op te merken, dat de tocht als door een wonder gelukte. Na geringe strijd werd Eduard III, dank zij deze invasie, Koning van Engeland. (Overname uit de geschiedenis van Heenvliet, auteur onbekend, Streekarchief Voorne Putten)

Het geslacht van Arkel

De uit dit geslacht afkomstige Otto II van Asperen, huwde Aleid (overl. Na 1347) een bastaard dochter van Gwijde van Avesnes, de bisschop van Utrecht. Otto II was de zoon van Otto I van Arkel/Asperen en was als ridder aangegeven op 20 september 1329. Hij volgde 1344 zijn vader op als heer van Asperen en Hagestein aar het schema V van Waale met de genealogie van het geslacht Arkel Heukelom. Ook hij sneuvelde in Friesland op 26 september 1345 in de slag bij Warns met Willem IV die met zijn leger door de Friezen verslagen werd. Het adellijk geslacht Asperen stierf in dat jaar uit in de rechte mannelijke lijn. [266]

Wegens zijn overlijden in 1345 kon hij onmogelijk tot de ridders van de Orde van St. Antonius behoren. St. Jacobsridder ridder Otto I van Asperen was een van de twaalf eerste ridders en hierdoor is mogelijk Otto II ook in de Orde was opgenomen. Natuurlijk kon hij slechts voorgedragen worden. Over erfelijkheid van de ridderorde en overdraagbaarheid is niets bekend.

Jan Zuurmond, werd rond 1310 geboren. Hij werd geridderd en werd grafelijk benoemd tot baljuw van Zierikzee. Als bastaardzoon van Willem III kreeg hij een benoeming als raadsheer van graaf Willem V (1354-1358). Van de graaf had hij de heerlijkheid en ambacht van Haamstede in 1355 ontvangen, die hij door de dood van de kinderloze Floris van Haamstede als leen in zijn bezit kreeg. In 1358 werden zijn goederen te  Haamstede verbeurd verklaard door de krankzinnig geworden Willem V en Jan Zuurmond  werd hij zelfs uit zijn gebied verbannen. In 1364 is hij vermeld als getuige, dat eerherstel inhield bij de ruwaard Albrecht van Beieren, die in 1358 naar Holland kwam.

Mogelijk dat de opname van de Orde van St. Antonius in 1382 drie jaar 1385 voor zijn overlijden na 18 april van dat jaar heeft plaatsgevonden.

Jan van Henegouwen, was heer van Vlissingen en werd daar tot baljuw benoemd. Hij is vermoedelijk een bastaardzoon van graaf Willem IV. In de periode 1378-1395 is hij als ridder vermeld. Hij trouwde Machteld Gerritsdochter van Borselen op negentien april 1388 en is gestorven voor eenendertig  januari 1403. Een opname als ridder in de Orde van St. Antonius is goed mogelijk, hij had een hoog aanzien en was verbonden met de familie van Borselen. Het wapen van Jan van Henegouwen is rechts onder te zien op de afbeelding hierboven.

Ghijskijn Heer van Diepenburgh (1372-1409) werd in 1386 beleend met de hofstede Diepenburch gelegen in Midden Delfland. Het domein was omgeven door een gracht. De hofstede was dicht bij Monster gelegen en kon als een rijk land gezien worden. Als ambachtsheer van De Lier ontving hij de ridderslag en was evenals zijn vader baljuw van Den Haag, later werd hij baljuw van Zierikzee. In 1390 werd hij secretaris en van 1399-1409 raadsheer van hertog Albrecht en graaf Willem VI.[267]  Tevens werd hij tot hoogheemraad van Delfland in 1396 benoemd.

Ghijskijn was de aangenomen zoon van Adam van Derwaerde, een bastaard van Willem IV en diens echtgenote Agnes van Ammers. In de periode 1386-1387 sloot hij zich aan bij Willem van Oostervant in zijn veldtochten tegen de Pruisen. [268] Het verwerven van de hoge post als vertrouwensman was gerelateerd aan zijn bastaard afkomst. Na 1440 ontstond een uitgestorven mannelijke lijn.[269] Een opname in de Orde van St. Antonius is goed mogelijk door zijn band met Albrecht van Beieren. Het wapen van Ghijskijn (Gijsken van Diepenburgh) toont een rood veld met zilveren zoom (Ammers) en Holland/Henegouwen in het vrijkwartier. In het eerste veld het herkenbare Henegouwen het erfgoed Willem IV.

(Wapen Ghijsken van Diepenburgh, Wapenboek van Beyeren 1405)

 

Jacob Aeleman werd ook Jan genoemd. Hij was bekend als de ridder die in 1422 gestorven en begraven is in Valencijn, (Valenciennes) de hoofdstad van het graafschap Henegouwen. Hij was de zoon van de bastaard van graaf Willem III (Holland Henegouwen), Jan Aelman, een ridder die tot baljuw van Henegouwen benoemd was. Vader Jan leefde ongeveer van 1325-1389 en was beleend met Woerden, Vlieland te Haarlem en ten Nesse.[270] Hij maakte deel uit van het grafelijk hof en trok mee op Kruistocht in het gezelschap van Willem IV naar het Heilige Land. Hij ontving lenen, was ambassadeur in Frankrijk en werd heer van Henegouwen. Van zoon Jacob is minder bekend, hij trouwde de Française Regnaulde, vrouwe van de Tourelle en volgde zijn vader niet in de lenen op. Hierdoor is het mogelijk hem als een bastaard te zien.[271]   Dat vader Jan en zoon Jacob ridders waren in de Orde van St. Antonius is niet uitgesloten.

Frank van Borselen, een telg uit een zeer rijk en machtig geslacht in de graventijd en de Bourgondische periode. Van 1395-1470 was hij stadhouder van Holland en Zeeland, graaf van Oostervant (Fr.) en heer van Zuylen. Tot zijn dood toe had hij veel invloed in Holland en Zeeland in zijn functie als gouverneur, financieel beleidsman en militair gezagsdrager van hertog Albrecht en Filips de Goede. In 1432 trouwde hij in het geheim met Jacoba van Beieren en woonde nog vier jaar na haar dood op het zo bekende slot Teilingen. Nadien werd hij een volgzaam ridder van de landheer. Zijn lidmaatschap in de Orde van St. Antonius wordt bewezen op een schilderij waar hij het draagteken het T symbool toont.

Filips de Goede installeert hem in 1445 als ridder in de Orde van het Gulden Vlies Dit was een uitzondering want een Vliesridder mocht geen andere orde dragen zeker en geen andere grootmeester volgen.[272] De Orde van het Gulden Vlies werd ingesteld in 1430 door Filips de Goede. Deze hoge orde bestond eerst uit vierentwintig ridders, later uit dertig en werd uitsluitend met vertrouwelingen samengesteld. Franc had een duidelijke keuze gemaakt.

 

Pieter van Serooskerke, geboren in 1430 te Zierikzee wordt als heer van Welland en Ridder vermeld. De bewezen stamreeks van het Nederlandse adellijke geslacht Van Tuyll van Serooskerken begint met deze Pieter Hugen Reynersz. Later van Serooskerke genoemd. Hij kocht in 1483 de heerlijkheid Serooskerke van Maximilliaan van Oostenrijk. Vanaf 1472 wordt vermeld als burger van Zierikzee vanaf 1472 en was rentmeester-generaal van Zeeland- bewester-Schelde. Later werd hij daar benoemd tot burgemeester. De naam van Tuyll stamt uit de zeventiende eeuw en later werd de naam van Serooskerken. De lijst bevat dus een fout.

 In het eerste huwelijk trouwde Pieter van Serooskerke op 30 oktober 1456 Cornelia van Haamstede. Zijn tweede huwelijk was op 7 februari 1464 met Hedwig van de Maelstede, Wolfertsdochter. [273]    Er is afgaande op zijn geboortedatum 1430 geen enkel aanknopingspunt met de orden van St. Antonius of St. Jacob.[274] Ates had eens geïnformeerd bij een nazaat van Serooskerken, maar de orde van St. Jacob was hem niet bekend.

Tot slot de beschrijving van Gerard van Wesemale en weer komt de vraag welke Gerard I, Gerard II Gerard III wordt bedoeld? Om meer te weten van deze Brabantse leenman is de familiegeschiedenis een bron. Wesenmale wordt verschillend geschreven ook als Wezemaal of Wesenmaal.

Gerard I (1250-1309) is de zoon van Arnold van Wesemale die getrouwd was met Mathilde van Bergen op Zoom. Gerard I maakte als neef aanspraak op de leengoederen van Elizabeth van Breda na haar kinderloze dood in 1287, omdat zijn moeder Beatrijs van Breda was. Een andere zuster Sophia liet ook haar aanspraken gelden onder druk van haar man Raso van Gaveren Het land van Breda strekte zich uit van Baarle, Alphen en Gilze, in het oosten tot Bergen op Zoom en in het westen tot Steenbergen. Het was ontstaan uit het oude graafschap Strijen. Een familie ruzie kwam de hertog van Brabant slecht uit. Jan I besloot dit gebied in 1287 in twee delen te splitsen om beide ridders in zijn gelederen te houden voor de belangrijke slag bij Woeringen. Gerard I werd tevens de eigenaar van de eerste gebouwen op de plaats van de later uitgebouwde Markiezenhof (1419) in Breda en mocht zich van de hertog van Brabant heer van Bergen (Bergen op Zoom) noemen.

Gerard II van Wesemale en Schoten leefde van 1270-1348 en was getrouwd met Margaretha van Borsele, de dochter van Wolfert I. Hun zoon Gerard III van Wesenmale trouwde met Goede van Bergen voor 1350, na het overlijden van haar eerste echtgenoot Floris (I) van Haamstede die in 1345, gesneuveld was bij Warns. Gerard III staat vermeld als heer van Marxem ridder in Brabant en leenman van de hertog.[275]  Gerard III werd door zijn huwelijk met Goede ook heer van Bergen in Kennemerland, niet te verwarren met het land van Bergen op Zoom.

Gerard III huwt in een eerste huwelijk Maria van Wilre en in het tweede huwelijk Maria Rasegem. Zij werden slechts met een dochter Maria of Elizabeth begiftigd die in 1390 is overleden. Opvallend genoeg leefden Gerard I en II in de periode rond of na 1300. Gerard I bezat grote gebieden van Breda tot en met Bergen op Zoom. Dit vormde een grens in het noordwesten van Brabant aansluitend aan Heusden in het noorden en in het zuiden Merksem. Strategisch gezien is Gerard I een geschikte kandidaat voor de Orde van St. Jacob.  Op deze gronden is Gerard II ook kandidaat voor het toetreden tot de Orde van St. Jacob. Gerard III leefde van 1291-1335 hij overleefde zijn vader niet.

De familie Wesemale behoorde tot een van de belangrijkste adellijke families in het hertogdom Brabant. De stamhouder Arnold I geboren in 1166 werd opgevolgd door grootmaarschalk Arnold II, daarna volgden de Gerards. De nazaten huwden met erfgenamen van Loon en van Voorne.

De Maarschalk van Brabant Willem van Wesemale, zoon van Gerard III huwde erfdochter Catharina van Persijn Velsen (+1372) vrouwe van Waterland, hierna kwamen er geen erfgenamen meer in de eerste lijn van het zo machtige geslacht Persijn. Nicolaas en Jan Persijn zijn in hoofdstuk twee besproken.

1.4.      De Ridderorde van St. Antonius is opgericht door ridder Gérard d’ Enghien en komt voort uit een broederschap die zich aanvankelijk richt tegen oprukkende Saracenen. Na terugkeer van een pelgrimage naar Rhodos, wordt een bedevaartoord gesticht, Barbefosse (het graf van Barbaren) waar wonderlijke genezingen plaatsvinden onder andere tegen het ergotisme dat optreedt door een moederkoren besmetting.[276]  De ordeleden dragen een Tau-kruis op hun habijt. Het draagteken was een ketting met een T en daaraan verbonden belletje. Albrecht van Beieren gebruikte als grootmeester zijn invloed om de tot de orde toegetreden leden aan zich te binden.  

Jacoba van Beieren en de hertogvan Brabant (1415-1427) hebben eveneens grote invloed en een keuze voor de Hoekse partij was voor haar  bepalend voor de ridderorde in de tijd dat zij hard moest vechten. Een wapenboek waarin 420 namen geregistreerd staan bevindt zich in een bibliotheek in Mons. Jacoba behoorde tot de eerste van de 49 inschrijvingen in 1415-1416, tot 1438 volgde inschrijving van leden die veelal behoorden tot het hof van Jacoba van Beieren, afkomstig uit Henegouwen, Holland en Zeeland.[277] In het algemeen wordt aangenomen dat de ridderorde van St. Antonius heeft bestaan van 1382-1438, dit is twee jaar na de dood van Jacoba en in de tijd Filips de Goede de lage landen in het Bourgondische rijk inlijfde.

Afbeelding huwelijk Jacoba van Beieren en Frank van Borselen

Strategisch vormen de in een orde verbonden ridders een kring om Holland.

