Sectie Historisch Onderzoek "Hollant"

Historisch onderzoek

De claim van Floris V op de Schotse troon.

Door drs. M. Schillhorn van Veen

 Vraagstelling: 

  1. Is er nog enig bewijs dat Lancelot van Hamilton door Floris V is geridderd?
  2. Zo ja, in welk jaar is dat gebeurd?

Toen in 1290 de koningin van Schotland Margaretha van Noorwegen op zevenjarige leeftijd stierf, was het niet duidelijk wie de rechtmatige erfgenaam van de schotse troon was. De raad van schotse edelen die hier over moest beslissen, sprak af dat Koning Edward I van Engeland (1272-1307) arbiter zou zijn. Er waren 13 kandidaten, waarvan er vier serieus genoeg waren om mee te dingen. Dit waren:

John de Hastings, met het argument dat Schotland geen echt koninkrijk was en dat het land verdeeld moest worden onder alle nakomelingen van Ada, de dochter van David I de laatste legitieme koning. Zijn claim werd door de andere edelen vlot verworpen.

John Balliol, met het argument van primogenituur volgens cognate lijn vanaf David I en Ada. Cognate opvolging (de oudste zoon erft, en als er geen zonen zijn erft de oudste dochter) was in Schotland zeer gebruikelijk.

Robert de Brus, 5th lord of  Annandale, met de argumenten dat hij al regent van Margaretha was, dat hij de meest nabije afstammeling was van koning David I en dat vele edelen hem al als tanist (gekozen opvolger) hadden erkend.

Floris V van Holland, Zeeland en Friesland, met het hetzelfde argument van primogenituur volgens cognate lijn, behalve dat hij beweerde dat David, de oudste zoon van Ada, had afgezien van zijn recht op de troon. Deze claim heeft de zaak ernstig vertraagd, omdat koning Edward I tien maanden heeft laten zoeken naar het bewijs, voordat hij Floris’ claim afwees.

De mogelijke rol van Lancelot van Hamilton ( afbeelding)

Walter fitz Gilbert de Hamildon, zoon van Gilbert de Hamildon, vermoedelijke zoon van William de Hamildon, derde zoon van Robert de Beaumond (de bedenker van het gekozen parlement) werd geridderd door Robert de Brus en ergens tussen 1315 en 1324 benoemd tot laird van Cadzow.

De vorige baron van Cadzow was kort daarvoor door Robert vermoord.

Het dorpje Cadzow is 200 jaar later hernoemd naar Hamilton, maar de familie stamt af van de heren van Leicester. Even buiten Leicester (nu er mee vergroeid) ligt het oorspronkelijke Hamilton.

Robert de Brus en Floris hadden afgesproken (dit document schijnt nog te bestaan) dat als een van beiden de troon van Schotland kreeg, de ander 1/3e deel van het land in leen zou krijgen. Walter fitz Gilbert was door Robert geridderd nadat hij twee rivalen van De Brus aan hem had uitgeleverd. Hij zat dus zeer stevig in het kamp van De Brus.

Robert is Schotland niet uitgeweest en Floris is maar eenmaal naar Schotland gegaan. Iemand moet de onderhandelingen met Floris hebben gevoerd, wellicht dat Lancelot van Hamilton de tussenpersoon was. Dit pleit sterk voor 1290 als datum waarop Lancelot is geridderd, aangezien voor 1290 Floris’ claim op de Schotse troon nog niet belangrijk was voor Robert’s machtsspelletjes. Floris was er overigens al in 1286 over in onderhandeling met de koning van Engeland en de Schotse edelen.

Uiteindelijk heeft Edward I in 1292 gekozen voor de claim van John Balliol. Koning John II heeft geregeerd tot 1296 en is toen door Edward afgezet. In 1306 is Robert de Bruce (kleinzoon van Robert de Brus) tot Schotse koning gekroond.

 

Afbeelding 

Koning Edward I(1272-1307) in het Parlement, geflankeerd door de Koning van Schotland en de Prins van Wales.

Hij hield Graaf Floris V van de Schotse Troon en werd de grondlegger van het latere Groot-Brittannië.

Ridderslag na verovering van Damiate
Ridderslag na verovering van Damiate
Graaf Willem I
Graaf Willem I
Teutoonse ridder
Teutoonse ridder
Tempeliers
Tempeliers
Haarlem 13e eeuw
Haarlem 13e eeuw

Floris V en ridderlijke orden in de dertiende eeuw

Floris V en ridderlijke orden in de dertiende eeuw.

Elk jaar probeert de stichting een gedachtevorming op te bouwen uit de tijd van Floris V. Deze keer is als leidraad hier voor gekozen het boek van Prof. dr. J.A. Mol, Vechten, bidden en verplegen,  met opstellen over ridderorden in de Noordelijke Nederlanden. Het betreft hier een bijzondere verhandeling over de Duitse Orde, kortom een basiswerk voor wie verder wil zoeken.

Mol verbaast zich nog steeds over het ontbreken van blijvend onderzoek en de interesse hiervoor bij Nederlandse universiteiten en de orden zelf. Ridderordeonderzoek en perspectieven in de Nederlanden, 09-03-2011.

Als dit onderwerp niet de aandacht krijgt zullen vragen open blijven en belangrijke gegevens ontbreken die mogelijk verbanden tussen de hoven en de ridderorden kunnen aangeven.

De Lage landen werden in die tijd overstroomd met vele orden vanuit de omringende regionen. Het verschijnsel is ontstaan uit een veranderd religieus beleven als een van de gevolgen van de kruistochten. In de dertiende eeuw neemt alleen Willem I het kruis op. Zijn opvolgers zullen echter ervaren welke veranderingen om hen heen ontstaan en welke invloed dit heeft. Het grafelijk hof wordt omringd door Ridderorden met of zonder hospitaal zorg. Leken orden vormen zich naast kerkelijke orden met hospitaalzorg met bedelorden. Later ontstaat uit de leken als reactie de begijnen in de steden.

Aleid van Holland zal zich zeer omvangrijk inzetten voor de ontwikkeling van vrouwen in orden en begijnen en laat hiervoor een uitgebreide erfenis na. Kerkelijke invloeden maken dat ondersteuning van deze organisaties kunnen leiden tot verbeterde relaties op elk niveau. Religieuze betrokkenheid in ziekenzorg met als gevolg veranderde maatschappelijke stromingen moet het gravenhuis niet ontgaan. Zij zal dan ook ruim in de buidel tasten met het verlenen van donaties, het verlenen van privileges en zelfs toetreden tot de orden vanuit meerdere motieven zoals plicht en eer.

Kort wordt weergegeven welke belangrijkste orden de regionen inkwamen. De dertiendeeeuw bood nog gelegenheid tot ontwikkeling van hospitalen, de veertiende eeuw wordt geheel anders. In 1311 wordt besloten dat er geen kerkelijke plicht meer is tot het beheer van hospitalen en gast huizen. De hospitaalridders blijven dan als soevereine orde over met de door hen opgestelde regels daterend uit de twaalfde eeuw. Stadsbesturen krijgen nu beheer over hospitalen.