In het Sticht:                                                                                                                                        Heer Herbaern van ter Leede                                                                                                         Herbaren van Haestrecht                                                                                                            Arnoldus vanErcle                                                                                                                              Arnout van Arckel                                                                                                                             Ghysebrecht van Abcoude                                                                                                                  Otto II van Asperen                                                                                                                             Nicolaas van Subburg,                                                                                                                          Floris van Henegouwen Heer van  Braine,                                                                                                                                   Brabant:   Jan van Cuijk                                                                                                                        Willem van Hoorne Heer van Outena,                                                                                                  Jan van Maelstede,                                                                                                                              Heinric van Aske,                                                                                                                                  Arnoud van der Sluse,                                                                                                                        Gerard van Wesemale                                                                                                                          Zeeland: Jan van Renesse,                                                                                                                Wolfart van Borselle,                                                                                                                           Hugo van Crunighen,                                                                                                                    Dierck van Voorne,                                                                                                                              Heer van Cruyningen                                                                                                                           Witte van Haamstede                                                                                                                          Floris I Heer van Haamstede                                                                                                                Arend I Heer van Moermont uyt Renesse                                                                                              Jan II Heer van Haamstede                                                                                                                  Floris II Heer van Haamstede                                                                                                              Floris VI Heer van Bergen                                                                                                                    Arend II Heer van Moermont van Haamstede                                                                                      Raas II van Haamstede Heer van Moermont                                                                                        Franc heer van Borselen                                                                                                                    Pieter van Serooskerken                                                                                                                      Dirk van Hodenpijl,  Westland.                                                                                                          Ghijskijn Heer van Diepenburgh, bastaard, Delfland.                                                                            Jan Heer van Beaumont , Zeeland-Holland.                                                                                      Jan Zuurmond, bastaard, Zierikzee.                                                                                                   Jan van Henegouwen heer van Vlissingen, bastaard.                                                                        Jacob Aleman,  bastaard, Henegouwen.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                        De ridderorde van St. Antonius vervaagde in de loop der tijd en ging door als een  broederschap. De hospitalen en kloosters werden vermeerderd en de daaraan verplegende en verzorgende taken tot midden achttiende eeuw waren veelzijdig. Het draagteken bleef het T(au) kruis met vaak daaronder St. Antoniusklokje als alarmbelletje. Het Tau kruis werd ook veel gebruikt door leken los van de Antonieters en hiermee werd vaak getracht de pest te weren. Ook deze ridderorde is een voorbeeld hoe toegekende eer gebruikt werd in een verbintenis met de plicht elkaar bij te staan. De belangrijkste doelstelling was de grootmeester te volgen.

Welke conclusies kunnen we aan de beschouwing van aangegeven vijf en dertig ridders verbinden?   De ridders lijken niet willekeurig opgeschreven en zijn verdeeld in groepen voor en na 1300 met een overloop van ordeleden na 1290. De aangegeven ridders van 1280-1300 zijn in een tijdsperiode te plaatsen en passen hierdoor ook in de Orde van St. Jacob. De twintig daarna aangeduid als ridderen van t jaar 1300 zijn ten eerste veelal niet aan 1300 te verbinden ten tweede past dit niet bij de Orde van St. Antonius. Zij zijn uitsluitend in een periode na 1300 te beschouwen. Over de ridders van Haamstede valt slechts te speculeren, Jan van Cruiningen is als ridder in de orde des graven terug te vinden, Franc van Borselen was rond 1420 ridder in de orde van St. Antonius.                                                                                                                                                                  De nakomelingen van ridder Jan I van Arkel verrijken zich met veel leengoed en dit geldt ook voor Brabantse ridders die verwant zijn aan Jan van Heusden. De overige ridders hebben vooral een speciale of zelfs een familieband met het grafelijk hof. Er zijn veel verstandshuwelijken onderling. Anderen kunnen zeker om strategische redenen in aanmerking komen voor de Orde van St. Jacob.  Alleen over Wolfert van Borselen, Jan van Renesse en de heer van Cruijningen bestaat een vermelding van de Orde des graven in de Reigersberg kroniek. Bekend is de afbeelding van Franc van Borselen als drager van de Orde van St. Antonius met de ordetekenen in hoofdstuk vier terug te vinden. In de lijst zijn duidelijk de families van Arkel en Haamstede ruim vertegenwoordigd.

Voor de Orde van St. Antonius komen in aanmerking: Jan Zuurmond, Jan van Henegouwen, Ghijskijn heer van Diepenburgh, Jan of Jacob Aleman, vanwege hun relatie met Albrecht van Beieren. De vestiging van de Broederschap/ridderorde van St. Antonius was in de St. Antonis kapel in Barbefosse in Bergen (Henegouwen). Hoewel diverse notabelen en edelen ook uit Holland en Zeeland werden toegelaten, kwamen er uit de personele unie vooral ridders uit Henegouwen of Brabant in de orde. Over Pieter van Serooskerke zijn door de onduidelijke genealogieën geen gegevens over een ridderorde bekend. Hoewel directe bronnen veelal ontbreken zijn er geen argumenten gevonden die stellig het lidmaatschap van de Orde van St. Jacob en St. Antonis van deze ridders bestrijden. In de lijst van Aurelius, Petit en van Gouthoven zijn meerdere ridders genoemd die ook in lijst van eerste twaalf ridders vermeld worden en dit geldt niet voor de lijst uit het Carmalietenklooster een archiefstuk van de Orde van St. Jacob. Er is geen reden aan te nemen dat het overgenomen handschrift onbetrouwbaar is en dat er enkele namen niet in de tijdsperiode passen is niet verwonderlijk want jaartallen blijken slechts een vermelding te zijn van het bestaan van een ridder. Desondanks blijft de bedoeling van de aangegeven lijst niet duidelijk en de vraag is of dit slechts een deel is van een groter stuk. Om aan te nemen dat ridders die niet tot de eerste twaalf behoren wel in de Orde van St. Jacob zijn opgenomen ontbreekt helaas een aanvullende bron als bewijs.

 Een afbeelding van het draagteken van de Orde van St. Jacob uit de Oeconomische encyclopedie Johan Krünig (1789)

 

 

 

 

 

 

  1. 5.      De literatuur in de negentiende eeuw

Zoals de schrijvers uit de achttiende eeuw in boeken over ridderorden veelvuldig over de Orde van       St. Jacob met de informatie van Mireus en Butkens documentatie samenstellen, ontstaat in de negentiende een andere vorm van geschiedschrijving. De herinnering wordt verhalend verteld met uitleg welke verbanden er bestaan en de bronnen worden vermeld. Een historisch besef ontstaat uit respect voor het verleden. In 1795 brengt Rijksheer van Spaen zijn vierdelig werk uit genaamd oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland. Dit wordt een aanleiding tot een literaire discussie over Butkens en later een felle pennestrijd. De eerste die reageert is Prof. Bondam de maker van een charterboek en de betreffende charters die Butkens onjuist in zijn Annales de maison de Lynden vermeld zou hebben worden door Bondam fel verdedigd. [278] Dit wordt nog eens gesteund door Strabbe in het bewerkte achtste deel in het Kabinet van Nederlandsche en Kleefse oudheden uit 1803.

Met de ingezette heldenverering draagt Bilderdijk zijn treurspel Floris V in 1808 op aan  koning Lodewijk Napoleon. Hij ging er prat op te vermelden dat hij dit in drie dagen had samengesteld en dan moest het maar snel vertoont worden. Er zat ook een boodschap zoals leve de koning onze held.   Zelfbewust achtte hij kritiek op de historische beweringen zoals de aanname dat De Witte van Haamstede voortgesproten was uit een eerder huwelijk van Floris V niet gepast. Deze starre houding  het gaf in ieder geval aanleiding tot verder historisch onderzoek in de jaren daarna en komt dit ten voordele van geschiedschrijving.            

In de  Franse bezetting komt het meest opvallende essay uit handen van Willem Hendrik van Westreenen gemaakt in 1807 dat is samengesteld uit informatie van de archivaris van de Bataafse Republiek Hendrik van Wijn.[279] Wegens het ontbreken van stichtingsgegevens acht hij de eerder gegeven kritiek van de Riemer in zijn werk over ’s-Gravenhage voldoende om enig bestaan van de Orde van St. Jacob te ontkennen want er zijn te veel tegenstrijdigheden door Butkens vermeld. [280]  De Algemeene Vaderlandse Letter-oefeningen van 1807 acht een uitvoerige recensie voor dit kleine werkje niet gepast.[281] W.A. Rijksheer van Spaen brengt in hetzelfde jaar de Geschiedenis van de Heren van Amstel IJsselstein en Mynden uit en laat de Orde van St. Jacob onbesproken.  Hoewel de alom geëerde Wagenaar, die Gijsbrecht van Amstel als ridder in de Orde vermeld heeft, ziet van Spaen dit evenals van  Westreenen niet als een belangrijke aanvulling.

In 1825 komt in de Algemene Konst en Letterbode no.16 een publicatie van prof. Tydeman over de Witte van Haamstede naar aanleiding van een publicatie van Q.N. die een vermeldt dat Floris V een ridderorde van St. Joris gesticht zou hebben. De schrijffout corrigeert hij in juni 1826 maar hij uit in het zelfde artikel kritiek op het werk van Butkens en dit is met name gericht op het charter van Dirk van Lijnden dat hij evenals de achtergronden in de Annales Génealogiques de la Maison de Lynden vals acht. Eind juli klimt Baron F.G. van Lijnden van Hemmen in de pen en geeft uitvoerig weer waarom hij de kritiek van Q.N. (baron Maximilliaan d’Yvoy van Mijdrecht) onterecht vindt.                    De strijdt wordt aangevuld met de kennis van  Snouckaert van Schauburg, alias A tot Z, die zijn kritiek publiceert vanaf november van 1826 in het tijdschrift en  in de Weegschaal van 1827.  Beide baronnen strijden tegen de preuves van Butkens. [282] De partijen sluiten het in 1828 af en Q.N. en van Lijnden  brengen hun werk in boekvorm uit en tot slot schrijft van Lijnden nog een kort antwoord op de voordracht van Max. L. Baron D’ Yvoy van Mijdrecht.  De redactie van de Weegschaal spreekt de waardering uit over het historisch onderzoek van Baron van Lijnden van Hemmen een dergelijk grondig onderzoek was nog onbekend.[283] Het werk Twee Brieven over de St. Jacobsbroederschap, uitgebracht in 1827 wordt in een oplage van honderd exemplaren in eigen beheer uitgegeven. Zijn verdediging van Butkens is een diepgaand onderzoek en hoewel het niet gemakkelijk leesbaar is getuigt het van grote historische kennis.                                                                                                                

De inhoud van de  kritieken van Q.N. en A tot Z richt zich op het door Butkens bewust  vermelden van niet bestaande namen, de ontbrekende bronnen en de niet overeenkomstige jaartallen. Ten overvloede vermelden zij nog dat de zeventiende eeuwse schrijvers Buchelius en Scriverius het werk van  Butkens niet betrouwbaar achtten. Q.N. verzacht zijn Voordragt met de kennisgeving dat de vraag niet was of Floris V al of niet eene orde van ridderschap had ingesteld? De questie was bepaaldelijk: of hij in 1290 die orde van st. Jacob had ingesteld of gehouden, zoo als zulks in zeker extract werd voorgesteld?[284]  Q.N. meent geen antwoord te krijgen over het ontbrekende charter en de door van Lynden verdedigde datum 1290 en beëindigt dan maar zijn 101 bladzijden omvattende schrijven.[285]  Snouckaert van Schouburg neemt delen van Q.N. over en beweert stellig dat de door F.G. van Lynden aangegeven ver familielid Anthony van Lynden in de zeventiende eeuw niet op basis van de stukken van Butkens tot de Hollandse opgenomen kon worden. Edelen maakten tot midden van de zestiende eeuw immers geen archief. [286] Ridder W.A. van Spaen La Lecq zou in zijn handgeschreven genealogie over van Arkel, Jan IX  per vergissing een ridder van St. Jacob genoemd hebben en hij acht dit niet geldig als bewijs van echtheid van de Orde van  St. Jacob. Opvallend is wel dat de ridders in het werk op verschillende bladzijden genoemd worden en voorts heeft niemand ooit enige kritiek op de werken van  Spaen La Lecq geuit. In 1824 heeft D’ Yvoy van Mijdrecht ook al een betoog gehouden tegen het geloof in de door graaf Willem VI in 1405 opgerichte Orde van de Tuin. Over dit werkje  heeft niemand zich verder druk gemaakt. [287] De voorgenomen sanering van de ridderorden voldoet niet aan de verwachtingen.

 













 

Op regel zeven de vermelding Ridder van St. Jacob.

 

Dat baron van Lynden, president van de Hoge Raad van Adel zich zo krachtig moest verweren tegen de beledigingen van D’ Yvoy van Mijdrecht gesteund door Snouckaert van Schouburg geeft enig vermoeden van rivaliteit in de Hoge Raad van Adel aan. Baron D’ Yvoy van Mijdrecht was een jaar voorzitter van de hoge Raad van Adel en tevens opperschenker en kamerheer van koning Willem I.              In 1949 werd door de genealoog Bijleveld ontdekt dat de titel baron van d’Yvoy van Mijdrecht zonder enig recht en met vervalste stukken verkregen was. Hij was in 1818 archivaris van de orde van de vrijmetselarij geworden en het werd bekend dat hij als historicus stukken kon verdonkeremanen en aan passen.[288]  Dit maakt zijn motieven in de pennestrijd wat duister. Een dergelijke kritiek op van Lynden en zijn historisch onderzoek zou niet gepast zijn.