Hospitaal ridders hebben de plicht om voor zieken te zorgen, andere orden gebruiken een aangenomen zorgplicht met de gedachte zielenheil te verkrijgen door zorg te verlenen aan armen en zieken. De bezetting in gast huizen was veelal een verzameling van reizigers, armen en bedelaars, pelgrims en zieken; dit was beslist verschillend ten opzichte van de opname in hospitalen.

Helaas ben ik in mijn speurtocht maar een klein stukje verder gekomen, en baseer dit schrijven grotendeels op de gegevens uit de literatuur studies.

Ridderorden.

De vermoede datum van oprichting van de Orde der Tempeliers is 1119, ruim voor de oprichtingsdata Orde van St. Jan 1130 en Duitse Orde 1190. Na de val van Jeruzalem 1187 komen zij naar Europa om daar hun vestigingen uit te breiden.

De ridderorden hadden in de Lage Landen de meeste vestigingen in Vlaanderen Brabant, Henegouwen en het prinsdom Luik. Pas na de vijfde kruistocht ontstond er uitbreiding van de Duitse Orde in de Noordelijke Nederlanden, dit werd in de Friese gebieden zelfs een totaal van 21 vestigingen. De Tempeliers bezaten wel 60 huizen en Commanderijen in de Zuidelijke regionen, schattingen in het graafschap Holland zijn er van vier tot meer. Opmerkelijk is dat vooral de Zuidelijke Nederlanden met veel manschappen en adel en in de Noordelijke Nederlanden de Friezen zich voor de kruistochten hebben in gezet.

De grootste uitbreiding van de Tempeliers en Orde van St. Jan was gelegen in Frankrijk en Engeland, behorend tot de Duitse Orde in de Duitse gebieden en in Polen.

De kruistochtplicht

Voor velen bestond er een morele plicht om aan de kruistochten deel te nemen. Maar het gravenhuis dacht er anders over en deelde deze plicht niet. Zij namen geen deel aan de nog vijf te gaande kruistochten. Willem I trok wel ten strijd. Hij moest als brave zoon met zijn vader mee om de strijd met de mohammedanen aan te binden. Samen met Frederik van Zwaben voerde hij een zware strijd om Akko te veroveren. Willem loopt zelfs de kans zijn graafschap te verspelen aan zijn inhalige broer Dirk VII, maar voor hem gaat de kruistocht vóór. Eenmaal thuis is hij de overwinnaar in de Loonse oorlog en is nu de Graaf van Holland. Hij doet niet mee aan de 4e kruistocht maar moet wegens een banvloek boete doen in het Heilige Land en vertrekt dan wel met de 5e kruistocht als admiraal van een Duits Fries Hollandse vloot.

In 1219 veroveren zij Damiate wat een onvergetelijk element is in de Hollandse bijdrage van deze kruistocht. Op het wapen van Haarlem staat nog steeds het zwaard ter herinnering daarvan weergegeven.

Op de afbeelding een Haarlems ridder, of ridderslag met het zilveren zwaard met het kruis van de patriarch wegens verovering van Damiate

Willem I,

Twee kruistochten en afgebeeld als tulband drager.

Er zijn meerdere graven afgebeeld met tulband, blijkbaar als onderscheiding.

Betrokkenheid

Waren er redenen dat de Hollands graven na Willem I niet ter kruistocht gingen? Betrof dit de binnenlandse aangelegenheden? Bestonden er geen morele verplichtingen? Wat is er te zeggen over de politieke noodzaak?

De zesde kruistocht begon in 1228, zes jaar na het overlijden van Willem I, zijn zoon Floris IV ( geb. 1210) was 18 jaar oud.

Waarom Floris IV het kruis niet opnam voor de grote zesde kruistocht valt niet te achterhalen, maar te vermoeden. De overwegingen van Willem II en Floris V zijn beter te begrijpen. De zesde kruistocht was voornamelijk een Duitse aangelegenheid, waarbij Keizer Frederik II een schuld aan de Paus had in te lossen en samen met de Grootmeester van de Duitse Orde Herman van Salza, Jeruzalem wilde veroveren. In feite was het een reorganisatie plan van de bestaande bezetting van het Heilige Land. Mogelijk dat Floris IV zich hiervan afzijdig wilde houden. Ook hier bestond al een conflict situatie tussen de Paus en Hohenstaufen, een politieke voorkeur van zijn zoon is duidelijker terug te vinden.

De zevende kruistocht werd georganiseerd door Lodewijk IX (de heilige) van Frankrijk en duurde van 1248-1254, Willem II stierf daarna in 1256 op 28 jarige leeftijd.

De kruistochten waren in opzet veroveringen van het Heilige Land op de Saracenen naast de heilige missie ging het om macht en aanzien van de leiders die van de nood een deugd maakten door uiteindelijk flink voordeel te halen uit schatten en veroverde gebieden. Er was ook aflaat en morele dwang. Lodewijk moest een daad stellen na een gelofte die hij had afgelegd als hij zou genezen van een ernstige ziekte en hij genas. Zijn kompaan was Willem van Dampierre die alleen graaf van Vlaanderen kon worden als hij de paus en koning Lodewijk gewillig was. Lodewijk zoekt nog andere medestanders maar vangt bot in het Duitse rijk en in Italiaanse gebieden. De Friezen die elke kruistocht weer een forse inzet geleverd hebben zijn wederom gewillig zich aan te sluiten na oproep van de door Lodewijk aangevraagde predikers. Lodewijk wordt in Damiate gevangen genomen in 1250 en wordt pas na een grote som losgeld vrijgelaten.

Paus Innocentius IV (1243-1254) vroeg zich af wat het meest zijn belang zou dienen. Een door meerdere landen gesteunde kruistocht of na een lange periode van  strijd met de Duitse keizer Frederik II, die wegens zijn aarzeling ter kruistocht te gaan 2 maal in de ban was gedaan, actie ondernemen om een voor de paus minder eigenzinnige vorst voor de kandidatuur van opvolger in het keizerrijk te steunen. 

Frederik II was in de ban gedaan omdat hij geen gelegenheid had op kruistocht te gaan wegens binnenlandse onlusten. Toen hij ging werd hij nogmaals in de ban gedaan. De paus, in die tijd machtiger dan ooit wist daarna Frederik in 1245 de keizerskroon af te nemen. Zijn  opvolger  wordt zijn zoon Konrad IV die echter nooit de kroning tot keizer gehad heeft.  

Wat speelt er in het gravenhuis af ?

De paus draagt eerst oom Otto II Hertog van Gelre voor als Rooms-Koning  echter die schuift zijn neef Willem naar voren zoals zijn andere oom de Hertog van Brabant Hendrik II ook had gedaan. Achteraf gezien lijkt het een lang van te voren beraamd plan gelet op de eerdere bemiddeling van Otto II tussen keizer en paus, de ontstane oorlogen, de herstelde nauwe banden met de aartsbisschop van Keulen en het weigeren van de koningskroon.

Deze strategie heeft succes. In 1247 wordt Willem II te Woeringen tot Rooms-Koning gekozen. In die tijd wordt elke gerichte verovering tot kruistocht verheven, redenen zijn gemakkelijk te aan te voeren, het doel heiligt de middelen, maar niet zonder slag of stoot. Aken weigert Willem voor de kroning te ontvangen.    

De Friezen worden van hun kruistocht gelofte naar het Heilige Land ontheven en aangespoord Rooms-Koning Willem II te steunen in de strijd tegen de landgraaf van Thuringen, die zich als enige kandidaat voor het keizerschap ziet. Inname van Aken wordt het doelwit en de paus geeft de steunende Friezen een heilige opdracht van een kruistocht. De eerdere aanvallen van koning Willem kunnen niet zonder de steun van dappere Friezen tot het gewenste resultaat leiden want zij zijn het die de drie uitvallen van de Akenaars weten tegen te houden.

Het wordt een overwinning na 5 maanden beleg en Willem wordt in 1248 tot koning gekroond te Aken [1] Willem II is nu voorbestemd ook keizer te worden. De voorbereidingen voor het ontvangen van de keizerskroon waren al in gang gezet toen helaas het bericht kwam dat Willem II door de West Friezen in 1256 was vermoord. Willem had zijn missie niet kunnen volbrengen om vrede in het noorden te bewerkstelligen, zowel de West Friezen als de Zeeuwen bleven opstandig. Floris V, geboren in 1254 zal zijn vader opvolgen maar is pas een jaar oud. Hij kon onmogelijk meedoen aan gevechten of pelgrimage. Er wordt nog eenmaal voor een kruistocht opgeroepen maar het enthousiasme neemt af. De laatste kruistocht in 1270 en 1271 wordt geleid door Lodewijk IX van Frankrijk en Eduard I van Engeland. Beiden geen echte vrienden van het gravenhuis. Floris V is in deze periode 16 jaar.

In 1266 heeft hij het landsbestuur overgenomen, zijn voornemens zijn met vereende krachten de West Friezen te onderwerpen, die strijd begint in 1272. Of Floris een kruistocht heeft overwogen staat niet vast, het motief om zijn land niet te verlaten zal zeker doorslag hebben gegeven.[2]

Wat hebben de kruistochten de lage landen gebracht?

In Europa ontwikkeling van steden, verbetering van huisvesting het opbloeien van handel buiten de grenzen en inbreng van goud, geld en juwelen. De veranderde geldeconomie was vernieuwend, maar gaf noodzaak tot een goed administratief beheer in landschappen. Hierin ontstond langzamerhand een gedegen organisatie van baljuwschappen en ridderschappen.

De kruistochten brachten ridderorden; Hospitaal Ridders, de Duitse Orde en de Orde van de Tempeliers. Ook de Orde van het Heilige Graf ontstaan in 1114 [3] en de Orde van St. Lazarus in 1190.

Floris heeft de kruistochten gemist, de achtste kruistocht begon in 1270. Ten tijde van deze kruistocht was Floris V 14 jaar en in die tijd gezien als volwassene. Toch is Floris niet vertrokken. Vanuit Rome ontstonden geen dwangbevelen of dreigende sancties.

In de lage landen werd voor de kruistochten gepredikt, er werden gelden ingezameld. Dat Floris hier tien jaar later in betrokken raakt is de affaire Jan van Nassau bisschop elect van Utrecht die om zijn schulden af te lossen de kruistochtgelden in 1281 benut. Floris die hem vanaf 1277 financieel ondersteunde maar met hoge rente en uitgebreide controle trachtte Jan onder controle te houden. [4]

De aartsbisschop van Keulen doet beiden in de ban, maar Floris die zijn contacten wel had weet de excommunicatie ongedaan te maken door middel van een smeekbede bij de paus  Martinus IV, waarbij een kerkelijke rechtbank hen ontslaat en Floris in bezit blijft van de verpande leengebieden in Holland en het Nedersticht.

Deze feiten bewijzen dat Floris het nut van de kruistochtbelastingen door de Predikheren ingezameld aanvaardde en dat zijn relatie met de paus goed was. Hem werd in ieder geval geen kruistocht op gedragen ter boetedoening in tegendeel hij werd er alleen maar rijker van.   Dat het vonnis in Dordrecht is uitgesproken kan enige rol gespeeld hebben. [5]  Van enige onmin met de paus is geen sprake. Het doel van de geestelijkheid om het Nedersticht buiten de Hollandse gezaghebbers te houden was mislukt. Ik mag aannemen dat Floris niet in geestelijke nood heeft verkeerd in tegenstelling tot zijn voorvader Willem I die om zijn excommunicatie ongedaan te maken moest  deelnemen aan de vijfde Kruistocht. In de kroniek van Melis Stoke blijft de excommunicatie van Floris onvermeld.[6] Het zou een schaduw werpen op de hem zo bewonderde vorst. Het maakt ons natuurlijk wel nieuwsgierig naar de devotie van Floris V. Die zal zeker intens geweest zijn, de roerige periode van elkaar snel opvolgende pausen die Frans gezind waren maakte dat het tijd kostte om een relatie op te bouwen, daartoe kreeg Floris geen kans.

Deelname aan de kruistochten kon uit politieke motieven gedaan worden, de graven van Holland hadden geen belang land te winnen in het Heilige land. Vanuit het pauselijk hof was evenmin dwang opgelegd.

Hoewel Floris V en zijn vader Willem II nooit in het Heilige Land zijn geweest hebben zij wel de ontstane invloed van de vestigingen van de diverse orden direct ervaren.

De vroegmiddeleeuwse opvatting was dat armoede gezien kon worden als noodlot. Later werd armoede voor de bedelorden een deugd, die verdienstelijk was even als de goede werken . Ten opzichte van de zieke was niet geneeskunst maar de liefdevolle verzorging het belangrijkste.

In de Lage landen ontstonden vele vestigingen van ridderorden zonder en met hospitaal taken:

Kerkelijke kloosterorden met een taak voor hospitaal zorg, kerkelijke orden zonder verpleegkundige taken en lekenorden.

De Orde van de Heilige Geest van Montpellier

Deze Orde is een lekenorde opgericht met een hospitaal in 1175 of 1198 door Guido van Montpellier, en het ontstaan van de Heilige Geest ridderbroederschap een verpleegorde.

Bekend zijn de drie grote hospitalen in Rome, Montpellier en in Troyes.

Naast deze verpleegorde met vele vestigingen in grote steden, de begijnen.

Kerkelijke orden met verpleging in kloosterhospitalen.

Hiertoe behoren de Orde van Benedictus, Augustinus, Franciscus (minderbroeders) en Dominicus, de laatste preekten voor de kruistocht en kregen een taak van de inquisitie.

Ridderorden met en zonder verpleegtaken

Zowel de Tempeliers, Duitse Orde en Orde van St. Jan hadden de nodige vestigingen in de Lage Landen. De motieven waren om aandacht te vragen voor de strijd in het Heilige Land als ridderorde en hiermee aanhang te verwerven. Het moest een eer zijn tot deze geselecteerde groep te behoren. Vestigingen van de Orde van St. Lazarus zijn moeilijk te herleiden zonder goede overlevering van feiten. (aanwijzingen zijn door historici van deze orde gegeven over een klooster in Haarlem Egmond en een hospitaal in Gent ).

In deze groepen van orden hadden niet alleen mannen taken, maar er werden ook vrouwen

aangenomen voor verzorgende en verpleegkundige taken. Zij hadden niet de rang van ridder maar stonden gelijk met de broeders.[7]

In hoeverre was dienstbaarheid en inzet van vrouwen gewenst. Waren er bepalende regels? Welke verschillen bestonden er in diverse ridderorden?