Samuel de Wind, officier van justitie te Middelburg en historicus herstelt de bedreigde eer van Christofoor Butkens, door te vermelden dat de door Scriverius aanvankelijk geuite beschuldiging  van vervalste charters later door hem voor echt erkend zijn.  Ook verklaart hij dat Butkens altijd ter goeder trouw gehandeld heeft in zijn kostbare bijdrage voor de geschiedenis van Brabant ondanks dat  familieregisters soms onvolledig overgeleverd waren.[289]  Ook de gouden ereprijswinnaar van 1833 Dirk Groebe twijfelt niet aan de bronnen van Butkens en Boxhorn die gaan over het tournooi en het aangehaalde Register der Ridderschap door Mireus.   

In 1845 komt onder invloed van de Maskerades van Leidse studenten een grote  belangstelling voor de historische achtergronden van de Ridders verbonden aan de Orde van St. Jacob. Beeloo schrijft een levendig boekwerkje over de instelling van de Orde van St. Jacob, ter voorbereiding van de te houden Maskerade. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op de achtergronden van de opgerichte Orde en de wapenschilden die horen bij het vertoon van de gekozen ridders in de Orde. Jonckbloet vult dit aan met het Ridderfeest van St. Jacob in de Tijd en de ambtenaar van de Hoge raad van Adel van Weleveld levert een bijdrage met de genealogische aantekeningen betrekkelijk de hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van St. Jacobsbroederschap tot Ridders zijn geslagen. [290]                                   De Maskeradecommissie ingesteld ter begeleiding van de voorgenomen Maskerade in 1845 onder leiding van S van  Dissel levert zelf ook een geschreven bijdrage en zo ontstaat een fraai compendium over de Orde van St. Jacob in de Vaderlandsche letteroefeningen.  De Maskerades die in de twintigste eeuw gezien worden als een grappig vertoon met kostuums uit lang vervlogen tijden waren niet slechts optochten van hof en adel maar in de negentiende eeuw een grondige uitwerking van historische overdracht. Begonnen als viering van de eeuwfeesten op de universiteit werd door de voorbereidingscommissie in 1935 besloten dat de optochten een uitsluitend historische weergave van de eigen vaderlandse geschiedenis mochten vertonen en in 1840 werd geëist dat de uitbeeldingen slechts aan de uiterste nauwkeurigheid moesten voldoen. Hiervoor werden bronnen gezocht, historici ingezet, archieven en kostuumboeken in musea in binnen en buitenland geraadpleegd. De gebeurtenis moest volledig overeenstemmen met wat had plaatsgevonden in het verleden. Pas na 1870 komt er een boodschap in met het idee achter de geschiedenis. [291]      

In deze periode komen ook beschrijvingen over de stad ’s-Gravenhage met de romantisering van het verblijf van rooms-koning Willem II, het open hof en de instelling van de Ridderorde van St. Jacob door Floris V. Dit is bedoeld om de gedachte van het schandelijk gebruik als loterijzaal, dat nog vers in het geheugen is, te vervangen door de uitgeroepen verheffing van ‘s–Gravenhage als Koninklijke Residentiestad door Koning Willem I van Oranje. Beeloo schrijft in 1845 zijn berijmd verhaal over ‘s- Gravenhage. Ook Amsterdam en de Amstels komen onder aandacht in gedenkwaardigheden. Zij zijn al  in de achttiende eeuw beschreven door Wagenaar en een eeuw later door Scheltema. Tot eerherstel van de Groote of Zoogenaamde Loterijzaal schrijft den Beer Portugaal in 1862 het door hem genoemd belangstellend woord tot eerherstel van de tot ieders glorie gediende Ridderzaal. De zo trotse bekleding met vlaggen en vaandels beelden van een trotse natie werd gesloopt en omgebouwd tot een hospitaal in de Franse tijd en in 1815 gebruikt als loterijzaal.      

Ook in de negentiende eeuw nemen Duitse, Franse en Engelse standaardwerken over ridderorden beschrijvingen over de Orde van St. Jacob in hun bestanden op waarvan enkele voorbeelden weergegeven zijn. [292] Het door Bilderdijk in rijm geschreven treurspel Floris V voor het volk zoals het in die tijd gewoon was, behoorde nog steeds tot voortgezette dramatiek van de volkshelden. Tot zijn teleurstelling werd het niet bij de inhuldiging van koning Lodewijk opgevoerd maar pas in 1844. Men was bang dat de in het stuk voorkomende gevangenispassages met de geuite roep om verlossing voor de Franse koning confronterend zouden zijn. Nadien verdween het ouderwetse stuk door een keerpunt in de dramatiek onder invloed van Franse en Duitse toneelstukken en een andere wijze van acteren. Niet alles verdween want Vondels  Gijsbrecht van Aemstel werd pas na 1960 niet meer op nieuwjaarsdag opgevoerd.

De geschiedschrijvers streefde er naar een groot mogelijke eigen kring te bereiken door te publiceren in een tijdschrift, een boek uit te geven en in de Nederlandse Woordenboeken vereeuwigd te worden. De Weegschaal en de Algemene Konst en Letterbode al sinds 1787 bestaand en in 1861 samengesmolten met de Tijdstroom, Vaderlandse Letteroefeningen met kritieken en de Gids boden hiertoe ruime gelegenheid. Gebruikt worden in schoolboeken werd een na te streven ideaal, want de daarvoor gebruikte Divisiekroniek was wel aan verbetering toe. Het werd een bonte verzameling van publicaties door allerlei wetenschappers van botanie tot poëzie. De Tijd, Merkwaardigheden der Letterkunde en Geschiedenis van den dag voor de beschaafde wereld met hoofdredacteur Boudewijn boden geschriften, boekbeschouwingen, biografieën en necrologieën in jaargangen. Opgestelde catalogi boden ruime gelegenheid tot zoeken. 

Het werk Karakterschetsen karakterkunde in de zeventiende eeuw begonnen door Simon Stijl in 1778, werd gevolgd door een Biografisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse letterkunde. Met de Characterkunde der vaderlandse Geschiedenis door Loosjes werd een begin in de begripsvorming van de geschiedenis en het doorgronden van politiek spel van vorsten diepgaand uitgewerkt. In 1783 kwam zo de Vaderlandse Karakterkunde samengesteld door N.G. van Kampen tot stand. Het lezen van deze werken stimuleerde de gedachtevorming in het uitwerken van de vaderlandse geschiedenis.           

 

Links Uit la sciences des personnes de cour de l’épée et de robe 1752, collier de St. Jacques d’Hollande. Rechts The British Herald Or Cabinet of Armorial Bearings 132, plate XII 1830.  

Hierdoor ontstond een andere vorm van geschiedkundige overdracht met de verwerking van historische feiten die ook meer op het dagelijks leven en gebeurtenissen gericht waren. De vroege geschiedschrijving van Bilderdijk uitgebracht door Tydeman waren nog verzamelingen van collegedictaten. Zij vermelden de Orde van St. Jacob wel maar zonder enige aanvulling. [293] De zich ontwikkelende  historiezucht en grote belangstelling voor geschiedenis buiten de universiteiten om zorgde voor verhalende geschiedenis zoals die werd geschreven door Hofdijk en van Lennep aangevuld met volksvermaken en de studie over wapen en zegelkunde door  Jan ter Gouw was hier een goed voorbeeld van. In zijn voordracht geeft ter Gouw aan waarom het ontkennen van de Orde van St. Jacob weinig houvast heeft. Critici beroepen zich slechts op onnauwkeurige historische data waarvan iedereen zich bewust is dat geschiedschrijving voorheen niet zonder fouten was.  In de werken van Hofdijk en de hierboven genoemden komt de Orde van St. Jacob uitvoerig terug. Een studie over Merkwaardige kastelen is een bijzonder onderricht over belevenissen in de riddertijd aangevuld met schitterende platen. De gebeurtenissen in het verleden hielden ook beschrijvingen over het gewone volk in. Hun werken waren ook gericht op het behoud van Nederlands erfgoed en vooral te conserveren dat in het verleden slecht verzorgd en zelfs zonder enige bedenking vernield was door vandalen. Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp maakten hierover beschrijvingen  in het dagboek tijdens voetreis door Nederland. Van Lennep vermeldt  brute vernielingen van kerken, vestingen en kastelen. Zij uiten hun verontwaardiging met de roep om het belang van vaderlandse geschiedenis te gaan beseffen.[294] Dit besef groeide maar traag, monumenten konden vooruitgang behoorlijk in de weg staan, dacht men.  

De  afbeelding uit 1608 van Jan Londerseel toont rechts onder het tournooiveld en links boven de Ridderzaal.

Het ministerie van oorlog adviseerde in 1823 het vervallen Muiderslot te slopen, maar dit kon koning Willem I verhinderen. Toch wist defensie in 1880  het terrein rondom het kasteel te verontreinigen met fortificaties die pas in 1955 verdwenen.  Ook kon in het parlement in 1861 maar met een stem voorkomen worden dat de Ridderzaal gesloopt werd, de Hofkapel moest helaas wijken voor renovatie en zo verdwenen belangrijke beeltenissen van het gravenhuis.  Het was Jacob van Lennep die fel protesteerde tegen het ruimen van de graven van Egmond en het verwaarlozen van de Ridderzaal en het Prinsenhof van Delft. Het ging nog lang duren voordat het historisch besef enige vorm kreeg in de volksvertegenwoordiging die aan herinnering genoeg meende te hebben.[295] Alle inspanningen van de door Bilderdijk geïnspireerde van Lennep, van Hofdijk, van Moll, ter Gouw hadden uiteindelijk effect. Met hun romantische vernieuwde wijze van geschiedschrijving zoals dit in Ons voorgeslacht over het volksleven gedaan werd ontstond een verantwoordelijkheidsgevoel voor de bescherming van de historische waarden. Volkstypes werden door een groot bewonderaar van Jacob van Lennep, Nicolaas Beets als geen ander contemporain weergegeven.  Het bijna gesloopte Binnenhof blijft de gemoederen in de laatste periode van de eeuw bezighouden. Bouwmeester Rose kreeg opdracht de Hooge Zaal te restaureren en liet de houten kap vervangen door een metalen wangedrocht.[296] Ridderzaal en kasteel “die Haghe” zouden geen passende namen zijn en de namen zoals: de Zaal, de Hooge Zaal, de Hofzaal of Groote Zaal zijn volgens de betrokken historici een juistere aanduiding.                                                    

Een wat narrig epistel in 1899 van een oudconservator handschriften aan de koninklijke bibliotheek over de zoogenaamde Ridderzaal en de problematieke Ridderorde van St. Jacob verzuurt het opgebouwde trotse gevoel over eigen cultuur. Ondanks dit alles bestaat de naam Ridderzaal nog steeds en het stuk schoot zijn doel voorbij dat vooral bedoeld was om de Grote Zaal niet aan de Ridderorde van St. Jacob te verbinden. Desondanks heet Den Haag nog steeds ’s-Gravenhage en heeft een toernooiveld uit het verleden.                   

De negentiende eeuw zorgde na de eeuwen daarvoor met slechts  bestaande overschrijvingen uit het van Butkens en Boxhorn  voor een  diepgaande belangstelling en een uitwerking van de betekenis van de  Orde van St. Jacob.

 









De Ridderzaal weergegeven als grafelijk hof

Merkwaardige kastelen van Lennep en Hofdijk 1845

 

 

 

 

7. Belangrijke werken over de ridderorde van St. Jacob.

Chr. Butkens,  Preuves Charter et Tittres; Annales Généalogique de la Maison de Lynden (Antwerpen 1626).                                                                                                                   

M. Z. Boxhorn,  Theatrum Hollandia  (Amsterdam 1632).                                                         

Jacob de Riemer, Beschyving van ’s- Gravenhage, (Delft 1730).                                                 

Baron F.G. Lynden van Hemmen. Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap ingesteld door Floris V ('s-Gravenhage en Amsterdam 1827).                                                     

Antwoord alias Q.N., Max. L. baron d’Yvoy van Mijdrecht twee brieven in den Algemeenen Kunst en Letterbode voor 1856, no. 25 en 38 en in de Weegschaal no. 9 voor 1826.                   

A. Beeloo, De instelling Orde St. Jacob (Amsterdam 1845).                                                       

W.J.A. Jonckbloet Het ridderfeest van St. Jacob (’s Gravenhage 1845).                .                   