Het was bij de Tempeliers verboden omgang met vrouwen te hebben, door hun gelofte van kuisheid en dit toonbaar maken in hun kledij en uiterlijk. Hierdoor konden geen vrouwen deelname hebben in hun werkzaamheden, in feite waren zij een zuivere militaire orde alleen voor mannen. Daarnaast stonden zij onder direct gezag van de Paus.

Op onderzoek naar betrokkenheid van de graven bij diverse orden, blijkt dat het gravenhuis

zich zeker niet afwendt van ondersteuning en belangstelling. Floris IV heeft zich beroemd gemaakt met het stichten van het eerste klooster voor cisterciënzernonnen in Loosduinen in 1230. Zijn echtgenote Machteld van Brabant heeft door haar geloofsbeleving grote aanzet gegeven voor vestigingen van religieuze vrouwengroepen en financierde een Begijnhof in ’s Gravenzande.[8]

Met de sterk opbloeiende religieuze ontwikkelingen werden de lage landen bevolkt door talloze groepen en religieuze gemeenschappen die met de hun passende vorm de religie en geloftes beleefden. Door kerkelijk gezag werden zij aangespoord zich aan te sluiten bij kerkelijke orden en het merendeel koos voor de Benedictijnse vorm van geloofsbeleving en werken. De Benedictijnse kloosters kenden aan de buitenkant een hospitium voor de armen en pelgrims. Binnen de muren een veelzijdige bedrijvigheid.

Bedelorden overgekomen uit Brabant werden alleen in de grafelijke centra gesticht. [9]

Dit geeft een beschermende zo niet begunstigende factor aan. In de steden zijn zij te vinden in de buurt van ontmoetingscentra waar handel en ambacht werkzaamheden plaats vinden en zo raakte men snel betrokken bij de gemeenschap.

Omdat in de twaalfde eeuw de kloosters voornamelijk welgestelde nonnen in zich opnamen die giften meebrachten ontstond een elitaire selectie. Van erkenning van nonnenkloosters door de Heilige Stoel was geen sprake. Toch zouden Cisterciënzer nonnenkloosters zich in de 13e  eeuw zich massaal uitbreiden, ondanks grote tegenwerking van kerkelijke zijde in de 12e  eeuw en werden later de voorheen niet aanvaarde kloosters toch geïncorporeerd.

Van enige samenwerking steun of geestelijke verzorging met mannen kloosters was geen sprake hoewel de nonnen wel volgens de geldende orde regels leefden. De monniken trachtten controle op leefregels uit te voeren echter die werd door de op eigen wijze geloof belijdende nonnen geweerd. In de Cisterciënzer orde ontstond een enorme uitbreiding van nonnenkloosters maar van bestuur overleg was geen sprake, de organisatie werd gesuperviseerd door een ( hoofd) abt die strenge regels trachtte te handhaven. Midden 13e eeuw ontstond hierin verandering en werden de nonnen kloosters geholpen door monniken en leken die hun intrek kregen naast het klooster. De massale behoefte tot religieuze beleving vond ook een weg in de mystiek en ascese en in de grote steden in de vorm van de begijnen die met hun gezin in een hof liefdadigheid organiseerden, en inkomsten verkregen met handwerk en bedelen.

De begijnen vestigden zich als progressieve leken, vrouwen die wel een gelofte van gehoorzaamheid en kuisheid aflegden, die niet altijd bindend was, men wilde trouwen.

In 1255 ontstonden gemeenschappen in ’s Gravenzande, Delft, Dordrecht, Haarlem en Schiedam. Voor hun inkomen gingen zij bedelen of waren afhankelijk van giften, zij verzorgden de armen en de zieken in de buurt.

Overblijfselen van vestigingen zijn in Breda 1240, Haarlem 1262, Amsterdam en Vlaanderen. In Gent en Brugge zijn huizen te zien.

Rooms-Koning Willem II geeft de begijnen steun met land en rechten, in 1266 wordt het begijnhof een aparte parochie.

Er waren twee vormen van zorg, de gast huizen en de zeer beperkte hospitaalzorg. De gast huizen waren opvanghuizen voor reizigers, armen en verpleegbehoeftigen.

Oorzaken voor deze beperkte hospitaalzorg waren gering contact met de hospitaal zorg, onbekendheid met de hospitaal orde, beperkte vestigingen en bestaande monniken die de geneeskunde uitoefenden. Twee eeuwen later ontstaat een andere vorm van ziekenzorg in een daarvoor bestemde locatie, geen hospitaal maar ziekenhuis door het stadsbestuur ingesteld.Terug naar de geestelijke orden en bedelorden met ziekenzorg. Over de rol van de landheren en de bedelorden is meer bekend.

Rond 1230 reizen de Predikheren naar Utrecht en vestigen zich daar. Zij prediken tot deelname aan de kruistocht in Friesland, Holland, Brabant en Vlaanderen. Zij leggen contact met Floris IV, bisschop Otto van Utrecht en de hertog van Brabant. In de daarop volgende jaren steunen zij koning Willem II tegen zijn rivaal Frederik II van Hohenstaufen en worden beloond met een goede behuizing. De Minderbroeders vestigden zich later, ten tijde van de regering van koning Willem II. In 1242 wordt met toestemming van de koning een klooster in Middelburg gebouwd, daarnaast volgen schenkingen en vrijstelling van lasten. De wederdienst is dat Willem als stichter bijgeschreven wordt. In 1244 komt er een klooster in Utrecht en in 1248 één in Dordrecht. Enige tijd later wordt in Zierikzee een klooster gebouwd. Naast de Predikheren zijn het eveneens de Minderbroeders die in opdracht van de paus de kruistocht in Friesland prediken. Door de begunstiging van Willem II krijgt het klooster in Dordrecht privileges zoals het houden van rechtspraak in de gebouwen van het klooster.

Ook de Karmelieten vestigden zich in deze periode. In 1249 ontvangen zij een klooster in Haarlem door een schenking van Simon van Haarlem. Evenals de grafelijke bemoeienis

met de andere orden is het duidelijk dat ook edellieden behorende tot het grafelijk hof een bijdrage willen leveren. De koning steunt de bijdragen voor de kloosterkerk.

Er is nog een bekende orde, de Augustijnen die rond 1270 kloosters in Holland en Zeeland stichtten. De in 1284 overgeleverde documenten wijzen op een schenking van Floris V, namelijk grond voor een te bouwen klooster. Het is dan ook interessant om achter de motivatie voor deze gegeven steun van het grafelijk hof te komen. Het is te eenvoudig te veronderstellen dat het alleen maar politieke opzet zou zijn.

De middeleeuwer had een aangewakkerd religieus beleven en voor de graven kon een stichting van een klooster een stimulering zijn van het diepe geloof. Daarnaast was het een aankoop voor ziele heil en een verzekering van een laatste rustplaats. Willem II is in Middelburg begraven. In de kloosters was een ruime keuze van geestelijke verzorgers en

in schrift ontwikkelde monniken waaruit in meerdere gevallen benoemingen van vertrouwenspersonen volgden.  Religieuze overweging is duidelijk, maar speelden er ook  zakelijke motieven een rol? De grafelijke politiek was sterk gericht op stadsontwikkeling, centra waar schriftlezing en documentatie bestond, het maken van oorkonden was een verrijking van de stad.

Een stad met hoge kerkgebouwen gaf een prestigieuze aanblik en langs de handels wegen konden kloosters dienen als rustplaatsen. De ontwikkelde gebouwen boden gelegenheid tot diensten voor de stad waar schriftgeleerden konden helpen informatie te verspreiden. 

Een land met veel kloosterorden stelde niet alleen de paus erg tevreden maar diende ook als uitbreiding van macht en aanzien in het Roomse Rijk want enige competitie met de aangrenzende hertogdommen was niet vreemd.

De Benedictijnen

St. Willibrord kwam naar Nederland en bracht in 690 Benedictijner monniken mee. Hij stichtte kloosters in Utrecht, in Echternach en Susteren van waaruit hij zijn missies deed.

De Benedictijnen waren hierin de eersten die georganiseerde maar eenvoudige zorg leverden in de hospitalen van het klooster. Hun medische kennis was natuurlijk uitermate beperkt. Door hun ruime toepassing van de kloosterregels worden de kloosters centra van diverse activiteiten.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de Egmondse abdij, een begraafplaats voor graven uit de twaalfde eeuw, het klooster de kerk de relatie van het scriptorium en de grafelijke kanselarij. De monniken krijgen dankzij de grafelijke begunstiging een uitgestrekt gebied onder hun beheer.

Onenigheid met Egmond was voor gravin Petronella (1133) reden een eigen klooster te stichten geschikt voor adellijke Benedictinessen, Willem I was de eerste die in de abdijkerk van Rijnsburg werd bijgezet, nadien Floris IV, Floris V en Jan II. Willem II werd in de Norbertijnen abdijkerk te Middelburg begraven.

In Noord Frankrijk- Italië en in de Lage landen stonden grote ziekenhuizen onder beheer van rijke weldoeners. Het beroemde klooster hospitaal te Gent stond onder Dominicanen klooster- zorg, Jeanne van Vlaanderen had haar eigen hospitaal opgericht in Lille. In de lage landen stond de kloosterzorg onder streng toezicht van de kerk en pauselijke geboden. In Italië had men zich op de universiteit van Salerno al veel eerder losgemaakt van de dogma’s en deed men uitvoerig anatomisch onderzoek ten behoeve van de medische leer.

Bedelorden kregen ruime belangstelling van het grafelijke huis. Het zijn vooral de dames die o.a. karmelieten, cisterciënzers en andere orden in belangrijke steden ondersteunen.

In de stadsontwikkeling begunstigen Willem II en Floris V vele kloosters. Van een totale opsomming is geen sprake daar de gegevens voornamelijk gebaseerd zijn op oude rekeningen die niet altijd bewaard zijn gebleven.

De Franciscanen (orde van minderbroeders) in Nederland kenden hospitaalzorg

In 1228 ontstaan de eerste vestigingen vanuit de Duitse regionen, eerst in ’s Hertogenbosch , later in de periode 1240- 1242 in Middelburg, Utrecht, Zierikzee en Dordrecht. Daarna ontstaan vele stichtingen.

De Augustijner heremieten krijgen omstreeks 1270 kloosters in Holland en Zeeland. Te Dordrecht in 1284 vestigen zij zich op de door Floris V ter beschikking gestelde grond. Een dergelijke handelwijze geschiedt in de landspolitiek altijd in overleg met de stadsbesturen.

Redenen voor deze handelwijze zijn talrijk. Voor de religieuze overweging is er verlossing van zonden mogelijk, de goddelijke beleving wordt ondersteund, kapellen kunnen dienen als een laatste rustplaats. Om de plaats in het Roomse rijk gestand te doen kan een veelheid van kloosters enig aanzien betekenen. Stadsbesturen zagen graag bij haven of toegangswegen rustplaatsen komen, ook maakten zij graag gebruik van de gebouwen dienende voor, ontvangsten, rechtspraak en bode diensten. Het klooster als documentatie centrum was bij uitstek een aanwinst en de schrift geleerden konden diensten bieden in het maken van oorkonden.

Is er bewijs te leveren dat de graven geen kennis hadden van hospitaal zorg?

Er is niets te vinden over gering contact met hospitaal zorg door de ridderorde. Negeerden de graven dit wegens onbekendheid met hospitaal orde, beperkte vestigingen en bestaande monniken geneeskunde? De Benedictijnen waren hierin de eersten die georganiseerde maar eenvoudige zorg leverden in de hospitalen van het klooster. Hun medische kennis was uitermate beperkt omdat zij gebonden waren aan het voorschrift zich niet met wetenschap bezig te houden. Dit werd in elk klooster na eigen geweten toegepast waardoor aderlating medicinale en heelkundige wond verzorging tot ontwikkeling kwamen. In de tijd van Karel de Grote werden zij als voorbeeld centra van zorg aangewezen. In Frankrijk en Italië kon men in Universitaire centra, zoals in het Zuiden, Salerno, ontkomen aan de beperkingen die Heilige Stoel oplegde. Deze scholen brachten geen kennis over in de Lage Landen.

Toch zijn er namen bekend in de ontwikkeling van artsen en apothekers.

Frederik II verordonneerde een scheiding aan tussen artsenij en apothekers in 1240, al snel werd dit in de meeste landen van Europa gevolgd.

Er bestaan gegevens uit de dertiende eeuw dat er sprake was van opkomende wereldlijke gezondheidszorg o.a. in Leiden. Beroemde namen uit die tijd zijn Johan Yperman, chirurg

en Anselmus apotheker. Jan van Nassau gaf hem een kelder onder zijn huis naast de Heilige Kruiskapel in bruikleen. De kloostergeneeskunde werd in de 12 e eeuw tegengewerkt en via concilie uitspraken onderdrukt vanuit de Heilige Stoel ondanks de gerichte vorm van verzorging. Het gevolg was dat de medische studie een seculiere weg insloeg.

Graven traden niet toe tot hospitaal orden en hoewel hierover geen gegevens bekend zijn wordt dit alom aanvaard. Er ontbreekt veel in de geschiedenis van de Orde van St. Jan.

Naast de Benedictijnen en Franciscanen bestond een verplegerorde van de Heilige Geest die vrijwel in iedere stad in de dertiende eeuw een hospitaal- gast huis bezat, voor armen en ziekenzorg. Naast door ordeleden bestuurde gast huizen waren er ook leken besturen en verplegenden die gewone burgers waren. In Montpellier wordt een beroemde school van heelmeesters met Guy van Chauliac opgericht.

De Ridderorden

Vestigingen Tempeliers

Wat waren de contacten met de Hollandse graven en op welke wijze was er wederzijdse beïnvloeding?

Wat de Noordelijke Lage Landen betreft zijn er in Zeeland Brabant en Holland enkele vestigingen bekend. Als discutabel werden aangewezen de locaties in Haarlem en Beverwijk die door de Tempeliers waren onderzocht. Als bewezen  werden geacht de vestigingen in Zierikzee, Middelburg en Veere. [10]

Waarschijnlijk waren de vestigingen zo gering en beperkt bezet, dat spionnen de graven konden geruststellen.