L. Weleveld Beknopte genealogische aantekeningen betrekkelijk de Hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van de St. Jacobs broederschap door Floris V tot ridders zijn geslagen.                                                                                                                               

W. Hofdijk J. van Lennep en J. Groebe, Merkwaardige Kastelen1845, Ons Voorgeslacht 1862.   

D. Groebe, Verhandeling ter beantwoording van de vraag: Graaf Floris V uit echte bronnen voorgesteld (Den Haag 1833)                                                                                                   

J. ter Gouw, Studiën over Wapen en Zegelkunde deel IV de Ridderorde van St. Jacob (Amsterdam 1865).                                                                                                               

J.R. Kudrop van Ruwiell, De institutie van de orde van St. Jacob door Graaf Floris V                  (Amsterdam 1964).

 

8. Literatuur en bronnen

Aa, van der A.J., Biografisch woordenboek deel 1, over Amstel en Brederode (Amsterdam 1852).

Aalbers, J. en Prak, M. de bloem der natie (Meppel 1987).  

Aalbers, J. e.a. Heren van Stand 1200-2000 van Wassenaar achthonderd jaar adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2000).

Adriaanse, het geslacht van der Maelstede te Hulst en elders. Oudheidkundige kring 1931 Jaarboek.

Allart, J., Gedenkschriften van de koninklijke unie door de jaren 1807, 1808 en 1809 (Amsterdam 1810).

Altdorfer, J.C.& W., Archief Vroegere en latere mededelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland IV, (Middelburg 1859).

Amstel van Th.A.A.M., De Heeren van Amstel 11-05-1378 (Hilversum 1999).

Andriessen, P.J., De schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel, (Amsterdam 1862).

Anrooij, van, W. e.a. De Haarlemse gravenportretten, Hollandse geschiedenis in woord en beeld, ( Hilversum 1997)

Arend, J.P., Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden (Amsterdam 1841).

d'Artillac Brill, J.,  Beknopte geschiedenis der Nederlandse Ridderorden (Den Haag 1951).

Aurelius, C.G. de Divisiekroniek (1517).                                                                                      Bakhuizen van den Brink, R.C., Studien en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren             vierde deel (’s-Gravenhage 1877).

Balen, Jans Zoon, Matthys, Beschryving der stad Dordrecht enz. (Dordrecht 1657).

Bar, M., Recueil de tous les costumes des ordres religieux et militaires avec un abrégé historique enrichi des notes et de planches coloriées Tome troisieme (Parijs 1784).

Bavel, van, B.J.P., Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1129-1592) (Hilversum 1993).

Bander van Duren, Orders of Knighthood and Merit (Gerrards Cross 1995).

Bax, W.F., De Oudste Nederlandsche Ridderorden, overname Jaarboek voor Munt en Penningkunde XXVIII ( Amsterdam 1941).

Beekman, M. Beschreiving van de Stad en Baronnie Asperen vertoonende haare oudheid, gebouwen, hooge, en verdere regering, ens. (Utrecht 1745).

Beelaarts van Blokland, M.A., De hoge raad van adel, geschiedenis en werkzaamheden (’s-Gravenhage 1966).

Beelaerts van Blokland, W.A., Ned. Leeuw 1921 (215-222).

Beeloo, A.,’s Gravenhage een berijmd verhaal met geschiedkundige aantekeningen (’s- Gravenhage 1842).

Beeloo, A., De instelling van de Orde van St. Jacob door Graaf Floris V, in den jare 1279 (Amsterdam 1845).

Beer Portugaal, den, D.J, Belangstellend woord omtrent de bestemming der Groote of Zoogenaamde Loterij-Zaal van het Binnenhof te ’s Gravenhage (’s- Gravenhage 1862).                                                     

Bellew, G., Escallops in Armory, Offprint from the Scallop,  Shell Trading Company (London 1957).

Bergh, A. van den, Vorsten en Bewindvoerders van al de oude en nieuwe staten der wereld, mitsgaders opgave van al de voormalige en nog bestaande Geestelijke en Wereldlijke Ridderorden (Haarlem 1871).

Bergh, van den, L. Ph.G., Oorkondenboek van Holland en Zeeland, uitgegeven door de Koninklijke academie van Wetenschappen 2 delen (’s-Gravenhage 1865).

Besseling, H., Oudheden en gestichten van Delft en Delfland mitsgaders van ’s Gravenhage (Utrecht 1744).

Biedenfeld, F., Ritterorden (Weimar 1841).

Bilderdijk W. en Tydeman H. W., Geschiedenis des Vaderlands (Leiden 1853)

Bilderdijk, W., Geschiedenis des Vaderlands uitgegeven door Prof. H.W. Tydeman, deel II (Amsterdam 1833).

Bischoff, J. en G.L. de Rochemont, Geschiedkundige beschrijving der oudere en nieuwere thans bestaande Ridderorden zowel in als buiten Europa (Amsterdam 1843).

Blass, E., Beschreibung aller heutiges Tages in Europa florirenden Geist und Weltlichen Ritter=Orden mit dene Biltnissen derer Ordens=Zeigen ( Frankfurt an der Oder 1743).

Boer, de, D.E.H., Cordfunke, E.H.P. Graven van Holland portretten in woord en beeld (Zutphen 1995). 

Bondam, P., Brief aan Baron van Lijnden van Hemmen in de Algemeene Konst en Letter-bode voor het jaar 1826, no 25, 118. 

Brouërius, M en Nidek, R.G., e.a.  Kabinet van Nederlandse en Kleefse Oudheden verrrykt met koperen platen van Abraham Rademaker achtste deel (Amsterdam 1803).

Buddingh, D., Oorsprong en geschiedenis van ‘s Gravenhage De Mentor weekblad voor Nederlands zonen en dochteren uit den beschaafden stand no. 45, 342-346 (‘s Gravenhage 1827).

Bührmann, F.C.,   Bührmann ‘s  Geschiedenis van ons vaderland, van de vroegste tijden tot op heden, deel II  (Amsterdam 1865).                                                                                                                                             

Burgers, J.W.J. Het beeld van de adel bij Melis Stoke. De Adelspolitiek van de Hollandse graven in het begin van de veertiende eeuw’. BMGN-Low Countries Historical Review pp. 469-486.DO I.

Butkens, Christophorus, o. cist. Preuves Charter et Tittres; Annales Généalogique de la Maison de Lynden, fol.6 (Antwerpen, 1626).

Butkens, C., Trophées de Brabant: tome 1, réparti en dix livres (Antwerpen 1637).

Boekzaal van de geleerde wereld en tijdschrift voor de Protestantse kerken in het Koninkrijk der Nederlanden, De Erven onder de Linden en Zoon (Amsterdam 1845). 

Boxhorn, M. Z., Toneel ofte Beschryvinge der steden van Hollandt (Amsterdam 1632).                              

Boxhorn, M. Z., Cronijck van Zeelandt eertijds beschreven door d'heer Johan Rygersbergen, (Leiden 1644).     

Brunel, Wetsteins, Smith e.a., Groot Algemeen historisch geografisch , genealogisch en oordeelkundig woordenboek ( Amsterdam 1729). 

H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Deel I: De Meierij van ’s-Hertogenbosch en de Heerlijkheid Gemert (’s-Gravenhage, 1979). Deel II: De heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom (’s-Gravenhage, 2000).

Cerisier, A. M., Tafereel der Algemeene Geschiedenisse van de Veréénigde Nederlanden eerste deel   (Utrecht 1781).

Cerisier, A.M. Algemene Geschiedenis der Verenigde Nederlandse Provinciën eerste deel             (Amsterdam 1781).                                                                                                                             

Clark, K., Concise History of Knighthood (London 1784).                                                                                                                                                                                                                                    Coenen J.M.A., Tussen regeren en reageren hoofdstuk 2. De bloem der natie red. Aalbers J. en Prak(Amsterdam1987).                                                                                                                         

Coldeweij, J.A., de heren van Kuyc 1096-1400 (Leiden1982).                                                                 

Commelin, C., Beschryvinge van Amsterdam zynde een Naukeurige verhandelinge van deffelfs eerfte oorfpronk uyt de Huyfe der heeren van Amstel en Amstellant haar Vergrootingen, Rykdom, en Wyze van Regeeringe, tot den Jare 1691 (Amsterdam 1694).

Cordfuncke. E.H.P., e.a., Wi Floriens (Utrecht 1966).                                                                                                        

Cordfunke, E.H.P., Begraven verleden, hoven en kastelen in Kennemerland [850-1350] (Zutphen 2018).                                                                                                                     

Cordfunke, E.H.P., Macht en aanzien Kennemer adel in de volle middeleeuwen [1050-1350        (Zutphen 2013).                                                                                          

Coignard, J-B., Histoire des ordres monastiques, religieux et militaires  Tome Huitième (Parijs 1719).     

Commissie tot regeling der Maskerade, Ophelderingen betreffende De Maskerade voorstellende Den optogt van Floris V (Leiden 1845).                                                                                                                  

Dambreville, E., Abrégé chronologique de L'histoire des Ordres de Chevalerie (Parijs 1807).

Damen, M., Staat van Dienst, de gewestelijke ambtenaren van Holland en Zeeland in de Bourgondische periode ( 1425-1485), (Hilversum 2000).

Dek , A.W.E. Dek Genealogie der graven van Holland (Nijmegen 1954).                                                                                         

Dinther, N.L. de Genealogie van de heren van Heusden (z.p. 2013). https://www.nicovandinther.nl/kwartierstaten/Parenteel-van-Herman-van-Heusden.pdf

Dissel, S., Historische bijdrage betrekkelijk het onderwerp der Maskerade gegeven door H.H. Studenten van de Leydsche Hoogeschool op den 8 Februarij 1845, voorstellende den aftocht van Floris V met de nieuw geslagen St. Jacobs-Ridders na het door hem gegeven tournooi. (Leiden 1845)

Dujardin, B. en Sellius G.,  Histoire générale des provinces-unies dédiée a Monseigneur le duc d’Orleans, premier prince du sang, tome troisieme (Parijs 1757).

Ermerins, J., Eenige Zeeuwse Oudheden uit echte stukken opgehelderd en in het licht gebracht behelzende de Heeren van Vere uit den Huize van Borsele (Middelburg 1786).

Fockema Andreae, S.J. en Renaud, J.G.N. Kastelen Ridderhofstedenen Buitenplaatsen in Rijnland   (Arnhem 1974).

Ferwerda, A. Adellijk en aanzienlijk Wapenboek van de Zeven Provincien Tweede deel   (Leeuwarden 1772).                                                                                                                                                   Ferwerda, A. Genealogien van voornaame van adelyke en aanzienelyke familien uit oude stukken in deze oorder gebragt  Tweede deel  (Leeuwarden 1772).  

Fockema, S.J. ea. Kastelen ridderhofsteden en buitenplaatsen in Rijnland (Arnhem 1974).

Geer, de, J.J. Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht uit de oorkonden bewerkt met platen en kaarten (Utrecht 1860).

Giustiniani e.a. Histoire des ordres militaires ou des chevaliers, Tome III et Tome IV (Amsterdam 1721).

Gietman, C., Steensel, van, A., e.a. Huis en Habitus: over kastelen buitenplaatsen en notabele levensvormen (Hilversum 2017).

Gouthoeven, van, W., D’oude Chronijcke ende Historien (met west Friesland) van Zeeland ende van Utrecht (Dordrecht 1620).

Guordon de Genouillac, H., Nouveau Dictionaire des ordres De Chevalerie (Parijs 1891).

Gouw, ter, J., Amstelodamiana tweede deel ( Amsterdam 1874).

Gouw, ter, J. Studiën over Wapen en Zegelkunde (Amsterdam 1865).

Graaf, de, R., Oorlog om Holland 1000-1375 (Hilversum 2004).

Groebe, D, Verhandeling ter beantwoording van de vraag: Graaf Floris V uit echte bronnen voorgesteld (Den Haag 1833).

Halma, F. en Brouërius van Nidek, M., Tooneel der vereenigde nederlanden en onderhorige landschappen Geopend in een Algemeen Historisch, Genealogisch, Geografisch en Staatkundig Woordenboek eerste deel ( Leeuwarden 1725).                                                                                                                                      

Hangest D' Yvoy van Mydrecht, M. L.,Voordragt… in den Algemeenen Kunst- en Letterbode voor 1826, no. 25 en 38 nopens hetgeen in dat weekblad, in de Weegschaal no. 9 voor 1826, en in de onlangs uitgegeven Twee brieven over de ridderorde van St. Jacobs Broederschap, tegen gemelden schrijver ... geschreven is geworden door F. G. baron van Lynden van Hemmen. ' (Den Haag 1828).

Hangest D’Yvoy van Mijdrecht verhandeling ten betoog, dat er in Holland, ten tijde van Willem VI , graaf van holland, geene ridderorde van den Tuin is ingesteld , noch aldaar of elders immer bestaan heeft ( Den Haag 1824).

Hayez, M., Compte Rendu des seances de la commission de ses bulletins Tome XI partie I (Bruxelles 1846).                                                                                                                                                                       

Henderikx, P.A., De oudste bedelordenkloosters in het graafschap Holland en Zeeland, (Dordrecht 1977).               

Van Heelu, J. van, Rymkroniek betreffende de slag van Woeringen, (Brussel 1288).

Hélyot P. en Bullot, M., Histoire des ordres monastiques religieux et militaires Tome Huitième (Parijs 1719 en 1792).