 

 In Europa werd gezag uitgeoefend over Commanderijen en Baljuwschappen. Onder meer in de landen Frankrijk, Engeland, Poitou, Aragon Apulie, Hongarije, Spanje, Duitsland en de Lage Landen. De van oorsprong arme orde werd zeer vermogend. Huizen en landerijen kwamen in het bezit van de Tempeliers orde door schenking of verzoek tot beheer   ( bij pelgrimage of door testament) of bij ruil en verkoop. Mijn vermoeden is dat er geen aansluiting kwam met het gravenhuis.

Een militaire orde met handelsactiviteiten paste niet in het beleid van de Hollandse graven. . De opbrengsten van de beherende landerijen werden gebruikt om de broeders in het heilige land te ondersteunen in hun opbouw en gevechtsacties. Deze opzet was zowel voor Willem II als voor Floris V totaal niet interessant. De tempelhuizen waren een basis nieuwe ordeleden te werven die deel konden gaan uitmaken in gevechten. Een machtige militaire orde in een Hollands werkgebied komt niet goed van pas. In het zuiden was de oorsprong anders. Vooral in Vlaanderen waren er veel vestigingen ontstaan gestimuleerd door het gravenhuis en de omringende edelen. Een hoog Vlaamse edelman Godfried van Omaars was een van de oprichters.  

De tendens van de Tempeliers om eerst perifere gebieden in bezet te krijgen en dan later dit wat meer naar de bevolkte gebieden uit te breiden zoals in Vlaanderen gaf daar uiteindelijk aanleiding tot grafelijk verzet. De oorzaak was dat de Vlaamse graven door onoplettendheid grote schulden maakten door de Orde te beladen met schenkingen en leen. Eind 13e eeuw telde het graafschap zeker 13 huizen en Commanderijen. Dit was in geen geval een relatie die de Hollandse adel zou krijgen.

Op zoek naar verdere aanwijzingen lees ik de naam van Gwijde van Dampierre de schoonvader van Floris V. Wat betreft de Zuidelijke Nederlanden was de verhouding van de Vlaamse graven ten opzichte van de Tempeliers lang positief. Midden dertiende eeuw wordt het Vlaamse grafelijke huis toenemend schatplichtig aan de Tempeliers en wel zo dat blijkt dat Nuyttens kan bewijzen dat Gwijde van Dampierre door leningen volledig financieel afhankelijk is geworden. Later trok zijn opvolger Robrecht zich van steun aan de Tempelorde terug en kon Philips de Schone zijn maatregelen nemen. Nuyttens geeft duidelijk aan dat in de tweede helft van de dertiende eeuw ook de verhouding met de hertog van Brabant gespannen was. Gesterkt door de pauselijke bescherming voelden de Tempeliers zich oppermachtig.

Het geheel laat vele vragen open, zoals het begin en het eind van de orde. [11]

Over de contacten met de Duitse Orde en Orde van St. Jan is meer overlevering. Binding met deze orden was ook de eerder beschreven sterke opbloei van het religieuze beleven die de grafelijke familie met alle aanverwanten benutte voor hun zielenheil. Wellicht betekenden de contacten ook een deel betrokkenheid met de kruistocht idealen, vooral omdat Willem II en Floris V zelf niet op pelgrimage gingen. Contacten aangaan kan ook betekenen dat wederzijdse ontmoetingen de relatie verstevigden en zo de partijen geen onbekenden waren gericht op de gezagsverhoudingen in het graafschap. Familie leden en verbonden adel konden toetreden tot de Duitse Orde, voor een passend onderkomen of loopbaan.  [12]

Motieven van Rooms-koning Willem waren gericht op de versteviging van de relaties met oog op zijn toekomstig gezag in de Duitse gebieden. Zo kochten zij door schenkingen de broeders voor zich en wisten hiermee aandacht voor Commandeursfuncties te verwerven die een eervolle positie betekende. Helaas kwam Rooms- Koning Willem II door een strategische fout in de veldtocht tegen de West Friezen om het leven, maar de grafelijke familie bleef de steun voortzetten.

De Duitse Orde wordt in1190 als een hospitaalbroederschap gesticht in Akko door kooplieden uit Bremen en Lubeck en krijgt daar een huis een hospitaal en kapel en enkele woningen. In 1998 wordt het een ridderorde en ruim twintig jaar later zal het door de keizer Frederik II als hoogste wereldlijk gezag van de Orde enorme schenkingen en privileges ontvangen.

Vanuit het oosten en noorden verbreidde de Duitse Orde zich vanaf 1220 naar het westen. Ook zij kozen Utrecht als een belangrijk centrum voor hun Balije Utrecht in 1231. Er ontstaan ook vestigingen o.a. in Leiden, Katwijk, Maasland, Middelburg, Tiel, in het Noorden in Nes Schoten en Bunne, verder in Brabant en Gelderland. Na de dood van de Grootmeester in 1239 en het ontnemen van de keizerskroon van Frederik II in 1245 gaat de Orde meer zijn eigen weg met het doel een soevereine staat te verkrijgen.

Na de dertiende eeuw had de Duitse Orde geen publieke ziekenzorg meer behalve die voor eigen leden in het infirmarium. De in Utrecht ontvangen ondersteuning van Stichtse edelen had meer tot doel een ridderorde met militaire taken te versterken, dan steun te geven aan de opgerichte charitatieve geestelijke instelling met de middeleeuwse christelijke hospitaal gedachte.

De Orde van St. Jan had voor de hospitaaltaken groot werkgebied gekregen dat er voor twee minder plaats was. De ommekeer naar militaire orde vond plaats na 1260. Aan het einde van de 13e eeuw heeft de Balije een belangrijk bestuurlijk gebied ontwikkeld met veel bezit en macht. De bestuurders lokaal en regionaal dienden hier rekening mee te houden. Voor de Balije blijft Utrecht het bestuurlijke centrum. Graaf Willem IV sluit zich in de 14e eeuw aan bij de kruistochten van de Duitse Orde tegen de Litouwers en Pruisen

De Orde van St. Jan bezat een hiërarchisch systeem. Europa was verdeeld in 8 tongen

Hierin werden sub gebieden ingericht te heten grootprioraten en commanderijen. De acht tongen waren in overeenstemming met met taalgebieden Engels- Duits Frans enz.