Hélyot, P., Histoire et costumes des ordres monastiques religieux etmilitaire et des congrégations séculiéres des deux sexes avec notice, annotations et complément pas V. Philippon de la Madelaine huitième partie (Guingami 1842).   

Henderikx, P.A., de oudste bedelordekloosters in het graafschap Holland en Zeeland (Dordrecht 1977).

Hoek, C. Repertorium op de lenen van de Proosdij van Sint Marie te Utrecht gelegen in de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden 1219-1698,publicatie in ons Voorgeslacht jrg. 46 (1991).                                                                                                                                                                                 

Hofdijk, W.J., Ons Voorgeslacht, IVe deel (Haarlem 1862).

Hofdijk, W.J. Historische Landschappen, Tweede herziene druk (Amsterdam 1873).

Hofdijk, W.J. de Grootezaal op het Binnenhof te ’s Gravenhage een historische herinnering in Nederlands Magazijn tijdschrift voor Noord en Zuid no.1  (1862) 35-36.

Hoogstraten, van D., en Schuer, J.L., Groot algemeen, historisch, geografisch, genealogisch en oordeelkundig woordenboek zesde deel, (Amsterdam 1729).  

Hugenholz, F.W.N., Floris V (Bussum 1966).                                                                                                               

Huydecoper, B., Rijmkroniek van Melis Stoke met historie- oudheid en taalkundige aanmerkingen deel II,  (Leiden 1772).

Huygens, C. de Ridderzaal, uit Hofwyck, Haagsch jaarboekje 1897.

Janson, E. M.Ch.M., Uit de geschiedenis van Wassenaar (Den Haag 1972).

Janse, A.J. Ridderschap in Holland, (Hilversum 2001).

Janse, A., Ridderslag en Ridderlijkheid in laat-middeleeuws-Holland, Bijdragen en Mededelingen voor de geschiedenis der Nederlanden 112, blz. 317-335, Nederlands Historisch Genootschap 1997.

Janse, A., Toernooicultuur en adelscultuur in middeleeuws Holland, Adel in Holland. Holland Historisch Tijdschrift no.3, 34 jaargang 202, (2002) 150-166.

Janssen, H.I., Het bisschoppelijk kasteel Vreeland ca. 1258- ca. 1700, Castellogica 1993-11.  

Jansen, H.P.H., Hoekse en Kabeljauwse twisten, (Bussum 1966).

Jonckbloet, W.J.A. Het Ridderfeest van St. Jacob, de Tijd (Den Haag 1845).

’t Jong, H., De dageraad van Holland, de geschiedenis van het graafschap 1100-1300                                                (Utrecht 2018).

De Keijzer, B., Kastelen in de Krimpenerwaard e.o., (2009) eerder gepubliceerd in de ’Historische Encyclopie Krimpenerwaard’, jrg.29 (Schoonhoven 2005).                                                                                      

Kluit, A., Historie der Hollandsche Staatsregering tot aan het jaar 1795 vierde deel (Amsterdam 1804). 

Kloek, E., Gijsbrecht van Amstel ca. 1230- ca.1303), Verzameld verleden 24 bijdrage A. Janse                (Hilversum 2004).

Koch (ed), A.C.F.,  Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. Deel I: eind van de 7e eeuw tot 1222 (’s-Gravenhage, 1970). Afgekort als OHZ

Koene, B. e.a. Midden –Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen (Hilversum 2003).

Kok, J., Vaderlandsch Woordenboek derde deel A-M (Amsterdam 1786), eenentwintigste deel H-K            (Amsterdam 1789).

Kort, J.C., en Hol, R.C. Wassenaar, de oudste (Hilversum 2002).

Kruisheer, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, 5 delen ( Den Haag, Assen, Maastricht 1970-2005).

Krünig, D.J.G., Oeconomenische  Encyclopädie oder allgemeines System der staats-Stadt-Haus und Land wirthschaft in alphabetischer Ordnung zwansigter Theil von Ja bis Jam (Brünn 1789) (Berlijn 1817).

Kudrop van Ruwiell, J.R. De Institutie van de orde van St. Jacob in Holland door Graaf Floris V (Amsterdam 1964). 

Langereis, S., Geschiedenis als ambacht oudheidkunde in de gouden eeuw: Arnoldus Buchelius en Petrus Scriverius (Hilversum 2001).                                                                                                                                                  

Laseur, W.A., Het Museum Meermanno-Westreenianum, 1840-1960 ( Den Haag 1998).                         

Leeuwen van, S., Illustrata ofte Oud Batavien vervattende de verhandelingen van den adel en Regeringe van Hollandt, ten deele uyt W. van Gouthoven, en andere Schryvers, maar wel voornamelijk uyt een menigte van oude Schriften en Authentijque Stukken en Bewijfen (Den Haag 1685).                                                                                                                                                  Lennep, van, J. de voornaamste geschiedenissen van Noord Nederland eerste afdeling ( Amsterdam 1865).

Lennep, van J., Romantische werken eerste deel (Den Haag 1867).

Lennep van, J. en W.J. Hofdijk, Merkwaardige Kastelen in Nederland (Amsterdam 1845, 1861).

Lennep van, J en J. ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven ( Leiden 1880).

Lennep van, J., W. Moll en J. ter Gouw, Nederlands geschiedenis en volksleven, opgedragen aan zijne majesteit Willem III, (Leiden 1889).

Lijnden van Hemmen, F.G. baron van, Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap ingesteld door Floris V ('s-Gravenhage en Amsterdam 1827).                                                                             

Lijnden van Hemmen, baron F.G., Kort antwoord op de voordracht van den heer M. I. Baron D'Yvoy van Mijdrecht ('s-Gravenhage en Amsterdam 1828).                                                                                     

Loosjes, A. Pzn., Characterkunde der Vaderlandse geschiedenisse 1e deel ( Haarlem 1783).

Lugt, F. Het ontstaan van Leiden, over burggraaf, de ontginning, de opwas, het stadsrecht.( Leiden 2012)

 Niesthoven, J.C., Historische Reeks no.1 werkgroep Wolfgerus van Aemstel, ( Hoorn 2001)

Maigne, W., Dictionnaire encyclopédique des Ordres de Chevalerie (Parijs 1861).                                          

Massuet, P., La science des personnes de cour, d’epée et de robe, tome quatrieme parti I, (Amsterdam 1752).

Mathijsen, M. Jacob van Lennep een bezielde schavuit, ( Amsterdam 2018).                                              

Mathijsen, M. Historiezucht, de obsessie met het verleden in de negentiende eeuw (Nijmegen 2013)

Meylink, A.A.J. en G.H.M. Delprat, Over een Charter van Graaf Floris V ( Den Haag 1860).                                                       

Melis Stoke, Rijmkroniek van Holland 366-1305  uitgave Burgers J.W.J. (Den Haag 2004).

Micklinghoff, F.H., Monumentaal groen in Wassenaar (Den Haag 1999).

Miraei, A., Donationes Belgicae (Antwerpen 1629).

Miraei, A., Opera Diplomatica et Historica in Quibus (Antwerpen 1723).

Van Mieris, F., Groot Charterboek der Graaven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland, beginnende met de eerste en oudste Brieven van die Landstreeken, en eindigende met den dood van onze Graavinne, Vrouwe Jacoba van Beyere, vier delen (Leiden, 1753-1756).

Mooij, B.J. Catalogus met 2406 in Nederland aangetroffen middeleeuwse zegels en zegelstempels, bijlage scriptie. Tekenen van verschriftelijking 2016 Bas Mooij | University of Groningen - Academia.edu

Mostard, J.J., Den Haag Oranje Residentie, (den Haag 1980). Petit Le, I. F., La Grande Chroniqve ancienne et moderne de Hollande, Zelande, VVeft - Frife, Vtrecht, Frife, Overyffel & Groeningen, jufques à la fin de lÆ An 1600 (Dordrecht 1601).                                                                                              

Muller, S., Het oudste register van graaf Florens, Hollandse Bronnen deel 4  (Rotterdam 2009)

Noorda, van der S.J.H., aanvullingen op Merkwaardige kastelen in Nederland door mr. J. van Lennep en W. J. Hofdijk , eerste serie II  delen en  tweede serie 1e  deel en IIe tot blad. 160. Amsterdam, G.W. Telkemijer 1845 en 1855 in de Gids twintigste jaargang, tweede deel, (1856) 265-270.

Oostrom, van  F., Maerlants Wereld (Amsterdam 1997).

Obreen, H. Floris V,  Graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland 1256-1296 (Gent 1907).

Obreen, H. Geslacht van Wassenaar 1200-1900 (Leiden 1903)

Otterspeer, W. De Leidse Studentenmaskerade 1825-1910, Holland Historisch Tijdschrift jaargang 22 4/5-1990  Hilversum.  

Paige Le, A. F., L ’Ordre Héréditaire du cigne, dit L’Ordre Souverain de Cléves (Parijs 1780).                              

Perrot, A.M. Ritterorden (Leipzig 1821). Collection historique des ordres de chevalerie civils et militaires existant chez les différens peuples du monde suivie d’ un tableau chronologique des ordres éteints (Paris 1820).  

Philippo Bonanni, A.P., Ordinum Equestrium et militarium catalogus , In Imaginibus expofitus &cum brevi narratione oblatus Clementi XI Pont. Max., editio tertaria ( Rome 1724). 

Philipon de la Madelaine, V., Histoire des ordres monastiques religieux et militaire et des congrégations séculierëres des deux sexes par le R.P. Hélyot 1e uitgave 1719 (Paris 1842).

Petit le, J. F., La Grande Chroniqve ancienne et moderne de Hollande, Zelande, VVeft - Frife, Vtrecht, Frife, Overyffel & Groeningen, jufques à la fin de l’ An 1600 (Dordrecht 1601)

Plomp, N., Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie deel 53 en 57, (Den Haag 1999 en 2003).

Rammelsberg, J.W. , Beschreibung Aller noch heutige Tages florirenden als bereits Verlochenen Geist und Weltlichen Ritter-Orden in Europa nebtst denen Bildnissen derer Ordens- Zeichen (Franfurt an den Oder 1744).                                                                                                                                                                                                                                                                                                  Ratelband en Bouwer Cronyke van de geschiedenisse in Holland, Zeeland en Vriesland en van de Bisschoppen van Utrecht op nieuws overgezien en van fouten verbeterd (Amsterdam 1790).

Riemer, J., Beschryving van ’s Gravenhage, behelzende deszelfs oorsprong, benaming, gelegentheid, uitbreidingen, onheilen en luister ( Delft 1730).

Roëll, W.F. Verhandeling over de Ridder-Orde van het Gulden Vlies in; Verhandelingen der Tweede Klasse van het Koninklijk –Nederlandsche instituut van wetenschappen, letterkunde en schoone kunsten vijfde deel, (1831) 84 -138.

Robson, Th., The British herald, or Cabinet of armorial bearings of the nobility & gentry of Great Britain & Ireland from the earliest to the present time with a complete glossary of heraldic terms to which is prefixed a history of heraldry collected and arranged in three volumes (Sunderland 1830).

Roever, N. de en Dozy, G.J., Het leven van onze voorouders 1e druk 6 delen (Amsterdam 1906).                                                                                               

Rouck de, Th., De Nederlandtsche Herault of Adelik Toneel, 1e uitgave Jan Janssen te Amsterdam 1645, 2e uitgave Jacob Volkerrsz. te Amsterdam 1672, 3e uitgave Hendrik en Dirk Boom (Amsterdam 1673).                                                                                                                                                                           

Scheltema, P., Gedenkwaardigheden van Amsterdam, (Amsterdam 1861).                                                        

Schoenmaker, G., Daniel Willinks Amstellandsche Arkadia of Beschryving van de Gelegenheit, Toeftant en Gebeurteniff van Amstellandt (Amsterdam 1737).

Schoonebeek, A., Historie van alle Ridderlijke en Krijgsorders (Amsterdam 1697).

Snouckaert van Schauburg, G. Th.A., Aanmerkingen op de briefwisseling gehouden tusschen de heeren Q.N. en F.G. van Lynden van Hemmen, 323, 342, 359, 404, 426. Algemene konst en Letterbode voor het jaar 1826 nrs. 48-54. Ingezonden brieven onder de naam A.Z.

Snouckaertvan Schauburg, G.Th. A. Stukken Hoge raad van Adel, Jan en Otto van Arkel, Ridder S Jacob.

Scriverius, P., Het Oude Goudsche Kronycxken of Historiën van Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt en Uytreght (Amsterdam 1663).

Smallegange, M., Nieuwe Cronyk van Zeeland eerste deel (Middelburg 1646).

Van Spaen La Lecq W.A., archiefstuk handgeschreven genealogie over van Arkel uit de collectie van Snouckaert van Schauburg waarin van Otto van Arkel en Jan van Arkel ridders in St. Jacob genoemd worden. Bewaard in de Hoge raad van Adel, archief Souvereine Orde van St. Jacob in Holland (Den Haag).

Van Spaen la Lecq, W.A., Historie der Heeren van Amstel van Ysselstein en Mynden, tot opheldering van Wagenaar (Den Haag 1807).

Van Spaen la Lecq, W.A., Oordeelkundige Inleiding tot de historie van Gelderland, deel III (Utrecht 1805).

Van Spaen la Lecq, W.A., Historie der Heeren van Amstel, van Ysselstein en van Mynden tot opheldering van Wagenaar (Den Haag 1807).

Steensel, van, A. Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving (Hilversum 2010).

Styl, S. Opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden tweede druk (Amsterdam 1778).

Styl, S. Levensbeschryving van eenige voornaame meest Nederlandsche mannen en vrouwen zesde deel (Amsterdam 1779).

Tideman, J. Toespraak betreffende de aanstaande Maskerade in de uitgegeven bundel (Utrecht 1845).

Tideman, J. De zogenaamde ridderzaal te 's-Gravenhage en de problematieke Ridderorde van St. Jacob, overdruk uit de Hofstad 5 no. 23 (Den Haag 1899).

Tideman, J. Een drietal studiën op het gebied van de geschiedenis der bouwkunst in Nederland, overdruk uit het weekblad de Opmerker, ’s Gravenhage 1894.

Tirion, I., Vaderlandsche historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden (Amsterdam 1759).

Tydeman, H.W., iets over jonkheer Witte van Haamstede, Algemeene Kunst en letterbode voor het jaar 1825, no. 48, 354-379.

Verhoog, J.H., De eerste negen Heeren van Brederode 1203-1473, (Bergen NH 1997).

Verbrugge, M., Teylingen op het laatst der dertiende eeuw, De Vriend des Vaderlands 16e deel (Amsterdam 1842).

Verstegen website Acquoy, https://new.kooisedorpsraad.nl/historie/

Vinchant, F., Annaels de la province et comte du Haunaut, tome cinquieme. (Mons 1852).

Visvliet van J.P. over de belangrijkheid der oude charters berustende in het provinciaal archief van Zeeland, Archief Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen IV, 23-26, 1859.

Waale, M.J., De Arkelse oorlog 1401-1412 (Hilversum, 1990).

Wagenaar, J., Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigdenederlanden ingezonderd die van Holland van de vroegste tyden af deel III, (Amsterdam 1752).

Weleveld, L., Beknopte genealogische aantekeningen betreffende de Hollandse edelen welke bij de instelling der ridderorde van St. Jacobs Broederschap door Floris V tot ridder zijn geslagen ( Leiden 1845).

Westreenen, van, W.H.J., Essai Historique sur Les Anciens Ordres de Chevalerie (Den Haag 1807).

De Wind, S. Bibliotheek der Nederlandsche geschiedschrijvers, vierde stuk ( 1626-1648). (Middelburg 1833).

Willinks, D., Amstellandsche Arkadia of Befryving van de Gelegenheit, Toeftant en Gebeurteniffen van Amstellandt (Utrecht 1773).

Winter van, J.M. Adel in Holland, Historisch Tijdschrift Holland, no 3. 34e jaargang (Hilversum 2002).

Wolf–Catz, H., Kleine geschiedenissen van grote kastelen, hun ridders, hun vrouwen, zij schatten, (Leiden 1967).

Zeegers, A. Th. Nederlandsche Chrestomathie Bloemlezing uit de werken van enige voorname hedendaagse Nederlandse Schrijvers en dichters 2e druk (Amsterdam 1851).

Zelm van Eldik J.A. Moed en Deugd Ridderorden in Nederland (Zutphen 2003).

Zuidervaart, H.J. Ridders, Priesters en Predikanten in Schelluinen. (Hilversum 2013).

8. Overzicht van illustraties

  1. Voorplaat Floris V, Hendrik Spilman naar Tako Jelgersma na 1745, uit Pieter Langedijk, Het graaven van Holland in jaardichten beschreven (Haarlem 1745).

  9. Inhuldiging Willem III gehuldigd als heer van Friesland, 1328, ets en gravure Pieter Tanjé, naar Louis Fabritius van Douburg, 1749-1799, Rijksmuseum, atlas Provinciaal Archief NH. van Fries Allegorie ontvangst van stadsrechten door de graaf van Holland.( Provinviaal archief NH.)

10. Blz. 237 uit het werk van J.F. Petit Grande Chronique ancienne et moderne de Holande et Zelande.

11. Kaart Holland Zeeland het Sticht en deel Brabant met de leengebieden van de aangegeven ridders.

14. Munten periode graaf Jan, Beeltenis graaf Jan I (1289).

15. Collectie zegels uit Kennemerland en graven van Holland, Provinciaal Archief NH.

16. Wapen Egmond.

17. Afbeelding executie broer Gerard van Velsen.

18. Wapen Persijn.

19. Zegel Nicolaas Persijn.

20. Zegel Simon van Haarlem 1261.

 20. Maquette Oud Haarlem.

21.Wapen Brederode boek Beyeren?

22. Wapen Gerrit van Heemskerk.

23. Slot Teilingen.

24. Cliché Rijksdienst van de Monumentenzorg. Teilingen fundering uit Kastelen in het Rijnland.

23.Teilingen uit Merkwaardige Kastelen door, Jvan Lennep en W. Hofdijk 1883/1884.

25. Huys te Warmond van der Woude.

27.Graftombe Dirk van Wassenaar, zegel Dirk van Wassenaar 1237.

30. Kasteel Raaphorst Roghman 1646.

30. Wapens Willem van Duivenvoorde Wassenaar Duivenvoorde Polanen.

30. Kasteel Polanen afbeelding uit Westlands museum.

31. Wapen Arkel.

33.Slot Arkel.

34. Zegel Gijsbrecht IV van Amstel, schets graftombe Jan I van Arkel met echtgenote.

34. Diverse zegels: Floris V, Van Woerden, Brederode, Egmond, Persijn, Haarlem en Heemskerk. (Noord-Hollands archief).

 33. Wapens Heusden Heesbeen Sluis.

 36. Motteburcht Voorne, Rijksbureau voor de monumentenzorg, 's Gravenhage 1935, A. Oger

37. Wapens Amstel IJsselstein, Mijnden,

38. Wapen Woerden.

39. Graftombe heren van IJsselstein.

40.Wapen IJsselstein,

40. De verdrinking van Jan van Renesse schilderij Antonie F. Zurcher, 1860.

41. Witte van Haamstede de overwinning op het Manpad. Litho J.H. Eichman/H.Altman, 1856. Zegels en Wapen Nicolaas van Putten.

42.Wapen Naaldwijk.

43. Chevalier de S. Jacques en Hollande Histoire des Ordres Militaires ou des chevaliers des milices militaires, Filippo Buonanni - 1721 Tome III Les Chevaliers de St. Jacques blz. 299

 45.Tekening van Diderik VIII graaf van Kleef.

46.Wapenschild van Kleef. 46. Wapen Hamilton.

47. Wapen Boïcholt.

48. Wapen Henneberg.

51. Graftombe Jan II van Arkel.

52. Wapen van Lijnden.

57.Wapen Vianen op sigarenbandje.

58. Portret Eli Ashmole.

60. Tekening Floris V met edelvrouwe,  halsketen ontwerp onbekende bron.

63. Kaart Haarlem 13-16e eeuw, Bedelordenkloosters, P. Henderikx.

65.Brief A.C.B. van Brienen.

66. Wapen Abcoude, kasteel Abcoude, Roghman, 1646.

67. Wapen van der Lede.

68.Wapen van Arkel.

69.Wapen Haastrecht.

70. Zegel Simon van Souburg de Mooij catalogus no. 1222. Het wapen van Souburg Alblasserdam

70.Wapen Subburg.

71. Wapen Heusden, wapen van der Sluis.

72. Het graf van Arnold van der Sluis, een gravure uit 1870. Het land Altena, Kasteel Horn,

       Wapen Horn.

73. Het wapen van Cuijk en het wapen Asshe.

74. Het wapen van Henegouwen en Schiedam.

75. Wapens Maalstede, wapen Renesse.

79. Wapen Kruiningen, tekening Jan Luyken dood Wolfert van Borselen 1698, Rijksmuseum.

80. Wapen Voorne.

81. Wapen van Cruijningen.

82. Overzicht burggraven van Zeeland, Mattheus Smallengange 1669, pag. 318.

83. Wapen Haamstede.

82. De Witte van Haamstede Jan van Beaumont en Willem van Assendelft. Boek Maskerade 1865.

84. Kasteel Moermond uit de Cronyk van Zeeland, Mattheus Smallengange, 1695.

87. Huis te Blotinghe, Wapen Hodenpyl, Jean van Beaumont.

 88.Wapen van Henegouwen.

 89. Wapen Ghijsken van Diepenburgh.

 88.Wapen van Borselen.

 90. Franc van Borselen.

90.  Wapen Gerard van Wesenmale.

91.Ridder St. Antoine en Barbefosse, Bulletin et annales de l'Académie d'archéologie de

Belgique blz. 565,1721.

92. Nederland in 1300.

93. Draagteken orde linkt met medaillon Oeconomenische encyclopedie Johan Krünig, 1798.

95. Archief Snoukaert van Schouburg, genealogie van Arkel door Spaen La Lecq.

98. Collier des Chevaliers de Saint Jacques en Hollande la sciences des personnes de cour d'épée et de robe 1752, Pierre Massuet.

97. Chain with scallop shells of the order of St. James Holland, The British Herald Or Cabinet of Armorial Bearings 132, Plate XII, 1830.

98. Afbeelding de Ridderzaal en toernooiveld, Jan Londerseel, 1608.

99. Afbeelding uit Merkwaardige kastelen van Hofdijk en van Lennep, 1845.

100. Kopie van het handschrift en extract uit het Naemboek afkomstig uit de bibliotheek van het Carmalietenklooster door A.C.B. Van Brienen, archief Souvereine Orde van St. Jacob.

 

 

 

 

 

 

 

[1] Navorscher , 1854, 108 het betreft een sprookje napraten, de keizer mocht alleen ridderen. Navorscher’s bijblad 4e jr. 1854, CIX, Arend; Rijksadel zijn benoemde hertogen of graven en hoge adellijke geslachten, de graaf kon vrije of welgeborene tot den adelstand verheffen, zie Kluit in Historie der Hollandse Staatsregering 39-61.

[2] Door  Miraeus, Butkens,  Boxhorn en van Leeuwen schrijvers uit de zeventiende eeuw.

[3] Janse ridderslag, 320, noemt het jaartal 1295.

[4] De Bruijn, Nieuwsbrief 2011.

[5]  Bakhuizen van den Brink, dl 4. 353, de verbouwing van de Groote Zaal en de kritiek op Alberdingk Thijm.

[6] Kluit, 61, 92, ontslag uit dienstbaarheid van schotboortige landlieden.

[7] Janse, Wi Florens, 163.

[8] Beka, ( p. 93 de holl.) 125-140 ( Bruch).

[9]  Reigersberg, 87.

[10]  Mireai, 441.

[11]  Langereis 119, 147, 153.

[12]  Butkens, genealogie van Lynden, preuves extrait 18, 88.

[13]  Boxhorn, 48-53.

[14]  Scriverius, 226.

[15]  Scriverius,  513, 522

[16]  De Rouck, 162.

[17]  Groebe, 94, 95.

[18] De Clerk uit der lage landen bij der zee, de Chronijk van Holland 161,162,163. (Ook als  Clerc, Klerk, Klerc genoemd).

[19] Niet alle namen worden het zelfde overgenomen, Dierck van Wassenaar ontbreekt bij Petit.

[20] Van Steensel, 206, het is waarschijnlijk hieruit overgenomen.

[21] Boxhorn, Cronijck Van Zeelandt, 89.

[22] Scriverius, 75.

[23] Beeloo, 56.

[24] De Graaf, 177, van der Aa, deel II, 943, Montanus 92, van Lennep, 80

[25] Huydekoper, 249 vierde charterboek blz. 567.

[26] De Graaf, 235,236.

[27] Obreen, 51,52. Scriverius Chr van Holland 150-151.

[28] Scriverius, Chronyk van Holland 150-151.

[29] In Histoire  des Militaires ou des Chevaliers des Milices Seculieres & Regulieres, (1721) tire de l’Abbé Giuftiniani deel III, is een lijst van 19 grootmeesters de St. Jacques en Hollande weergeven van 1290 met als grootmeesters Floris V en daarna 1296 Jean I t/m Charles II de VIIe graaf van Holland in 1665. Hiervoor is geen enkele bron te vinden en vermoedelijk is de wens de vader van de gedachte.

[30] Huygens ing, Digitaal vrouwenlexion Margaretha van Holland.

[31] Cordfunke, Macht en aanzien, 40-41.

[32] Cordfunke, Kennemerland in Prehistorie en Middeleeuwen, 149.

[33] Cordfunke, Macht en aanzien, 45, 47.

[34] Cordfunke ,46,47, naar Dek genealogie van het geslacht van Egmond.

[35] Koene, 163-168. Er bestaan onderlinge verwantschappen tussen Utenhage en Wissen.

[36] Dek en van Groesbeek. Berwout II was de eerste advocaat van de Egmondse abdij (1158/1167).

[37] Koene, 166.