De leidinggevende in de Commanderij was de Commendator of Commandeur, dit was niet een militaire functie maar een beheersfunctie, die samen met een rentmeester uitgevoerd moest worden. Aan de Commanderij kon een hospitaal verbonden zijn. Naast de meeste riddercommanderijen bestonden ook priestercommanderijen die ook een hospitaal konden omringen. Deze vorm is vaak uit schenkingen ontstaan met een bepaalde opdracht voor de streek. Die was immers een organisatievorm te onderhouden steun te geven aan de strijd in het heilige land. Blijkbaar hadden de graven er geen moeite mee als de ridders van St. Jan ziekenzorg leverden. In Sneek en Utrecht waren alleen maar priester gemeenschappen in andere locaties behoorden tot beheers instellingen. Uit deze organisatie blijkt wel hoe sterk dit afgescheiden was van de grafelijke bestuursvorm, ook is het voorstelbaar dat de Orde geen reden had contact te onderhouden met de graaf tenzij er voordeel te behalen was. [13]

Het Catharijne convent was een grote instelling klooster met hospitaal zonder ridders wel

bewoond door priesters en lekenverzorgenden. Beweert wordt dat de instelling 24 bedden kende. Ook in Sneek was een zelfde convent in de 13e eeuw. Andere grote instellingen in Haarlem en Middelburg zijn na 1300 ontstaan.[14] 

Wel werd hun eind 13e eeuw in de algemene opinie het verlies van het Heilige Land verweten, dit verzwakte hun positie en werving was niet meer hierop gericht. Donaties kwamen niet meer binnen. Het einde van de orde der Tempeliers maakte hen echter door overdracht van bezittingen weer rijker en hiermee steeg hun aanzien.

 

De zusters

In de Orde van St. Jan hadden vrouwen geen specifieke rangorde, wel zijn er voldoende bewijzen dat er vrouwen voor ziekenzorg in het heilige Land zijn ingezet. Vanuit de broederschap kregen zij in de ridderorde de functie van non en woonden in dubbelkloosters of eigen huizen.[15] Friesland was de regio waar veel vestigingen ontstonden van de St. Jansorde.

Mol geeft aan dat eind dertiende eeuw er wel een en twintig huizen met een apart convent aanwezig waren.

Of er toen al dubbelkloosters waarin vrouwen woonden is niet bekend, wel nam hun aantal sterk toe en waren in latere eeuwen de huizen door vrouwen bewoond.

Zowel Zeelands als Friese huizen werden vanuit de oudst gevestigde locatie het Catharijne Convent bestuurd,  deze Johannieter Commanderij was  in de twaalfde  eeuw  ontstaan uit een Johannieter gasthuis.

Het voorgaande maakt duidelijk dat er nog veel te vragen en te onderzoeken valt als de bronnen nog mogelijkheden hiertoe bieden een kleine opsomming over orden heeft hiertoe

een geringe bijdrage gegeven.

Data die het contact beschrijven tussen het grafelijk huis en de ridderorden ( Kruisheer oorkonden)

1252 oktober Keulen Floris de broer van de rooms-koning verruimt met toestemming het aan de Duitse Orde verleende tolvrijdom door Floris IV voor 100 vaten wijn per jaar te Ammers en Niemansvriend tot vrijdom van brood en wijngeld voor alle goederen daar en te Geervliet.

1255 september 21 ’s Gravenzande

Gravin weduwe Machteld schenkt aan het land dat zij had teruggekocht van Aleid vrouw van Gilles van Rijswijk ¾ aan het hospitaal van ’s Gravenzande en ¼ aan de begijnen daar.

1259 januari 20 Aleid ruwaard Floris, bevestigt de tolvrijdom door de ruwaard Floris aan het Duitse huis te Utrecht verleend.

1271 februari 26 Floris V neemt het op Walcheren te stichten huis van de Duitse Orde op in zijn bescherming en verleent de schotvrijdom voor 50 gemeten land daar.

1274 Floris V beveelt de baljuw van Zuid-Holland om Hendrik van de Lek te dwingen 10lb. per jaar aan het Duitse huis te Utrecht uit te keren uit de tienden van Krimpen uit hoofde van een door diens vader gedane schenking.

1284  Floris V schenkt de Duitse Orde te Zandvoorde het patronaatsrecht van Noordmonster in Middelburg

1284 febr.28

Ex ruwaardes Aleid schenkt de schepenen van Middelburg ten behoeve van de minderbroeders een rente van 20 s Holl. per jaar uit haar inkomsten uit de tol van Niemandsvriend.

1284 schenkt Floris V de commanderij van de Duitse Orde het patronaatsrecht van de Noordmosterkerk te Middelburg ( Henderikx Oudste bedelorders 1977)

1296 16 maart

Floris V bevestigt het kapittel van St. Jan te Utrecht in het bezit van de tienden van Zesvoorling en Kudelstaart, waar de baljuw van Noord-Holland namens de graaf aanspraak op had gemaakt.

1297 oktober 23 Vere

Jan 1 bevestigt de in Vere geïnsereerde bevestiging door graaf Floris V van de aan de Duitse orde verleende tolvrijdom

Aanvulling stichting van kloosters en begijnhoven in Holland en Zeeland in de 13e eeuw

1251 Willem II stelt het te stichten conventum vitam regularem professorum te Delft vrij van lasten.

1286. Maria van de Made krijgt toestemming van Floris V een begijnhof te stichten.

Aleid van Holland testament 18 oktober 1271 Begijnhof Begghinae in Leliendale te Schouwen. Het Begijnhof te Delft wordt genoemd in het testament van Aleid van Holland 18-oktober 1271

Aleid van Holland noemt verder in haar testament het begijnhof van Dordrecht, de Cisterciënzerabdij in Elkerzee te Schouwen, te Ermelisse /Noorddijk ( Noord Beveland) het begijnhof te ’s Gravenzande ( kreeg ook al een jaarrente van Willem II. Het begijnhof te Haarlem, het begijnhof te Leiden, de cisterciënzer abdij te Loosduinen, het Zakbroederklooster te Middelburg, het begijnhof te Middelburg, de cistercienserinneabdij Leeuwenhorst te Noordwijkerhout ( Floris neemt het klooster in bescherming), het begijnhof van Schiedam ( op het regeer gebied van Aleid) Het Norbertinesseklooster Mariendaal, het benedictinessenklooster Hemelpoort Werendijke (Walcheren) eerder schenkingen van Willem II later Floris, het begijnhof, de minderbroeders en de predikheren te Zierikzee. De karmelieten te Haarlem en de minderbroeders en predikheren te Utrecht

Haar zoon  Floris van Henegouwen begiftigt de augustijnen in Dordrecht, daar ook een klooster van de minderbroeders en verder in Zierikzee en Middelburg.

(Bedelorden, 26,126)

 Lijst van pauselijke bullen 12 -13e eeuw en de orden

1139 - Omne Datum Optimum : priviléges voor de Tempeliers Paus Celestinus II

1144 - Milites Templi : bevestiging van de privileges van de Tempeliers Paus Eugenius III

1145 - Militia Dei : versterking van de privileges van de Tempeliers

1145 - Quantum praedecessores : oproep tot de tweede kruistocht Paus Gregorius VIII

1187 - Audita Tremendi : derde kruistocht Paus Innocentius III

1198 - Post miserabile : oproep tot de vierde kruistocht

1199 - Vergentis in senium : maatregelen voor kettervervolgingen

1213 - Quia maior : oproep tot de vijfde kruistocht  Paus Honorius III

1216 - Religiosam vitam : erkenning van de oprichting van de orde der Dominicanen

1223 - Solet annuere : erkenning orde der Franciscanen Paus Gregorius IX

1231 - Illi humani generis : aanstelling Dominicanen als Inquisiteurs

1233 - Licet ad capiendos : oproep tot de Inquisitie

1234 - Pietati proximum : bevestiging heerschappij van Duitse Orde over het Kulmerland

1252 - Ad Extirpanda : toestemming tot foltering bij verhoren door de Inquisitie

1253 - Solet annuere : erkenning orde der Clarissen Paus Alexander IV

1256 - Licet ecclesiae catholicae : oprichting van de orde der Augustijnen

1279 - Exiit qui seminat : stellingname tegen het armoede-ideaal van de Franciscanen 

Literatuur

Arnold, U, e.a. Ridders en Priesters, tentoonstellingscatalogus. (Landcommanderij Alden Biesen 1992).