[38] Koene e.a. 148. In oorkonden wordt Gerard niet als een belangrijk persoon geduid.

[39] Schotel, de Abdij van Rijnsburg. In 1325 bezoek Willem III de abdij en geeft een jaarlijkse toelage aan Clarissa de dochter van Gerard van Velsen.

[40]Koene, 147.

[41] Divisiekroniek ,die negentienste divisie,  dat  22 capittel.

[42] Gouw Amstelodamiana, 123-129.

[43] Cordfunke, 24.

[44] Janse, 432, biografieën ridderschap.

[45] Cordfunke, Kennemer adel,  32, 33, 34.

[46] Cordfunke, begraven verleden, 58,59.

[48] Cordfunke 117, Dirk Drossaart van Teilingen(zoon van Willem) zijn eerste zoon Willem noemde zich Brederode.

[49] Cordfuncke, Kennemer adel, 115.

[50] Oud Batavien, 703

[51] Cordfuncke 122, vermeldt de door Roomskoning Willem II genoemde Willem van Brederode” zijn consanguineus “, OHZ II 880 en 865.

[53] Cordfunke, 68,69. Koene e.a. 152, overleden in 1290.

[54] OHZ, 3, blz. 291.

[52] Koene e.a. 27,171. Cordfunke, Macht en aanzien, 84-85.

[55] OHZ, 383.

[56]Janse, 164, Tienden in Noordwijk, ambachten in Leiden en omstreken, Rijswijk, Voorburg en in het Westland, de 75 lenen vervielen na zijn dood aan de grafelijkheid.

[57] Hugenholtz, 66.

[58] Janse, 200. Overdracht in 1276

[59] De Boer, Wi Florens, 29.31

[60] Amstel, 100, voetnoot 9.

[61] Verbrugge, advocaat Generaal Prov. Gerechtshof Zeeland (1841).Het  slot Teilingen der 13e eeuw. 141-144.

[62] Divisie Cronycke , 189.

[63] Amstel, 131.

[64] OHZ deel 3 1256-1278.

[65] Historisch Tijdschrift Holland 29ste jaargang no.2, 1997. Goudriaan, 63

[66] Lugt, 56, de burggraaf beheerde de burcht, was garnizoenscommandant, muntmeester, marktmeester, en tolmeester. Burggraaf Jacob ( 1202-1241), 58, 162.

[67] Amstel, 240 II Amstel-Kuyc-Megen.

[68] De Graaf, 246.

[69] Van Leeuwen, 742.

[70] Wagenaar dl. III, 41.

[71] J. Korten en R. Hol, Wassenaar, de oudste, 15.

[72] Micklinghoff, Kastelen Wassenaar 24-27.

[73] Micklinghoff, Kastelen Wassenaar, 159.

[74] Aalbers & Prak, 55.

[75] Batavia Illustrata, 1053 sneuvelen van Gerard en Dirk van Raaphorst en Utenhage in 1272 en Gerard van Raaphorst anno 1300.

[76] Muller, Hollandse bronnen, 137 noot.

[77] Koene, 144- 146, er is naamsverwarring door gedeeld beheer van ambacht van Albert van Velsen en Hugo van Noordwijk. Na 1296 was de naam van Velsen besmet.

[78] Albers, 55, Janse, 432. Kok, deel 23, 71.

[79] Micklinghoff, Monumentaal groen in Wassenaar, 111.

[80] Biographisch woordenboek van der Aa, 355.

[81] Waale, 37. De betiteling van de Arkels is verwarrend, van der Aa hanteert de telling van alle Jannen, Waale begint de telling bij de vier takken, zo is Jan II kleinzoon van Herbaren II van der Lede en als Jan X beschreven.

[82] Adellijk en aanzienlijk wapenboek , Arkel Herbaren van Bottersloot, 210.

[83] Van Lennep en Hofdijk, Merkwaardige kastelen, 89.

[84] Beschrijving van Gorinchem, 54-57 in Adellijk en aanzienlijk wapenboek der zeven provinciën.

[85] Waale,51.

[86] OHZ, II, blz. 388 no.845. Jan van Hoeclem cnape.

[87] HGGWB, 191.

[88] Kort, J., Repertorium op de lenen van de hofstede Acquoy. 1, Verstegen geschiedenis van Acquoy 1228,1.

[89] Waale, 45.

[90] Huydecoper 430, Van Spaen, 69.

[91] Van der Noorda, 268.

[92] In de onderzoeken na de moord gaf deze oorkonde problemen bij diverse ridders.

[93] Dinther, Genealogie van Heusden V, 36-41, van Avesnes wil definitief afrekenen met de schuldigen.

[94] Cordfunke, Kennemer adel, tabel 17 Heusden Brederode, blz. 108.

[95] Parentereel van Heusden, 30. Jan van Heusden genaamd Heesbeen, zoon van Robert van Heusden en niet van Jan van Heusden.

[96] Jan van Heelu, ooggetuige van de Slag bij Woeringen in 1288 schreef een Rymkronyk ( Koninklijke Bibliotheek).

[97] Aalbers, 52.

[98] Oostrom, 128.

[99] In 1274 was zijn leen overgedragen aan Jan Persijn, naast Amstelland komen de in 1280 afgenomen bezittingen in het Gooi en Utrecht weer als leen in zijn bezit en noemt hij zich heer van Amstelland. Het Bindelmeer wordt hem ontnomen.

[100] Gouw, Amstelodamiana, 93, Herman van Woerden noemde de broeders van Amstel zijne magen.

[101] Gouw Amstelodamania, 98.

[102] Niesthoven, J. 28.

[103] Cordfunke, Kennemer adel, 117.

[104] OHZ, 119, no 276.

[105] Amstel, 243, de naam Badeloch van Egmond- Amstel is onzeker, Gerrit en Badeloch worden niet in stamboom van Amstel Woerden vermeld. Janse, 92, G beschrijft wel Margriet van Culemborg gehuwd met Gerrit van Vliet, het is  aannemelijk dat hij de zoon van Gerrit I van Vliet is. 

[106] OHZ 680, 300 OHZ, 888, OHZ, 1034.

[107] Hugenholtz, 63.

[108] Wi Florens, 159,160. Niet iedereen werd snel tot ridder geslagen. Nicolaas II was getuige voor zijn familielid Jan Persijn in 1275 als knaap. Willem van Haarlem ( +1317) en Filips van Wassenaar ( 1298) is ondanks zijn hoge functie nergens ridder genoemd.

[109] Cordfunke, Kennemer adel, 109. Muller, Dortoghe 119.

[110] J. van Craandijk iets over het geslacht van Cralingen, 72.

[111] Taferelen der Verenigde Nederlanden, 323.

[112] Mathijsen, historiezucht, 29.

[113] Weleveld, titelblad, Hollandse edelen tot ridder geslagen is onjuist, de eerste twaalf waren al ridder.

[114] Tabel 18 Wi Florens, verwantschap Floris V en noten op blz. 169 no. 9.

[115] Ter  Gouw;  De gilden, 20.

[116] De Roever en Dozy deel 2, het leven van onze voorouders, 175.

[117] Janse, Toernooicultuur en adelscultuur,151,153. Dat er toernooicultuur bestond bewijst een schuldoorkonde uit Geertruidenberg voor het verlies van strijdpaarden.

[118] Janse, tabel Ridderschap van Holland 1285, 429-433.

[119] Margaretha was een volle nicht van de vrouw van Jan van Cuijk, Jutta van Nassau.

[120] Andere gevonden data geven zijn geboorte rond 1260 en overlijden op 28 september 1305 aan.

[121] De bende van Cosijn van Benscop en Willem van Zaenden en Wilem van Teylingen.

[122] Beeloo, 45.

[123] Hamiliton Beeloo pag. 21 is een verschrijving.

[124] Butkens, geeft een onjuiste vermelding van de ambassadeur van koning Hendrik van Schotland in plaats ambassadeur van de overleden Alexander.

[125] Alexander III zou in 1289 of 1286 van een rots gevallen zijn en verdronk hierdoor. .

[126] Hugenholtz, Floris V.

[128] Archief Duitse Orde, 173, afbeelding Maasland, 403, 1438.

[129] Van Hinsbergen 89, oorkonde Duitse Orde.

[130] Dek, 6. Dirk gestoven in 1312.

[131] Arnold e.a. Ridders en Priesters 43, 57, Biesen en Utrecht en gedeeltelijk Koblenz werden verenigd.

[132] Cordfunke, Macht en aanzien, 117.

[133] Cordfuncke, Macht en aanzien 107-113.

[134] ’t Jong,  284, gevangenschap in Biervliet.

[135]  OHZ, 8.6. 1292.

[136]  Janse, Ridderschap in Holland 430, Verhoog, Dierck huwt de enige dochter van Jan II van der Lecke, 129.

[137] Weleveld, 9, het is niet bewezen dat de stamhouder uit het geslacht van Kleef afkomstig is.

[138] Hofdijk, Merkwaardige kastelen in Nederland deel II blz. 7 -8-9-10 en blz. 13 over het erfrecht van Kleef.

Het geslacht van Heusden is beschreven vanaf 180 in een heldendicht van Jan van Heelu.

[139] Bilderdijk, 170, (Mieris, T. I. p. 505 en 564.)  blz. 205.

[140] L.H.W. baron van Aylva Rengers, waarheidszucht 181,182. Berichten van Historisch genootschap 1851, Goude, Leyden, Teilingen.

[141] Jan van Drongelen was een bastaard.

[142]  Van Spaen, archiefstuk 147 Hoge Raad van Adel. Weleveld, 10.

[143]  Van Lennep, Merkwaardige kastelen, 116

[144]  Waale, 37, 39-42. Opvolger als heer van Arkel is de eerste zoon Jan van Arkel, gehuwd met Bertha van Ochten. De tweede zoon is Herbaren heer van Berghe ( Bergambacht). De derde zoon Otto wordt heer van

Heukelom en Asperen, de vierde zoon Hugo Botter heer van Schoonhoven.

[145] Batavia Illustrata 1e deel, 850.

[146] Ferwerda, 80.

[147] Weleveld, 12.

[148] N. Plomp Jaarboek voor genealogie 1999 blz. 164-170, Centraal bureau voor genealogie.

[149] Ferwerda, kinderen Willem van Lynden, Dirk II, Ridder in de Orde des graven van Hollandt. Een zoon van Dirk trouwde met Agnes van Herlaer.

[150]  Ned. Adelsboek 1998, blz. 173-176.

[151] Jason tabel, 25. Vele ridders stierven in deze eerste veldtocht tegen de Friezen.

[152] Kruisheer, no. 1370, Dirk II was nog geen ridder hierdoor worden een aantal personen dat voor hem als borgen worden genoemd: Dirk van Teilingen, Jan Persijn, Gerard van Wateringe, Arent van Duivenvoorde en Dirks oom Jacob van Wassenaar, Dirk van Santhorst en Hugo van Rijswijk.

[153]  Bilderdijk, 83.

[154]  Beelaerts van Blokland Ned. Leeuw 1921, 215-222.

[155] Janse, 281.

[156] Klooster, van der L., Genealogische tabellen.

[157] Heren van Wassenaar van stand, 3,4,5,6.

[158] Janson, E, 19, Jacob stamvader van het geslacht van Rosenberch.

[159] Beelaerts van Blokland en van der Klooster noemen voor alle zekerheid Jacob niet in de genealogie.

[160] Vanaf 1202 tot 1241 is Jacob (3) burggravius (1204 eerste vermelding van deze term) van Leiden. Christina wordt in 1251 genoemd castellana de Leyden, Beelaerts van Blokland Ned. Leeuw 1921, 215-222.

[161] Lijnden van Hemmen, F.G., 22,23.Twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap, 1827.

[162] Janse,  Ridderschap in Holland 281 met reconstructie Wassenaer genealogie volgens de verklaring van 1380.

[163] Lynden van Hemmen, 22-23.

[164] Beloo, 14, Gijsbrecht III van Amstel was gehuwd met Bertranda van IJsselstein. Arend erfde IJsselstein. Waale, 238 veronderstelt dat Gijsbrecht IV gehuwd was met een dochter van Jan II van der Lede.  

[165] De familie van Amstel mocht zich heer van Amstel noemen echter het land viel onder het Sticht. De bisschop hield machtsuitbreiding sterk in de hand en duldde geen enkel verzet. De vader van Gijsbrecht IV werd na een opstand aan een touw achter het paard van de bisschop door de straten van Utrecht te lopen. Gijsbrecht IV moest zelf na steun aan opstandelingen tegen de bisschop in 1257 in zijn ondergoed in de Domkerk van Utrecht voor de bisschop verschijnen. Nadien koos hij beledigd de zijde van graaf Floris die echter alleen maar meer onrust kon verwachten en de gevolgen bleven niet uit. (Verzameld verleden blz. 14 Antheun Janse)                                                                                                                                                                                                                                                       

[166] Vredeland was gebouwd als grensvesting tegen de leenmannen en Holland. in 1253. Tijdens de Kennemer opstanden weten de gebroeders Amstel het kasteel in te nemen en verpanden het aan de elect Jan.