Boer, de, E..D, Cordfunke, E.H.P. Graven van Holland. (Zutphen 2010).

Dane, C, Geschiedenis van de ziekenverpleging.(Lochem1972).

Graaf de R, Oorlog om Holland 1000-1375. ( Hilversum 2004).

Haeser, H, Leerboek van de Geneeskunde in het Nederduits bewerkt door dr. A.H. Israëls. C.G. van der Post, (Amsterdam 1859).

Henderikx, P.A, De oudste bedelordekloosters in het graafschap Holland. Hollandse studiën 10, uitgave Historische Vereniging Holland, (Dordrecht 1977).

Historische Vereniging Holland. Dordrecht van Spin/ Mantgem Amsterdam 1977.

Hosten, J,  De tempeliers. (Amsterdam 2006).

Jansen, H.P.H, Geschiedenis van de Middeleeuwen. (Utrecht, 1989).

Lawrence, C.H, Kloosterleven in de Middeleeuwen. (Amsterdam 2004).

Lindeboom, G.A, Inleiding tot de geschiedenis van de geneeskunde. ( Rotterdam 1993).

Literatuur verzameld werk. De Friezen en kruistochten

Meij – de Leur, van der, A.P.M, Van Olie en Wijn. (Amsterdam 1981).

Mol J.A, Vechten, Bidden en Verplegen. (Hilversum 2001).

Mol J.A, Het ridderordeonderzoek in de Nederlanden: stand van zaken en perspectieven.

(Groningen 2011)

Mol J. A, Militzer, K. Nicholson, H .J. The Military Orders and the Reformation. Bijdragen tot de geschiedenis van de Ridderlijke Duitse Orde, Balije van Utrecht. ( Hilversum 2006).

Nuyttens, Michael, Krijgers voor God. ( Leuven 2007).

Veen ter, Koert, De tempeliers. ( Soesterberg 2001).

Vernède, C.H,  Geschiedenis van de ziekenverpleging. (Haarlem 1927).

Verdoorn J.A, arts en oorlog (Amsterdam 1972).

A.H.Chr. de Bruijn, maart 2013

[1] Janse ridderslag en ridderlijkheid in laat middeleeuws Holland, 7

[2] Keizer Frederik II kreeg de bijnaam stupor mundi, verbazing van de wereld wegens zijn grote talen kennis zijn intellectuele vorming op gebied van biologie geneeskunst wis en natuurkunde en zijn interesse voor de islam. Het grootse deel van zijn regeringsperiode bracht hij in Zuid Italië, vooral Sicilië door.

[3] De Orde van het Heilig Graf heeft geen rol gespeeld in de verpleegkundige activiteiten in de 13e eeuw. In Jeruzalem werd de Orde ingesteld om hoge adel die de pelgrimage had voltooid in de  koepel van de Heilige Grafkerk tot ridder te slaan. De Franciscaner orde had het beheer over de kerk. Saladin veroverde in 1187 Jeruzalem en de Orde verspreidde zich naar Italië met vestiging van het hoofdkwartier en kreeg vestigingen in diverse landen als kloosterorde in de lage landen in de 15e eeuw ( 1480). Het herstel van de ridderorde kwam in de tweede helft van de 19e eeuw. Dit is te vergelijken met vele andere ridderorden die aanvankelijk dienden als eer in de strijd en later meer als koninklijke of pauselijke onderscheiding dienden.

[4] Th van Amstel De heren van Amstel  blz. 91 gaat het om verpanding van de kerkelijke goederen ten behoeve van de oorlogvoering aan de graaf van Holland.

[5] Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 Histrorici.nl

1280 mei 9 1904 minderbroederkloosterte Dordrecht Reinier van Orio proost van Chiavasso, kanunnik van Luik en pauselijk nuntius tot het innemen van de tienden in de aartsbisdommen Keulen, Bremen en Maagdenburg en het bisdom Kamerijk, ontslaat in bijzijn van graaf Floris V en vele anderen Jan elect van Utrecht uit de excommunicatie over hem uitgesproken wegens het niet afdragen van de tiend en het zich toe-eigenen

van de reeds bij de predikheren gedeponeerde tiendopbrengsten waarvan de som, zijnde 3151 lb. 12 d. Hollandse, de graaf, bij wijze van voorschot aan de elect, aan hem, nuntius, heeft afgedragen, welk bedrag vermeerderd met de kosten van het bestuur over het Sticht de elect verklaart aan de graaf te zullen

terugbetalen

[6] Hugenholz het Sticht in de 13 eeuw een historisch probleem. Blz.49

[7] Het waardevolle boek voor de verpleging Vernède geeft op blz. 93 aan dat het hospitaal van St. Jan uit twee takken bestond een manlijke en vrouwelijke , de laatste stond onder leiding van Agnes hoofd van het hospitaal van Maria Magdalena. Er zijn geen verwijzingen. De Orde der zusters van St. Jan wordt na de verdrijving uit het Heilige Land  voortgezet in de Friese regionen onder bestuur van het Utrechts convent vermoedelijk in de 14e  eeuw.  

[8] Boer D en  Cordfunke E. Graven van Holland  Blz76 - Blz. 27 oudste bedelorden geeft talloze voorbeelden van schenkingen en mogelijk maken van klooster stichtingen zoals in Middelburg, Haarlem en Dordrecht van Willem II.   Zoals de Predikheren, Karmelieten, Minderbroeders. Er waren nog vele andere bedelordes, echter die hadden meer vestigingen in Frankrijk, Duitsland , Engeland Italië en Spanje.

[9] Hendriks nabeschouwing blz. 185.

[10] In 1644, publiceert Marcus Zuerius van Boxhorn een bewerking van de kroniek van Reygersbergen, onder de titel: “Chronick van Zeelandt” en vermeldt de aanwezigheid van Tempelieren in Zierikzee.

[11] Op de site beschrijft Ben Bot over vele mogelijke vestigingen, het is echter een dappere poging met nog veel vermoedens en overwegingen www.tempelieren.nl. Hij gaat af op oude plaatsnamen en romantische literatuur.

[12] Mol Bidden Vechten en Verplegen, 36, 37

[13] Volgens Mol waren de graven van Holland in de veertiende eeuw de leden van de Orde gunstig gezind, vermoedelijk was dit zonder veel opvallen in de dertiende eeuw ook het geval. In de veertiende eeuw ontstonden meer grote vestigingen en bezit.

(Mol over  Welmeldinge 38-39 geeft nog een overzicht van dochter commanderijen in de 13 e eeuw, St- Jansdal bij Ermelo,  Harmelen, Waarder, Kerkwerve op Walcheren).

[14] Blz.183 The Military orders  and the Reformation ( Mol Militzer Nicholson noten 6-7 Catharijne convent

[15] M. de Winter de johannieters, 2000