[167] Groot Charterboek van Mieris 1753, p. 561 en 594. OHZ, 888, Verscheidene Stichtsche edelen verbinden zich de graaf van Holland op vastgelegde voorwaarden te dienen en te helpen.

[168] De lijst van ridders uit het werk van Le Petit ( 1620) die hoorden tot oudste en hoogste adel ten tijde van Floris V staat op blz. 237 en in het werk van Wouter van  Goethoven 1620, D’Oude Chronijcke ende Historien van Holland met West-Friesland ende Utrecht op blz. 347. Jonckbloet, de Tijd, 97.

[169] Ferwerda, 10, Wagenaar, van der Aa, van Spaen e.a.

[170] ’t Jong, 264, 265, OHZ, 1503-1504.

[171]  De Riemer, 155,116.

[172] Groebe, 95. Zo blijft het mogelijk dat Butkens en Boxhorn hebben een bijna gelijkluidend extract uit twee boeken, op dezelfde wijze genummerd ten aanzien van getal en de inhoud der bladzijden overeenstemmende onder ogen hebben gehad.

[173] Giustiani e.a. IIIe deel, 300.

[174] Langereis Oudheidkundige werken in de Gouden Eeuw over Buchelius en Scriverius op blz.187 over de vervalsingen Butkens in de genealogie van Lynden.

[175] Graaf de R. Oorlog om Holland blz. 85 en 419 verantwoording blz. 419 Abbink. Spaink IJsselstein 19; de Geer, Oudheden hoofdstuk V, Geschiedenis van IJsselstein.

[176] Janse ridderslag en ridderlijkheid.

[177] Verhoog stelt duidelijk in zijn boek over Brederode blz. 137 dat M. Stoke zwijgt over de Brederodes.

[178] Burgers, beeld van de adel, 474-475, 476.

[179] Ter Gouw, 209, 210,213. Het Tournoyboek en het Register der ridderschap of extract zijn ondanks zoeken door van Wijn, rijks archivaris in de negentiende eeuw niet gevonden, er is veel verloren gegaan. Het is vermoedelijk niet in de Floris tijd geschreven maar later in de Bourgondische tijd met een oudere bron.

[180] Haagsch Jaarboekje 1897, 4.

[181] Van Steensel Huis en Habitus, 206. Tentoonstellingsboekje Ridders van Holland 39.

[182] A.C.B. van Brienen, grootmeester (1909 -1988), Ates 1931-2018.

[183] Bibliothèque universitaire Mons, Fonds Puissant, Hs. II.

[184] Van Bueren, De Haarlemse gravenportretten, 73.

[185] De Boer en Cordfuncke Graven van Hollandse Portretten in woord en beeld, 10, 12, veel afbeeldingen zijn verdwenen.

[186] Henderikx, de oudste bedelordenkloosters in het graafschap Holland en Zeeland, 18.

[187] Herman Selderhuis Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis, Kampen 2005 hfdst. 3.2 kloosterleven. Heid, Catholica, 758.

[188] Willemijn Rozemuller, een zoektocht naar de betekenis van de Haarlemse gravenpanelen.

[189] Van Steensel, 208, 355.

[190] Jacob de Riemer, Beschryvinge van ‘s- Gravenhage, 508

[191]H.V.R. Oudheden en Gestichten van Zeeland II, 95.

[192] Van Steensel, middeleeuwse Ridderorden in de Nederlanden, de oprichting van de St. Antoniusorde 1382.

[193] H.P.H. Jansen 9.

[194] Cronyke Holland Zeeland ( Ratelband& Bouwer) 45.

[195] Noorda S.J. 266, 267, 268, De Gids 1856, nieuwe serie tweede jaargang. Twee namen een persoon?

[196] Waale, 36

[197] Bergh, OHZ, no. 571, blz. 251 en no. 752, no. 1002

[198]Bergh, OHZ, 168, 1272 Herbaren (van der Lede) van Haastrecht, ridder, wordt met betrekking tot watergangen genoemd in het OHZ. No. 684, 847.

[199] De Keijzer, 3.

[200] Waale, 37.

[201] Bergh, OHZ, oork. 54.

[202] Waale, 52. 57 tot 1401 is Haastrechts bezit van de familie Arkel. Haastrecht ontstond rond 1100 als Havekesdrecht.

[203] Bergh, OHZ, Haastrecht no. 702, blz. 308 no. 847, blz. 390, blz. 432 no. 946, Arnoud van Liesveld

[204]Bergh, OHZ. 702

[205] Hoek, 1 proosdij van St. Marie te Utrecht, ons voorgeslacht jrg.46 (1991)

[206] Wi Florens, Herwaarden, 264, OHZ nrs. 1865 en 1862, Janse, 336.

[207] Bergh, OHZ, no. 170, van 5 dec. 1275.

[208] zie ook Dek, Borselen, 21.

[209] Bellew, Escaloppes in armory, 102.

[210] DVN Remco Sleiderink, Souburg, Maria, van.

[211] Tydeman, 376, mogelijk een broer van Jan III. C. van Dinther geeft een neef aan.

[212] Wolf-Catz, 148.

[213] Klaversma 7, 8, 9.

[214] Bergh, OHZ,  899 februari 1295.

[215]  Bergh, OHZ, nrs. 572, 632, 769.

[216] Als scheidesrechter of getuige voor Willem van Altena en als executeur testamentair in 1300. Oorkondenboek Noord Brabant 1300, 1123.

[217] Bergh, OHZ, 4 mei 1296 oork. 945.

[218] Melis Stoke Rijmkroniek IV 1253-1292.

[219] Coldeweij geeft aan Jan van Kuyc met een leven van 1254-1308.

[220]  van Mieris, deel I, 392. OHZ, 333 (144), 12 juni 1277.

[221] Henry d'Aſſche wordt genoemd in de bladzijden 101, 106, 128, 129, 130, 141, 159, 605                                                        in  de Trophees de Brabant.

[222] Van Heelu,470.

[223] Beeloo ’s- Gravenhage, 104, 105.

[224] OHZ. 606.

[225] Historisch genootschap deel 80, p. 98.

[226] Van den Bergh, nr. 825, 839.

[227] Berghe, OHZ, 1044.

[228] Kasteelheer vanaf 13e eeuw, gelegen in het huidige Kapelle Zeeland. Ridder, onbekend wie hem geridderd heeft. De naam komt voor onder Bruelis,  Dek 38,39. In oorkonde 839, op 24 maart 1293 belooft Jan van der Maalstede, ridder de graaf van Holland te helpen.

[229]OHZ,706.

[230] Bergh, 309, 8 mei 1290.

[231] Bergh 258 en de oorkonden 256, 257 587.

[232] Van Steensel 41.

[233] H.P.H. Jansen, baanderheren.

[234] Floris V noemde zich in 1291 Graaf van Holland, heer van Vriesland en Graaf van Zeeland.

[235] Roth, 126, 130.

[236] Bergh OHZ II 752.

[237] Herbaren II geboren in 1205 moet in 1290 wel zijn overleden, vermoedelijk is dit een Arkel genoemd als Herbaren (Arkel van den Berghe Liesvelt).

[238] Bergh OHZ II 825. Heer Wolfert van Borselen en andere Zeeuwsche edelen verklaren, dat graaf Floris hen uit hun goed verdreven en zijne beloften geschonden heeft, zij den graaf van Vlaanderen huldigen. 1 Augustus 1292.

[239] Reigersberg, Zeeland, 87.

[240] Oorkonde no. 943, 1 mei 1296.

[241] Roth, 178, 179.

[242] Waale 40.

[243] Damen, 171 (ambtenaren Holland Zeeland).

[244] Bergh, Oorkondenboek deel II blz. 313, 314, 315, 388, oork. 716, 717, 721, 845.

[245] Bergh, OHZ II 978 t/m 807.

[246] Loosjes, deel I, 294.

[248] Obreen, voetnoot 9, blz. 24. Beschrijving van de stad Brielle 1729.

[249] L’ordre chevaleresque de Sainte Antoine en Barbefosse, onder de 416 namen in het armorial.http://home.scarlet.be/~ab123800/StAntoineintro.htm

[250] Van Steensel, Huis en Habitus 209.

[251] Vinchant, 125.

[252] Van Gouthoven, Wagenaar. Tydeman, 372 verwijzing onder een oorkonde als dochter Jan van Heusden. Alleen Bilderdijk dacht aan een eerder huwelijk voor het huwelijk met Beatrix van Vlaanderen.

[253]Tydeman, H.W. Alg. Konst en Letterbode 1826, deel 1, 356.

[254] Reigersbergh, Cronyck van Zeeland 100.

[255] Steensel, van 342, baanderheren droegen een vierkante banier en vierkante wimpel. Dek 10

[256] Ferwerda, 332.

[257] Rijksarchief in Zeeland – Dek, 10.

[258]Koers, De Saga van Bergen, 50.

[259] Dek, 11 genealogie heren van Haamstede. Dochter van Costijn van Renesse van Baarland.

[260] Bij de overdracht van het graafschap Zeeland door Margaretha van Holland( van Beieren) 1354.

[261] Van Steensel, 269. Dek, 15.

[262] Dek 10,11.

[263]  Dek,11, 13. Raas I was deelhebber van Kruiningen, baljuw van Middelburg en sneuvelt bij Brouwershaven in 1426.

[264]  Janse, 155, in vergelijking met oppervlakte van de ambachtsheerlijkheid Wassenaar was dit slechts 10%.

[265]  Janse, 123, 124, in de periode 1350-1351de  eerste verwoesting en tussen 1393-1394 de tweede afbraak.

[266]  Janse tabel 5.9, 231.

[267]  Janse, Ghijskijn was van 1371-1384 kamerling van Albrecht van Beieren, een achtergrondfiguur wel met

invloed.

[268] Janse, 319, met oa. Jan van Arkel, Otto van Asperen, Renier Dever, Dirk van Duivenvoorde, Willem van Egmond en Dirk van Wassenaar.

[269] Janse, 231.

[270] Dek, 35.

[271] Dek, noot bij Jacob Aeleman, 152, op blz. 46.

[272] Van Steensel, 204, Franc komt niet voor in het wapenboek, wel zijn vader Floris.

[273] Dek, 16.

[274] Batavia Illustrata, 2e stuk eerste deel 755.

[275]  Dek, 11. Marxem wordt ook vermeld als Mexem, beter Merksem. Het gebied Merksem was in de middeleeuwen in wat nu de huidige provincie Antwerpen is en destijds bij Brabant hoorde, is verbonden met Schoten en St. Job in ’t Goor. Gerard I van Wesenmael, baron van Schoten Merksem, 1225-1308.

[276] Chapelle Saint Antoine en Barbefosse in Mons.

[277] Steensel, 209 Huis en habitus.

[278]  Charterboek der Hertogen van Gelderland en Graaven van Zutphen 1783.(Algemene kunst en letterbode 1826 no.35 blz. 119, de op 7 april 1792 geschreven brief aan F.G. van Lynden van Hemmen ter verdediging van Butkens.

[279] Essai Historique sur Les Anciens Ordres de Chevalerie (Den Haag 1807).

[280] De twijfels van de Wijn negeert hij, de beschrijvingen van Cerisier in het Tafereel blz. 337 eveneens, Wagenaar, 70, de Riemer 112-116.

[281] Algemene Vaderlandse  Letteroefeningen 1807, 439.

[282] Algemene Kunst en Letterbode 1826 Q.N. no. 25,30-35, 38,39, 44, 48-51. Van Lynden in Alg. Kunst en letterbode, 1826 no. 25 en 30, 33-179, de publicatie van twee brieven over de Ridderorde van St. Jacobs Broederschap. A-Z publiceert in de Weegschaal 1827, no.2,45-83.

[283] De Weegschaal voor 1828, 125-132.

[284] D’Yvoy van Mijdrecht, Voordragt, 19.

[285] D’Yvoy van Mijdrecht, Voordragt 1-101, bijlagen 102 -144.

[286] Snoukaert van Schouburg, Algemeene Konst en Letterbode 1826, 407, 408 onjuiste overname uit van Mieris.

[287] Zie literatuurlijst orde van de Tuin.

[288] SiebeThissen.net/Marginalia/1192, een raadselachtig document over Vrijmetselarij.

[289] De Wind 1835,385-388, Trophées de Brabant Butkens.

[290] Beeloo, ’s Gravenhage 80-81, een ridderslag kan alleen in 1279 hebben plaatsgevonden, in 1290 waren allen ridder.

[291] Otterspeer, Maskerade 1825-1910, 242.

[292] Hélyot, histoire et costumes des ordres monastiques religieux et militaire, 1842, L’Abbé Claire Encyclopédie Catholique, 1847, G. Ackerman, 1855, Dentu, Dictionaire historique des Ordres Chevalerie, 1860, Maigne Dictionaire Encyclopediques des ordres de chevalerie, 1861, L’Abbé Migne Encyclopedie Theologique, 1848,1849, 1863, Gourdon de Genouillac, Nouveau Dictionaire des ordres de chevalerie, 1891.  

[293] Bilderdijk en Tydeman, deel II, 98.

[294] Mathijse, de zomer van 1823.